01.12.14 – Le Flaubert

| Geen reacties

L’Idiot de la famille, Gustave Flaubert de 1821 à 1857 is het laatste grote werk van Sartre geweest, bijna drieduizend bladzijden in drie boekdelen die één geheel vormen. Omdat ik een beate bewonderaar van Sartre was heb ik die bij verschijnen (in 1971/1972) onmiddellijk gelezen, en waarschijnlijk in enkele rukken.

Niet alleen ben ik nu niet meer zo beaat in mijn bewondering (maar toch nog wel een bewonderaar), maar bij deze tweede lectuur heb ik er enkele weken over gedaan, waarbij de verschillende delen werden afgewisseld met andere lectuur. En dan was het nog erg veel.

sartre-flaubert

Want veel meer dan vroeger zie ik nu zowel de sterke kanten ervan als de zwakke. De sterke liggen in de analyse; Sartre is een echte meester in de analyse, die bij hem een heel eigen vorm van psychoanalyse is, zoals enkele decennia eerder de Genet – die overigens ook al te dik was. Want dat is de grote zwakte van Sartre: een totaal onvermogen tot synthese.

De gedeelten over Flaubert en zijn neurose hadden gecomprimeerd moeten worden tot een boek van een driehonderd bladzijden, dan had Sartre zeker een meesterwerk geschreven over de psychische ontwikkeling van Flaubert. Over die methode kan ik eigenlijk weinig zeggen; wel is het natuurlijk zo dat Flaubert zich bij uitstek leent tot een psychoanalyse, omdat hij zo’n enorme correspondentie nagelaten heeft (vijf dikke Pléiade-delen). Sartre maakt daar veel gebruik van, maar ook van het werk zelf, vooral van het jeugdwerk, dat vanzelfsprekend veel spontaner is dan het grote werk van de rijpe schrijver, en waarin hij zich dus meer bloot geeft.

Al de lange passages over de politieke ontwikkeling van Frankrijk in de 19de eeuw hadden bewerkt moeten worden om een afzonderlijk werk te vormen, waarin Sartre dan diepere verbanden had kunnen leggen, ook met tijdgenoten van Flaubert. Dat zou dan een vorm van literatuursociologie geweest zijn. Want dat zijn de twee kanten van waaruit hij Flaubert tracht te begrijpen: enerzijds wat hij de subjectieve neurose noemt, dat is de eigen psychische ontwikkeling van Flaubert; en anderzijds de objectieve neurose, dat is dan de maatschappelijk invloed op Flaubert en anderen, die hen mede in de neurose dreven of de in aanleg reeds aanwezige neurose nog versterkten.

En sommige stukken, bv. de passages over Leconte de l’Isle hadden eveneens afzonderlijk uitgegeven kunnen worden, in een kleiner boekje, zoiets als Sartre over Mallarmé of Baudelaire geschreven heeft. Maar binnen het grote geheel kan men zich ook detailvragen stellen. Eén enkel voorbeeld: Sartre gaat zeer diep in op één gebeurtenis, uit 1844, toen Flaubert een zware psychische inzinking heeft gehad waaruit hij slechts na jaren weer recht krabbelde. Ik vrees dat Sartre de betekenis van die gebeurtenis een beetje overdrijft: neuroses komen niet voort uit één gebeurtenis; ze kunnen daar wel door versterkt worden natuurlijk. Zo zijn er nog wel opmerkingen, niet weinige.

Maar daar staat de vaart tegenover waarmee ook dit boek geschreven is, en die door de lezer haast automatisch overgenomen wordt. En of dat de corydrane is of iets anders doet er daarbij niet toe. Want, zoals Boon over zijn De Kapellekensbaan zei, de bladzijden die je hier als zijnde overbodig uit zou kunnen scheuren, zou je inderdaad bij vele andere schrijvers kunnen bijplakken. Dan hadden die ook eens iets goeds geschreven.

Een schitterende, vaak explosieve, prachtig geschreven, door en door boeiende mislukking. Zo zou mijn eindoordeel kunnen luiden.

 

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


20 − vijf =