21.11.14 – Sancta simplicitas ofte Paul Claes’ Bezwaren tegen den Geest der Eeuw

| Geen reacties

claes-1Paul Claes is van alle literaire markten thuis. Maar een heus pamflet had hij nog niet geschreven. Dat is er nu: Kinderen van Rousseau, een pamflet tegen de tijdgeest (De Bezige Bij, Amsterdam, 2014).

Het pamflet is een vreemd literair genre, in die zin dat het normaal gezien volledig geënt is op de, meestal politieke actualiteit, en dat het dus vooral floreert in tijden van onrust, van politieke omwentelingen en van belangrijke sociale gebeurtenissen. Leven we nu in zo’n tijd? Als je de actualiteit een beetje volgt, krijg je alleszins de indruk van wel. Dat alles zegt echter ook dat het pamflet een vluchtig genre is, waarvan het belang verdwijnt met de gebeurtenissen die er aanleiding toe gaven; om meestal te eindigen in een vergeetput. Er zijn wel studies over het pamflet verschenen, maar ik ken ze niet. En in het Nederlands schiet me zo spontaan geen enkel voorbeeld ervan te binnen behalve natuurlijk dat van da Costa, dat ik in de titel van dit stuk aanhaal; je zou ook kunnen denken aan Bericht aan de rattenkoning van Mulisch, maar dat lijkt me eerder een soort kroniek. Het is ook te lang om een pamflet te zijn, dat uitmunt door beknoptheid, in die zin zelfs dat het bijna noodgedwongen vol veralgemeningen en overdrijvingen moet staan. Het pamflet van Paul Claes past daar wonderwel in.

Het enige pamflet uit de wereldliteratuur waar ik wel spontaan aan moet denken, is enkele eeuwen oud en komt uit de Engelse literatuur; het is van Jonathan Swift, nl. het bekende A Modest Proposal for Preventing the Children of Poor People From Being a Burthen to Their Parents or Country, and for Making Them Beneficial to the Publick (een exemplaar daarvan zou eens naar minister Crevits gestuurd moeten worden, ze zal er zeker inspiratie uit kunnen opdoen). Het pamflet van Paul Claes haalt nooit het niveau van dit meesterwerk in het genre.

De titel zal misschien vreemd overkomen. Wat heeft Rousseau met de gebeurtenissen van vandaag te maken? Veel volgens Claes, misschien wel alles. Waarbij de letterlijke kinderen van Rousseau eerder een metafoor zijn dan iets anders natuurlijk (wanneer je de literatuur erover naleest zijn de Rousseau-specialisten het overigens tot op de dag van vandaag oneens over de reden waarom Rousseau zijn (?) vijf kinderen naar een vondelingenhuis stuurde – zelf zal ik me dus niet erover uitspreken), want de eigenlijke kinderen waar Claes het over heeft leven vandaag en vormen de generaties sinds pakweg de jaren zestig van de vorige eeuw. Die generaties zouden volledig geïmpregneerd zijn door de in de ogen van Claes nefaste ideeën van Jean-Jacques.

Klopt dat? Natuurlijk niet.

Rousseau, dat zijn vijf Pléiade-delen voor mij, niets meer. En zoals dat met zovele schrijvers en filosofen voor en na hem het geval was en is, kun je uit die vijf delen plukken wat je wil en wat in je kraam te pas komt. Dat doet ook Paul Claes in zijn pamflet. Eén voorbeeld slechts: Claes maakt van Rousseau een voorloper van het hedendaagse neoliberalisme. Maar voor Claes hebben anderen van Rousseau al een voorloper gemaakt van het fascisme, van het communisme en van de democratie. En de ‘tijdgeest’? Dat moet het meest onvatbare Duitse spook zijn dat ooit uitgevonden werd; je zoekt ernaar, je meent het te ontwaren, je legt vlug je hand erop en – foetsie – het is alweer weg en je handen zijn leeg.

Het kind moet echter een naam hebben, zullen we maar zeggen.

Kinderen van Rousseau bestaat uit een voorafgaand gedicht, van de hand van Claes zelf, en uit twaalf korte stukjes, die telkens een -isme behandelen, dat mede kenmerkend zou zijn voor de hedendaagse tijd, aldus onze pamflettist. Zoals iedereen weet, zijn woorden die op -isme eindigen abstracta, die dus binnen bepaalde grenzen vrij kunnen worden ingevuld. Het best zou in zo’n geval zijn – Wittgenstein indachtig – te beginnen met een korte definitie, van wat je onder dit of dat -isme verstaat. Claes doet dat weliswaar niet, maar uit de aard van zijn uiteenzetting kom je toch wel min of meer te weten wat hij zeggen wil. Elk van die twaalf stukjes wordt ook voorafgegaan door een motto, meestal van Rousseau zelf, maar soms ook van anderen, maar die dan in dezelfde lijn – steeds volgens Claes – schrijven.

