29.11.14 – Vrijmetselarij en islam

| Geen reacties

islam-hasquinWat die twee met elkaar te maken hebben? Niets, zowel op het eerste als het tweede zicht.

Het boekje van Herve Hasquin (Les pays d’islam et la franc-maçonnerie, Académie Royale de Belgique, Bruxelles, 2013) gaat dan ook niet over de aanwezigheid van islamitische elementen in de vrijmetselarij, maar wel over de aanwezigheid van de vrijmetselarij in de moslimwereld – zoals de titel trouwens al zegt.

Hasquin is een historicus van de ULB, politicus en vrijmetselaar. Zijn boekje is zeer synthetisch en vat in amper vier hoofdstukken, een inleiding en een epiloog (in totaal iets meer dan honderd bladzijden) een problematiek samen, waar ik niets van wist; en hij doet dat ondanks de beknoptheid op een grondige wijze. En daarbij blijft hij – voor zover ik dat beoordelen kan tenminste – steeds zakelijk en objectief. Zoals het voor een wetenschapsman betaamt, wordt hij nooit polemisch. Dat alleen al is opmerkelijk als het – in welke verdere context dan ook – over de islam gaat.

In zijn inleiding plaatst hij vooreerst de islam in het kader van de andere monotheïstische godsdiensten, misschien iets te summier, want dit is tenslotte het uitgangspunt van de problematiek. Eén belangrijk onderscheid is wel het feit dat in de islam onmogelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen de godsdienst als zodanig, de politieke islam en de staatsmacht. Daarbij vraag ik me wel af of dit ook geldt voor het jodendom, sinds 1948 dan, toen de joden van slachtoffers ook daders geworden zijn? Deze inleiding sluit hij af met een vraag:

“et si après tout, la maçonnerie ne s’était révélée n’être qu’un produit d’exportation de l’Occident et de sa culture judéo-chrétienne?”

Een antwoord op die vraag geeft hij niet. Die zal de lezer zelf moeten formuleren.

In het eerste hoofdstuk geeft hij een overzicht van de aanwezigheid van de vrijmetselarij in de moslimlanden. Daaruit blijkt dat die laatste inderdaad naar daar geëxporteerd werd, in het directe zog van het kolonialisme. Het spreekt dan ook vanzelf dat de vrijmetselarij in de kolonies niet meer was dan een Europese aangelegenheid. Opvallend is wel dat de vrijmetselarij toen blijkbaar al misbruikt werd om aan politiek te doen – en dat zowel door het Grootoosten van Frankrijk, waarvan bekend is dat het rechtstreeks in de maatschappelijke gebeurtenissen wenste en wenst in te grijpen, als door de Grootloge van Engeland, die van zichzelf beweerde en beweert niet aan politiek te doen. Dat laatste is onzin natuurlijk.

(Alle reguliere en dus door de Engelsen erkende grootmachten moeten in hun statuten hebben staan dat er geen discussies plaats kunnen hebben over politiek of religie. maar wat betekent dat in de praktijk? Dat er binnen de tempel en tijdens de zittingen niet over deze zaken gediscussieerd mag worden. Niets belet de broeders om het nadien of vooraf of in andere omstandigheden als broeders over die zaken te hebben en er ook effectief aan te doen.)

Tussen die verschillende Europese grootmachten bestond er een duidelijke concurrentie in de veroverde landen zelf, een concurrentie die alles te maken had met (ook politieke) macht en het afbakenen van invloedssferen. Islamitische maçons waren een absoluut kleine minderheid, van enkele door het Westen beïnvloede individuen, die je met de vingers van één hand kon tellen. Over Indië bij voorbeeld, in de handen van de Britten:

“vers 1850, après 120 ans de présence maçonnique, seuls quatorze nationaux indiens avaient été initiés, dont dix musulmans et quatre parsis, mais aucun hindou ni sikh.”

Zelfs de zogenaamde nationale grootmachten in Egypte en Turkije werden volgens Hasquin vanuit de coulissen gedirigeerd door de Europese grootmachten, ook al stonden er dan officieel ‘évolués’ aan het hoofd ervan. Na drie belangrijke moslim-vrijmetselaars kort behandeld te hebben, liegt zijn conclusie er dan ook niet om:

“Au début du XXième siècle, l’Ordre, avec sa diversité des Obédiences et des rites, était présent dans l’ensemble du monde musulman. Mais la maçonnerie restait d’abord un produit d’exportation européenne, avec une fâcheuse connotation coloniale, même si l’Egypte et bien plus tard la Turquie, virent s’ériger des Obédiences nationales.”

Het tweede hoofdstukje is een crux, in die zin dat hét probleem van het Midden-Oosten (tot op de dag van vandaag) erin opgeroepen wordt, met alle nefaste gevolgen vandien, ook voor de vrijmetselarij aldaar (en voor een stuk ook hier). Dat hoofdstukje heet ‘Quand le sionisme est de la partie…’; waarbij het beletselteken het belangrijkste deel is van die titel.