Het geheel wordt echter nog voorafgegaan door een motto van Hugo, ‘C’est la faute à Rousseau’ en, zoals gezegd door een gedicht, ‘Ode aan Rousseau’. Zowel de domheid van Hugo als het gedicht van Claes zijn van zo’n simplisme, dat je de neiging krijgt te denken dat Claes zijn lezers bij de neus probeert te nemen. Twee strofen slechts van de zeven:

“De wet is altijd slecht,
de vrijheid is ons recht.
Verbieden is taboe,
wij zijn de meesters moe.

In een klassiek gezin
is elke vrouw slavin
en zelfs de braafste man
een brute huistiran.”

Je herkent hier natuurlijk onmiddellijk de vermeende mentaliteit van mei ’68 in, en een extreme vorm van feminisme. Het hele gedicht is zo lachwekkend, dat je eigenlijk bijna met een parodie te doen hebt, een parodie waarin bepaalde stellingen of opvattingen zo in het extreme doorgetrokken worden dat ze enkel daardoor al belachelijk worden. Maar waarschijnlijk is dat de bedoeling: door middel van een kinderachtig vers in de trant van Cornelis Paradijs moeten opvattingen waar Claes het niet mee eens is en die hij aan Rousseau toeschrijft, in het belachelijke worden getrokken. Tot daar aan toe, geen probleem. Maar is de tekst van het pamflet zelf ernstiger? Wordt daarin meer geargumenteerd?

Laten we die twaalf stukjes nu eens een na een onder de loupe nemen, zo komen we misschien te weten wat de diepe onvrede van Claes nu eigenlijk inhoudt, en of, en zo ja in hoeverre we hem au sérieux moeten nemen.

Paul Claes - 2

Paul Claes – Foto Michiel Hendryckx, Wikimedia Commons

1) Het simplisme of de wereld van Rousseau

Dit stukje zou je als een inleiding kunnen beschouwen, waarin Claes het ideeëngoed van Rousseau ‘samenvat’, waartegen hij dan verder ten strijde zal trekken. Hoe die ‘samenvatting’ eruit ziet? Ziehier:

“In onze tijd zijn de ideeën van Rousseau levendiger dan ooit. Vrijheid blijheid is het parool. De enkeling moet de handen van de onderdrukkende maatschappij verbreken. Het gezag, de staat en zelfs  de wetten worden als vijanden van het volk gezien. Burgerlijke ongehoorzaamheid, revolte en revolutie zijn per definitie goed. Terwijl elke autoriteit wordt gehaat, wordt de blinde tirannie van de vrije markt omhelsd.” (p. 15)

Als ‘samenvatting’ kan dit inderdaad tellen! Bijna tienduizend bladzijden inleidingen, tekst, varianten, voetnoten en bibliografie ‘samengevat’ in zes eenvoudige zinnetjes (en dan hou ik nog geen rekening met de onoverzichtelijke secundaire literatuur over Rousseau). Natuurlijk is een pamflet geen literaire studie, maar dit is toch wel heel grof. Rousseau is hier enkel nog een kapstok waaraan ongenoegen opgehangen wordt. Maar welk ongenoegen? Het tweede deel van de laatste zin zou uit de pen van een linkse criticus van de markt en het neoliberalisme kunnen komen, terwijl al de rest rechtstreeks uit de mond van De Wever c.s. gerold lijkt te komen.

Schrijft Paul Claes een parodie op het genre ‘pamflet’? Of toch minstens een pastiche? Wat de poëzie betreft is hij in dat laatste een grootmeester, zoveel is zeker. In elk geval is de titel van dit eerste stukje niet gestolen: het is nl. één groot simplisme.

2) Het primitivisme of de cultus van het lawaai

De eerste boosdoener hier zijn de kinderen, nee niet die van Rousseau, maar kinderen die lawaai maken als ze zich uitleven. Claes vindt het blijkbaar terecht dat hiertegen geprotesteerd wordt en dat er zelfs naar de rechtbank wordt gestapt om die kinderen de lawaaierige muil te snoeren. Ik herinner mij één geval, van een oudsportredacteur van de vrt, en ‘oud’ is hier inderdaad gepast. Hoe verzuurd moet je zijn. “In mijn kindertijd…” schrijft Paul Claes. Claes is van 1943, en dus 71 jaar oud. Statistisch gezien heeft hij inderdaad nog maar een jaar of acht te gaan. Veel is dat niet, en dus kijken de oudjes liever terug naar ‘hun kindertijd’. Ik zou dat ook kunnen doen, maar zou dan wel tot tegenovergestelde conclusies komen, en zo ver liggen de jaren vijftig niet af van de jaren veertig. Nee, vroeger was alles doodgewoon anders, en niet noodzakelijkerwijze beter, zoals oude venten denken.

Claes haalt ook een voorbeeld aan van een hotel in Korfoe, waar hij geen enkel rustig en muziek- of lawaailoos plaatsje kon vinden. Een vijfsterrenhotel dan nog wel, dat naar de naam Marbella luistert. Waarom zo’n hotel kiezen, vraag ik me dan af, te meer daar die vijfsterren daar niets betekenen? Er zijn hotels genoeg met minder sterren en waar je heel rustig kan lezen en werken. Op Korfoe was ik nog nooit, maar door goed te kiezen, ben ik een dergelijk lawaaihotel nog nooit tegengekomen. Ook klaagt Claes over het lawaai op recepties. Daar heeft hij de juiste conclusie getrokken, en gaat niet meer. Ik weet niet eens meer hoe of wat dat is, een receptie. Iemand als Claes blijft daar in mijn ogen ipso facto weg.

Rousseau heeft het hier gedaan doordat hij de ‘eenvoudige melodie’ prefereerde ‘boven de kunstmatige harmonie’, en ‘het primitieve volkslied boven de kunst van het contrapunt, de natuur boven de cultuur’. Uit die ‘lagere’ muziek zijn wel die ‘hogere’ muziekvormen ontstaan. Hoe stond bv. iemand als Bartok, die niet tot de gemakkelijkste componisten behoort, tegenover dat ‘primitieve volkslied’? En weet Claes dat die andere, nog veel moeilijkere componist, Olivier Messiaen, met een bandopnemertje door de natuur struinde om vogelgeluiden op te nemen, die hij dan gebruikte in zijn muziek? Natuur en cultuur zijn geen tegengestelden, ze sluiten elkaar niet uit, maar in.

Claes gaat, zoals quasi alle kunstenaars, uit van de eigen ambachtelijke poëtica om alle andere poëtica’s te verwerpen. Dat gebeurt hier eigenlijk. Maar dat is natuurlijk onzin, Rousseau of geen Rousseau.

Overigens, ook ik moet van al die moderne muzeikvormen niets hebben en ben eveneens allergisch voor vele soorten lawaai. Maar ik ben er tenslotte ook al 65.

3) Het sentimentalisme of de emocratie

‘Dictatuur van het gevoel’? Het minste dat je kunt zeggen is dat dit slechts één enkele kant van een medaille is, want het volstaat de pers te volgen om zich ervan te vergewissen dat de omgang tussen de mensen hoe langer hoe meer door wreedheid en geweld en medogenloosheid gekenmerkt wordt. ‘Gevoel’ in positieve zin is nergens te bespeuren, tenzij misschien in de vorm van sentimentaliteit, inderdaad.

Iconisch voor die emocratie zijn volgens Claes enerzijds de beelden van uitgehongerde kinderen in Afrika, anderzijds de zgn. pedofilieverhalen hier. Die hongersnood is volgens hem te wijten aan overbevolking. Dat is manifest onjuist, want de hongersnoden in Afrika zijn het gevolg van een welbewuste politiek van de grote meestal Angelsaksische landbouwfirma’s. Met de huidige voedselproductie zou de hele wereldbevolking gevoed kunnen worden, dat vergt enkel een rationele aanpak van die productie. In ons politiek en economisch systeem is dat echter onmogelijk. Claes kijkt hier niet verder dan zijn neus kort is.

Dat kinderen vandaag meestal gewild zijn en dus de vleesgeworden onschuld zouden zijn en voor schuldgevoelens zorgen bij de ouders als dat niet zo blijkt te zijn, is al evenzeer onzin. Als Claes ook maar iets van bv. Anna Freud en Melanie Klein gelezen had, zou hij weten dat de karikatuur die hij maakt van kinderen allang achterhaald is (en waarschijnlijk ten tijde van Rousseau al niet in die karikaturale vorm bestond). En dat daaruit pedofilie zou ontstaan? Dat heeft altijd en overal bestaan, jammer genoeg. Claes haalt enkele voorbeelden van wat hij overtrokken mediale hysterie en heksenjacht noemt aan. Maar ten eerste bewijzen die voorbeelden niets, je kunt er geen algemene regels uit afleiden; en ten tweede is minstens één van zijn voorbeelden manifest onjuist. Regina Louf was géén fantaste, en dat is bewezen. Hetgeen uiteraard niet betekent dat àlles wat ze zei ook juist was. Als hij zich ook maar een beetje gedocumenteerd had, zou hij weten dat De Baets, die de hoofdspeurder was in dat dossier, al zijn processen die van hem een fantast en bevooroordeelde wilden maken, gewonnen heeft.

En al die pastoors die niet van kinderen af konden en kunnen blijven? Ook verzinsels van fantasten?

Paul Claes bouwt een windmolen, noemt die ‘emocratie’ en gaat die dan te lijf met een plastieken zwaard.

4) Het obscurantisme of de crisis van de kennis

Claes ‘verwijt’ Rousseau dat hij nooit Latijn leerde. Dat Claes zelf die taal volkomen beheerst, passief en actief, weet ik wel, maar hij zou moeten weten dat hij wat dat betreft een absolute uitzondering is. Maar goed, de kennis van de klassieke talen is inderdaad ondermaats geworden. Net zoals het geschiedenisonderricht, en dat niet enkel in Nederland. In Vlaanderen is dat al begonnen in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, onder de ministers van onderwijs (toen nog: Nationale Opvoeding) Claes en de Croo. En de klacht die hij ‘onlangs’ hoorde van een lerares Duits is ook niet nieuw: in diezelfde jaren zeventig heb ik een jaar Duits onderwezen en één keer inspectie gehad. Ik was verplicht een methode te gebruiken (dia’s met tekst op bandopnemer, die de leerlingen moesten nazeggen) die ik dom vond. Ik gaf toch uitleg over de naamvallen, ook al mocht dat niet. Toen ik mij bij de bespreking achteraf verdedigde, was het antwoord van de inspecteur letterlijk: ‘Maar als u in een café een koffie bestelt, dan zegt u toch gewoon: ‘Kaffee, bitte!’ Dus heeft u geen grammatica nodig’. Niet gelogen. Ik ben dan opgestaan en heb nooit meer een aanvraag voor het onderwijs ingediend. Overigens, die inspecteur is later, naar ik meen, hoogleraar geworden.