De geschiedenis van het zionisme is voldoende gekend, ook Hasquin gaat er amper op in. Wel stelt hij de gevolgen ervan voor de vrijmetselarij in een scherp licht. Hadden de islamitische machthebbers vooreerst enkel een min of meer onverschillige minachting ervoor, dan werd na de kolonisatiepolitiek van het zionisme in Palestina de houding van de moslims ertegenover regelrecht vijandig. Hasquin ziet echt een causaal verband tussen de twee. En de eerste die van een joods-maçonniek complot sprak tegenover de wereld van de islam was een zekere Rahid Rida; opvallend én belangrijk lijkt mij dat deze man en zijn navolgers hele ‘argumentaties’ overnemen die tijdens de 19de en nog de 20ste eeuw door christelijke, vooral orthodoxe en katholieke scribenten tegen de vrijmetselarij en het jodendom in het geweer werden geroepen. “Le sionisme était devenu ‘le fourier de l’antisémitisme musulman'”, citeert hij, blijkbaar met instemming Philippe Simonnot. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat op dat toenemende antisemitisme een reactie volgde: in 1843 werd B’nai B’rith opgericht, een joodse lobbygroep die tot op de dag van vandaag bestaat. De verhouding van deze tot de vrijmetselarij wordt door Hasquin als volgt gekenschetst: “celle-ci se présenta comme une association de substitution tendant à combattre l’anti-sémitisme et à consolider les relations culturelles et éducatives entre jeunes juifs, sans jamais être une société maçonnique ou para-maçonnique, même si elle en a formellement empruntés certaines caractéristiques.” Ik heb de laatste zinsdelen zelf cursief gezet, omdat het mij wezenlijk lijkt: in maçonnieke kringen, zeker van reguliere aard, zijn er nog steeds mensen die van het tegendeel uitgaan, en die daar zelfs misbruik van maken om andere uitsluitingsmechanisme van bepaalde maçonnieke lichamen goed te praten.

De tegenstellingen gingen crescendo; vanaf ongeveer 1930 sloten in Palestina de joden en de moslims elkaar uit, in die zin dat ze enkel nog de eigen loges frequenteerden. De Grootloge van het huidige Israël draagt wel in haar logo de tekenen van de drie monotheïstische godsdiensten (de davidster, het kruis en de halve maan), maar meer dan een gotspe en dus een vorm van bedoelde of onbedoelde hypocrisie (zo het al geen cynisme is) moet men daar volgens mij (Hasquin zelf gaat er niet op in) niet in zoeken: ik kan me niet voorstellen dat ook maar één moslim daar lid van zou zijn.

Hasquin eindigt dit hoofdstukje met de vermelding van een wapenfeit van Kemal Atatürk. Men weet dat deze vrijmetselaar was, net zoals de meeste van zijn medestanders bij de staatsgreep van 1923. Welnu, hij verbood gewoonweg de vrijmetselarij in Turkije. Dat zegt meer over Atatürk dan over de vrijmetselarij natuurlijk; als gewiekste politieker misbruikte hij die gewoon (en hij was niet de laatste: P2 – een gewone reguliere loge van het reguliere Italiaanse Grootoosten – was totaal in de handen van geheime diensten, op de eerste plaats de Amerikaanse). En toen hij ze niet meer nodig had, gooide hij ze op de mesthoop. Wat mij betreft een praktisch pleidooi om politiekers zo veel als mogelijk gewoon te weren uit de loges.

Het derde hoofdstuk behandelt dan de verdere houding van de islam tegen de vrijmetselarij. Hasquin gaat uit van een fatwa uit 1978, uitgevaardigd door het College voor Islamitische Jurisprudentie in Mekka, en waarin de vrijmetselarij expliciet veroordeeld werd als een vereniging van samenzweerders tegen de islam en de islamitische staten onder leiding van de joden. Hasquin vat de inhoud ervan als volgt samen:

“Tantôt secrètement, tantôt de façon plus ouverte, la maçonnerie et ses acolytes se livraient à des entreprises de corruption des consciences, à la destruction des valeurs – ne cherchaient-ils pas par leur propagande à détourner la femme des chemins de l’islam -, à la propagation de la drogue et de l’alcool, à la colonisation des pays arabes et à l’exploitation de leurs ressources. Bref, le but ultime était l’éradication de l’islam.”

Een moeilijkheid in deze is dat er in de islam (zoals in het jodendom) geen centraal gezag bestaat zoals in de katholieke kerk, zodat iedereen in feite eender wat kan zeggen. Maar het college dat voor deze fatwa verantwoordelijk is, heeft in de islamitische wereld natuurlijk wel een groot gezag (net zoals de Al Azhar universiteit in Kaïro), en het ene andere vonnis dat van een mindere rechtbank in Marokko afkomstig is en de vrijmetselarij wel in overeenstemming met de principes van de islam verklaart, kan daar uiteraard niet tegen op.  In zulke zaken en bij gebrek aan een centrale autoriteit, geldt altijd de macht en nooit het recht. Wie de macht heeft, heeft het recht.