Wat dit stukje betreft, ben ik het grotendeels eens met Claes; maar de barbaren staan niet voor de klas, de barbaren zitten in de regering en het parlement, en dat is toch wel een groot verschil.

5) Het anarchisme of de keerzijde van de verdraagzaamheid

Rousseau was dus niet enkel de aanstichter van fascisme, communisme, neoliberalisme, maar nu dus ook van anarchisme.

Was Claes bij het vorige stukje zelf rechtstreeks betrokkene (hij gaf zelf les), hier gaat het over politiek, iets waarver Rousseau inderdaad nogal wat geschreven heeft, maar ook iets waar Claes blijkbaar totaal geen kaas van gegeten heeft, want behalve slogans, vage algemeenheden, en manifeste onjuistheden (weer!) komt er weinig uit zijn pen.

‘Vrijheid’ is waarschijnlijk het meest misbruikte woord in de politiek, en dat komt omdat het een ‘leeg’ woord is, dat op zichzelf amper iets betekent, en dus ingevuld moet worden (zoals al die -ismen die Claes uitvindt). Claes bevestigt hier zijn absolute onkunde door het begrip ‘democratisch centralisme’ in een positieve zin te gebruiken. Blijkbaar weet hij niet dat dit hét organisatieprincipe is van alle communistische partijen ter wereld, vanaf het begin tot op de dag van vandaag. Bij Marx zelf komt het begrip als zodanig nog niet voor, maar wel impliciet. Het was Lenin die het volledig uitwerkte in zijn Que faire?

Tenzij Claes het communisme zou willen preken? Bewust of onbewust? Als die spreekwoordelijke wolf in schaapsvacht? Ik denk het niet.

Kop van jut is hier enkel de slogan van 68: ‘Il est interdit d’interdire’. Dat leidt volgens Claes tot het gebruik van scheldwoorden op TV en in andere media. Of daar inderdaad een verband is, betwijfel ik. Net zoals ik aan het verband met Rousseau twijfel. Een punt heeft hij dan wel met de vraag waar zelfbeschikking (in de politiek) ophoudt. Of dat tolerantie zo’n oneindig rekbaar begrip is. Maar in beide gevallen is dat natuurlijk altijd zo geweest, niet enkel vandaag?

In feite spreekt Claes zichzelf volledig tegen in dit stukje: enerzijds gaat hij tekeer tegen een ten onrechte letterlijk genomen slogan van mei 68, en herhaalt zodoende de diatribes van de Wever en andere conservatieve, extreemrechtse politici, maar anderzijds vergeet hij dat diezelfde politici voorstanders zijn van een extremistisch liberalisme op sociaal en economisch vlak. En met generaties, al dan niet van 68, heeft dat niets te maken, wel met de kern van politiek: macht, en door wie en voor wie die uitgeoefend wordt. Tot die kern van de vragen die hij opwerpt, geraakt Claes nooit.

6) Het dilettantisme of de fotografie om de fotografie

Hier kan ik weinig over zeggen, omdat ik van fotografie niets afweet. Ik vraag me wel af wat nou het verschil is tussen gewoon dilettantisme en ‘rousseauïaans dilettantisme’? En waarom stelt hij  “Het grote misverstand is dat huidige fotografen zichzelf niet zien als vaklui, maar als kunstenaars.” ? Claes zelf is duidelijk een poeta faber en een poeta doctus, een ambachtsman op literair vlak dus. Maar hij is toch ook een kunstenaar? Waarom zou het ene het andere uitsluiten?

En zijn de fotografen die hij opvoert inderdaad zo slecht? Of gaat Claes weer uit van zijn eigen poëtica? Zodat hij enkel één subjectieve visie weergeeft, waar vele andere visies tegenover kunnen staan, met wellicht hetzelfde recht van spreken? Claes gaat uit van foto’s die van hemzelf genomen werden, en waar hij niet tevreden over is. Maar zegt dat iets over die foto’s of over Claes’ visie erop?

En waar is in dat alles de tijdgeest te vinden? Nergens uiteraard.

rousseau-1

1764 Jean Jacques Rousseau – Compositie door Paul D Stewart – fineartamerica.com

7) Het moralisme of de politieke poëzie

“Volgens een contemporain cliché moeten schrijvers geëngageerd zijn.”, zo begint onze pamflettist dit stukje.

Je vraagt je af of hij weet wat hij zegt, want hier is hij meer dan een halve eeuw ten achter: in de jaren vijftig in Frankrijk (Sartre!) en in de jaren zestig in Vlaanderen werden inderdaad soms dergelijke eisen gesteld aan dichters en kunstenaars in het algemeen. Maar dat is al lang geleden, en ik vrees dat niemand meer te vinden is die dat vandaag nog zou eisen – n’en déplaise Paul Claes.

Wel geeft hij een zeer goed, maar beknopt overzicht van hoe in de loop der tijden dichters zich hebben geëncanailleerd met, of minstens geschurkt tegen de politieke macht. En dat dit met de romantiek veranderd is. Zonder dat die dichters daarom kritisch en revolutionair werden trouwens. En zie, ineens is Rousseau de gangmaker van ‘links’ (wat dat ook moge zijn): “Sinds Rousseau ligt het hart van iedere weldenkende dichter toch links?”. Niet dus. Terwijl diezelfde Rousseau eerder de gangmaker was van een ultraliberalisme, dat je toch bezwaarlijk als ‘links’ kunt beschouwen.

Ook sommige details behoeven aanvulling. Zo kun je Breton bezwaarlijk een ‘stalinist’ noemen, hij was een trotskist. Maar goed, als die het gehaald had, zou er waarschijnlijk op dezelfde manier geregeerd zijn in de Sovjet-Unie als onder Stalin. Neruda schreef inderdaad een ode op Stalin, maar kwam daarop impliciet terug in latere poëzie. Aragon bleef géén stalinist pur sang: in zijn Les Communistes voerde hij een figuur in, Orfilat genaamd, die helemaal de trekken van Paul Nizan aannam, die volgens de geijkte stalinistische methodes als verrader en politiespion werd neergezet, eerst door Thorez, later dus ook door Aragon. Vanaf de jaren zestig heeft Aragon deze figuur volledig geschrapt uit zijn roman. En daarmee ook bepaalde stalinistische praktijken.

Wat wel klopt, en als hij die tijdgeest echt bij de staart had willen grijpen dan had hij daar dieper op in moeten gaan, is het feit dat een stuk als Voltaire’s Le fanatisme ou Mahomet le Prophète niet meer opgevoerd wordt c.q. opgevoerd kan worden. Want daar heb je inderdaad een zwaar probleem te pakken, maar dat uiteraard niets met Rousseau te maken heeft, maar alles met politieke correctheid én angst voor moslims. Rousseau mag dan al voor theaterverbod zijn, hier hebben we te maken met iets heel anders: degenen die een dergelijk stuk zouden willen opvoeren durven het niet meer. Dat betekent dat zij bepaalde politieke onwaarden al verinnerlijkt hebben, wat veel erger is dan, of minstens zo erg als openlijke censuur. Want tegen dit laatste kun je inderdaad ten strijde trekken.

8) Het analfabetisme of het schandaal van Ulixes

Dit is volledig een pleidooi pro domo (Claes is, samen met Mon Nijs, zelf vertaler van Ulysses, en wel van de beste vertaling ervan in het Nederlands), en daarom geef ik Paul Claes hier ook honderd procent gelijk. Waar gaat het over?

In 2012 verscheen een nieuwe ‘vertaling’ van Joyce’s Ulysses, van de hand van Erik Bindervoet en Robert-Jan Henkes. Door al de fouten op één enkele bladzijde (de eerste) op te sommen fileert Claes deze ‘vertalers’ rauw. Volkomen terecht, ook al heb ik die ‘vertaling’ niet onder handen gehad.

Maar ik bezit wel hun ‘vertaling’ van Finnegans Wake, en ik heb grote spijt dat ik mijn vorige versie (enkel Engels in plaats van de tweetalige) heb weggedaan. Nu word ik immers voortdurend verleid om ook naar de ‘Nederlandse’ tekst te kijken, waarbij ik mij voortdurend erger. En ik ben allesbehalve een specialist in Engels, Joyce of dat boek – wat Paul Claes wel is.

Maar ook dit heeft natuurlijk niets te maken met Rousseau, enkel met verregaande onkunde.

9) Het irrationalisme of de onnadenkende blik

Ook hier weer legt Claes een manifeste vorm van onkunde bloot, en ook hier weer volg ik hem volledig, want ook hier weer is hij op vertrouwd terrein, dat hem helemaal bekend is.

Gebeten hond is hier Hanneke Grootenboer (en een Fransman, Daniel Arasse, van hetzelfde kaliber), een kunsthistorica die geen schilderijen uit de 17de eeuw kan ‘lezen’ en dus niet verder komt dan een beetje totaal oppervlakkig gemompel. Claes kent zijn klassiekers ter zake, en noemt dus Panofsky. Maar hij zegt zelf hoe je enkele voorbeelden van schilderijen dient te ‘lezen’, en hij doet dat zo goed dat je alleen maar voor jezelf een dergelijke leidsman kunt wensen, zeker ik, die op eigen houtje ook niet in staat ben al de verbanden te leggen die Claes legt en niet de opleiding heeft om schilderijen op zo’n beknopte wijze zo grondig te duiden.

Het valt op: als Claes het heeft over zaken waar hij verstand van heeft, dan kun je het quasi volledig met hem eens zijn. Maar als hij begint over zaken waarvan hij weinig of niets af weet, begint hij maar wat te leuteren. Ik ben geen aanhanger van het spreekwoord ‘schoenmaker, blij bij je leest’, al zeker niet als het over politiek gaat. Maar je moet dan wel een inspanning doen, je documenteren en studeren vooraleer iets aan het papier toe te vertrouwen. Dat doet Claes jammer genoeg niet, ook niet in het volgende stukje.