Dan bespreekt Hasquin drie boeken geschreven door moslims tegen de vrijmetselarij. Een daarvan, ook afkomstig uit Saoedi-Arabië, heb ik enkele jaren geleden al in een Duitse versie gelezen. Alle drie bevatten de gewone stupide onzin, tot zelfs de ‘protokollen van de wijzen van sion’ worden er bijgehaald. Eigenlijk een herhaling van de hele christelijke hetze tegen de vrijmetselarij, zoals die van pakweg 1850 tot 1950 in Europa gevoerd werd, met dezelfde ‘argumenten’, maar dan met een islamitisch in plaats van een christelijk sausje erover. “Les intégristes Chrétiens et les fondamentalistes musulmans profèrent les mêmes dénonciations à l’égard des maçons et des juifs.”, zo is Haquins besluit.

Maar ook de anderen wisten olie op het vuur te gooien en de vrijmetselarij weer te misbruiken voor hun politieke doeleinden: Hasquin noemt het geval van Elie Cohen, vrijmetselaar en Mossadspion in Syrie, die daar in 1965 werd opgehangen.

Het vierde en laatste hoofdstukje bevat grotendeels een opsomming van landen met een moslimmeerderheid en de toestand van de vrijmetselarij aldaar. Ze is quasi overal verboden. Enkel vier uitzonderingen: Turkije, Libanon, Jordanie en Marokko. Maar in de eerste drie is er natuurlijk een sterke westerse invloed, of zijn er sterke christelijke minderheden. Enkel Marokko lijkt me een uitzondering, maar als je door de regels heen leest, bestaat de vrijmetselarij daar uit de befaamde twee mannen, een vrouw en een paardekop, die dan nog meestal cultureel meer tot het westen behoren dan tot de islam. Ook Hasquin zelf is over de ontwikkeling van de vrijmetselarij in ‘les pays d’islam’ zeer pessimistisch in zijn besluit.

Daartoe maakt hij weer het verschil tussen de islam en wat hij de ‘politieke islam’ noemt. En deze laatste zou dan de schuld dragen. Maar in hoeverre kun je dat onderscheid maken? Hasquin spreekt zichzelf hier trouwens radicaal en voor honderd procent tegen, want in zijn inleiding had hij nog duidelijk en expliciet gesteld dat je dat onderscheid niet kunt maken. Deze laatste stelling lijkt me veel en veel juister. En ook het atheïsme van sommige obediënties (hij denkt aan het Grootoosten van Frankrijk) heeft er volgens mij niets mee te maken.

Het lijkt me eerder de aard zelf van de vrijmetselarij te zijn, zoals hijzelf in het laatste deel van zijn besluit ook suggereert. De maçonnieke ritualen zitten vol verwijzingen naar de bijbel, zowel het joodse OT als het christelijke NT, terwijl er echt geen enkele verwijzing is naar de koran of iets anders dat tot de islamitische leefwereld behoort. De vrijmetselarij is joods-christelijk, en dan vooral christelijk, hoe je daar verder ook tegenover mag staan.

Betekent dat dat de vrijmetselarij en de islam veroordeeld zijn om voor altijd vijanden, of toch minstens onbekenden te blijven? Hasquin verwijst naar een ‘Rite Oriental Ancien Rectifié’, die beoefend wordt in een Grand Oriënt Arabe. Ik ken die ritus niet, maar zelfs als daar elementen in verwerkt zijn van inderdaad de drie monotheïstische godsdiensten, dan nog zie ik niet in hoe dat tot een verzoening met de islam kan voeren. Het blijven totaal onbetekenende uitzonderingen. Wat je, hoe dan ook, eveneens kunt stellen van de andere vrijmetselarij – behalve de Amerikaanse misschien, maar dat zijn eerder liefdadigheidsverenigingen dan werkelijke maçonnieke loges.

Een kwarteeuw geleden schreven Diana en ik een artikel over The Satanic Verses. Omdat ik ook de andere partij wou horen kocht ik een door een Engelse moskee uitgegeven reader met de islamitische standpunten over die zaak. Ik herinner me nog heel goed wat mijn conclusie was: dit komt nooit meer goed, deze standpunten zijn totaal en absoluut onverzoenbaar met de uitgangspunten van een westerse gelaïciseerde ‘democratie’. Sindsdien is het enkel nog erger geworden, en het zal nog erger worden. Nee, ondanks goede bedoelingen bij hier een daar een groepje of een individu: dit komt nooit meer goed.

 

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − 14 =