10) Het jeunisme of de verheerlijking van de jeugd

De titel is een beetje misleidend, want hij doet denken aan de zoektocht naar de eeuwige jeugd, een trend die minstens sinds Herodotus in de westerse cultuur aanwezig is; Paul Claes, die ook classicus is, en waarschijnlijk de beste van de Nederlanden, weet dat uiteraard.

Wat hij bedoelt is eerder ‘verkleutering’ en/of infantilisme. Dat begon volgens hem met de ‘emancipatie van de jeugd’ in het laatkapitalisme. Dat laatste klopt natuurlijk, maar Claes weigert dit te zien in de algemene maatschappelijke context van de 19de naar de 20ste eeuw: het toegenomen onderwijs waardoor mensen langer op de schoolbanken zaten en dus later werden ingeschakeld in het arbeidsproces. En natuurlijk was dat positief, dat wist overigens ook Althusser wel. Maar dat betekent niet dat dat onderwijs waardenvrij geweest zou zijn c.q. is. Elk onderwijs is ideologisch bepaald, of men dat nu leuk vindt of niet. In bepaalde vakgebieden is dat overduidelijk (rechten, economie…), bij andere al veel minder (letteren…) en nog andere, vooral de technische vakken nog veel minder: een ingenieur bouwt geen brug vanuit ideologische motieven, maar dat doen wel de politici die hem de opdracht geven om die brug daar en dan te bouwen.

“Omdat ouderen per definitie reactionair zijn, wilde niemand nog oud lijken.” Dit is dus de trend van Herodotus, en heeft dus noch met Rousseau noch met het infantilisme van de ene of de andere tijdgeest wat dan ook te doen. Je kunt hoogstens objectief stellen dat hoe ouder je wordt, hoe meer tijd achter je ligt en hoe minder voor je. Dus ga je bijna automatisch meer naar het verleden kijken, en in zekere zin kan dat inderdaad reactionair lijken, of zelfs zijn, dat hangt van de manier waarop af.

Een ander symptoom van infantilisme blijkt het gebruik van letterwoorden (afkortingen) te zijn; voorwaar een wereldschokkend probleem.

Juister lijkt mij zijn opmerking over de nieuwe Shakespeareversies van Jan de Corte; ik heb die weliswaar niet gezien noch gelezen, maar ik heb hier wel al een stukje geschreven over een gelijkaardige ‘bewerking’ van Mozart door Ramsey Nasr, nl. Een totale Entführung. Mijn conclusies kwamen volledig overeen met die van Claes over de Corte.

En ook dit klopt natuurlijk: “Moderne ouders procederen tegen scholen die niet genoeg doen om hun lastige, luie of achterlijke afstammelingen het diploma te geven waar ze geen recht op hebben.” Minus het aspect hyperbool dan. Maar ook dat probleem is al ouder dan vandaag. Zelf heb ik in de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw dus een jaar lang les gegeven, en er was inderdaad druk van ouders die naar de directrice (een politiek omhooggeneukt onbekwaam stuk vreten, dat de leraren als vijanden beschouwde) belden om allerlei stompzinnige redenen, die vaak niets te maken hadden met de lessen.

Nog meer dan de andere is dit stukje een allegaartje, waarin allerlei zaken worden samengebracht die weinig met elkaar te maken hebben, zelfs niet de noemer ‘jeunisme’.

11) Het populisme of de politiek als vox pop

Ging het voordien soms over politiek, dit voorlaatste stukje gaat dus helemaal daarover, en het is wellicht het meest simplistische (om niet meer te zeggen) van allemaal. Het is gericht tegen de ‘populisten’. Dat is een woord dat quasi enkel door politici gebruikt wordt om andere politici de mond te snoeren. Een definitie wordt daarbij nooit gegeven, wat trouwens ook aartsmoeilijk zou zijn, want àlle politici beroepen zich tenslotte op het ‘volk’ – ook al zo’n begrip. In het Duitse recht – van vroeger, maar impliciet ook van nu – wordt ook wel van ‘gesundes Volksempfinden’ gesproken. ‘Directe democratie’ (referenda) zou daar ook onder vallen. Volgens Claes werkt dat niet; maar in Zwitserland bv. werkt dat wel degelijk.

“Het politieke bedrijf is het reguliere kader waarin het debat op een fatsoenlijke wijze gevoerd kan worden.” Je gelooft je ogen niet wanneer je dit leest, dat een dergelijke zin uit de pen van een van de meest intelligente en erudiete schrijvers van de Nederlanden kan vloeien! “Het debat voeren” is een constituent die je voortdurend uit de mond van alle politici hoort kruipen, bijna als maden uit een lijk. Niets betekent dat, maar dan ook helemaal niets. Noppes, nada, nihil! Als dat geen ‘populistisch simplisme’ is, dan weet ik het niet meer!

Nog hallucinanter vind ik het feit dat Claes de ‘representatieve democratie’ (hoe democratisch is die en hoe representatief? en wie representeert zij?) aanprijst als voorbeeldmodel, zonder zich daarover ook maar één enkele vraag te stellen. Een man als Albert Frère heeft veel meer macht dan alle parlementen en regeringen van dit land tesamen en dat zijn er niet weinig. Parlementen hebben helemaal niets te zeggen, ze worden bevolkt door narren die lekker hun eigen ego mogen strelen (een al dan niet aangepaste Haretest op politici zou nogal wat opleveren, vrees ik), terwijl de regeringen inderdaad enkel uitvoerders zijn…van de wensen van de échte machthebbers, en die zitten niet in de parlementen, die zijn niet onder het ‘volk’ te vinden, maar wel in de grote raden van bestuur. Men ziet ze niet, want ze komen zelden of nooit in de schijnwerpers. “Und man siehet die im Lichte,/die im Dunkeln sieht man nicht.”, zoals Brecht al wist, en dat voor hij communist werd.

Zijn andere systemen dan beter, zal men vragen. Definitief nee; er is geen goed politiek systeem en er is geen goede maatschappij. Al was het maar door de beperktheid van de mensen, kan dat ook niet. Maar er kan wel naar verbetering gestreefd worden, maar dat kan nu juist niet in het systeem dat Claes aanprijst; of hoe men mij eens uitlegt hoe een parlement iets kan doen aan de klimaatverandering? Of hoe ze de derde wereldoorlog gaan tegenhouden, die hoe langer hoe duidelijker op ons afkomt? Op dezelfde manier als ze de eerste en de tweede hebben tegengehouden zeker? Of alle andere kleinere oorlogen sindsdien?

Claes begint dit stukje met het Latijnse spreekwoord Vox populi vox Dei, maar wat hij zegt is het tegenoverstelde daarvan: Vox populi, vox humbug. Wat mij betreft is het eerste nooit juist, en het andere maar al te vaak wel. Maar hoe komt dat? Claes eindigt zijn stukje met een uitval naar de media. Terecht. Die bombarderen de mens dagelijks met een oeverloze terreur van idiote en nietszeggende faits-divers, gecombineerd met zeer subtiele, maar wel effectieve propaganda. En het ‘volk’ loopt daar natuurlijk in. Maar wie is in het bezit van die media en zorgt er dus voor dat ze zo ‘theatrocratisch’ zijn? Juist, inderdaad, de échte machthebbers.

12) Het rousseauïsme of de wereld op zijn kop

In dit laatste stukje vat Claes zijn visie op Rousseau en de vermeende actualiteit van diens denken nog eens samen. Dat doet hij aan de hand van drie tegenstellingen – die er geen zijn, behalve in de geest van Claes natuurlijk.

“Wij zullen deze wereld voortdurend artificiëler maken”, schreef Jan de Roek ooit. Natuur versus cultuur dus. Maar van een ‘natuurideologie’ merk ik nergens iets (ben ik blind?) behalve bij enkele geschifte groenen (een minderheid, zelfs bij de groenen). En om te zien dat de “natuur overigens even destructief (is) als de cultuur” hoef je maar naar de mensen en hun samenleving te kijken: daar komen natuur en cultuur immers samen, en dat leidt inderdaad tot een hoogvorm van destructiviteit. En dan komt het onderwijs weer eens op de proppen (hebben we al gehad) en de kunst, deze keer het primitivisme van Cobra, Art Brut etc. (hebben we onder een andere vorm al gehad).

En dan de authenticiteit, in een tijd waarin ‘alles fake (is)’. Hier komt het jeunisme (hebben we al gehad) weer kijken bij wijze van maagverkleiningen, botox etq. Wat dat te maken heeft met authenticiteit of aliënatie? Of dat in de politiek enkel perceptie nog van belang is (was Claes in het vorige stukje niet de spreekbuis van de ‘representatieve democratie’?) of dat we nooit met onszelf samenvallen (‘Je est inderdaad un autre’); wat heeft het allemaal met elkaar te maken? En waarom al deze open deuren intrappen?

En dan individu tegenover gemeenschap. Volgens Claes zou “het liberalisme, dat zich verzet tegen alles wat de enkeling fnuikt” mede aan de oorzaak liggen van de kwalen die hij bestrijdt. Maar hoe liberaal is deze tijd? Neem als voorbeeld de hoogleraren, categorie waar Claes zelf toe behoort. Vroeger waren dat inderdaad min of meer vrije mensen, die zich desnoods jaren lang aan één werk konden wijden. Nu lijden ze onder een ziekelijke publicatiedwang (gevolg: nooit zoveel wetenschapsfraude), worden ze om de haverklap opgejaagd door bezoekende evaluatoren, en moeten ze zich, godlof, ook nog eens laten evalueren door hun studenten, de eerstejaars inbegrepen. Waar is daar nog enig liberalisme?

Het liberalisme bestaat enkel nog in de economie (breed genomen): elke cent die naar een werkloze, een zieke, een gepensioneerde… gaat is een cent die niet naar de echte machthebbers, dat zijn de economische machthebbers gaat, en daar moet paal en perk aan worden gesteld. Dat is het enige, allerenigste punt waar het liberalisme van vandaag nog rond draait. En al de rest is praat voor de vaak.

Zoals de rest van dit stukje. En zoals het overgrote deel van dit boekje.

000

Waarom zo veel aandacht en tijd besteden aan een boekje dat je duidelijk maar minnetjes vindt? Op de eerste plaats omdat het van Paul Claes afkomstig is natuurlijk. Maar vooral wellicht omdat het boekje op zichzelf bij mij overkomt als een symptoom van iets dat fundamenteel misloopt in onze maatschappij. En net zomin als Claes kan ik op dat ‘iets’ een etiket plakken. Misschien hoeft dat ook niet, maar toch.

Een pamflet zou, denk ik, zich best bezighouden met één enkel onderwerp. Dan heeft het meer kans om gehoord te worden, want dat is tenslotte de bedoeling van een pamflet. Ik noem hier nog twee voorbeelden: Gerrit Komrij schreef zijn De stankbel van de Nieuwezijds enkel tegen de zgn. Scientology’kerk’. En Jaap Goedegebuure zijn Te lui om te lezen? enkel tegen de nefaste ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs. Maar Claes doet het tegendeel: hij trekt tegen alles en iedereen ten strijde, en sleurt allerlei dingen erbij die noch met elkaar noch met Rousseau noch met een tijdgeest te maken hebben. Die tijdgeest overigens heeft wel heel veel trekjes van God: “Waar is de tijdgeest? De tijdgeest is overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen.” Op die manier kun je er inderdaad alles bij betrekken en tegen alles te keer gaan.

Maar dan lijk je wel op een drenkeling die met armen en benen in paniek naar alle kanten slaat en trapt om toch maar adem te kunnen halen. Of op iemand die overal rond zich klokken hoort luiden, maar nergens een klepel kan vinden. Of op iemand die overal echte of vermeende symptomen meent te ontdekken van een ziekte waar hij geen enkel benul van heeft. Verwarring alom dus.

Maar misschien is juist in die verwarring die tijdgeest wel te ontdekken. Er is immers geen enkel criterium meer over om maatschappelijke zaken te beoordelen. Wat we in kranten lezen of op TV zien bevat ontzettend veel meer desinformatie dan informatie. Het gerecht kun je op geen enkele manier nog vertrouwen, politici zijn grotendeels met hun eigen navel bezig, de EU wordt geleid door een manifeste organisator van financiële fraude op grote schaal, bedrijfsleiders denken enkel nog aan kortetermijnwinst en dan liefst zo veel mogelijk. Het is alsof iedereen voelt dat een afgrond zich gaat openen onder zijn voeten en nog snel probeert zoveel mogelijk te graaien vooraleer het te laat is, en zich dan uit de voeten te maken, zolang het nog kan. Après nous le déluge, lijkt het spreekwoord te zijn waar alle machthebbers, op welk niveau dan ook, van uit lijken te gaan. Enzoverder enzovoort.

Je zou voor minder in verwarring geraken. Maar was het vroeger beter, zoals Claes suggereert? Gelukkig zegt hij dat niet expliciet, daar is hij toch te intelligent voor. De toon is echter wel die van de nostalgie. Maar de verloren tijd kan jammer genoeg niet ingehaald of teruggehaald worden. Die Vergangenheit ist klar vorbei om het met Herbeck te zeggen.   Het is normaal dat je terugkijkt wanneer je ouder wordt, en gaat denken dat het vroeger beter was (het zal een van de redenen zijn waarom Weisgerber op z’n oude dag zich vooral nog inliet met de 18de eeuw, en de oudere Hermans met de 19de eeuw). Maar dat klopt natuurlijk langs geen kanten, en dat zeg ik ook, al ken ikzelf dat soort nostalgie eveneens. Vroeger was het alleen maar anders, and that’s it.

Maar het belangrijkste verwijt aan dit geschrift is voor mij dit: Claes gaat enkel randfenomenen te lijf, de echte problemen waar de mensheid voor staat, raakt hij nooit ofte nimmer aan. En dat zijn er niet weinige.

Dat alles betekent niet dat ik het volledig oneens zou zijn met wat hij schrijft. Hijzelf probeert een beetje op alle slakken die hem niet bevallen (en dat zijn er veel) zout te leggen, zelf heb ik dat niet gedaan, anders zou dit opstel onnoemelijk lang zijn geworden. Ik begrijp zijn boosheid dus wel, maar misschien zie ik beter in dat er niets aan te doen is. Waarom niet eerder een aantal tijdskritische satires geschreven (voor mijn part zelfs in het Latijn) in de trant van Juvenalis? Dat zou evenmin boter aan de galg brengen, maar de lezer veel meer genoegdoening schenken. Maar bon, Claes is zijn gal kwijt en ik heb me een tijdje onledig kunnen houden met deze reactie. En misschien betekent dat ook al iets.

Ik hoop hoe dan ook dat Claes nog vele jaren meer zal krijgen dan het statistisch gemiddelde, en dat hij ons in die jaren nog zal vergasten op vele boeiende gedichten, romans en essays. Want daarin ligt zijn sterkte.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


negentien − 5 =