09.11.14 – Kurt Tucholsky

| Geen reacties

Ik heb voor het eerst iets van Tucholsky gelezen toen ik nog op de middelbare school zat. Het was een bundel prozateksten, in Nederlandse vertaling verschenen als LRP van De Bezige Bij. Van die lectuur herinner ik me verder absoluut niets meer.

Vele jaren later heb ik wel zijn verzamelde gedichten gekocht, maar die heb ik nooit volledig uitgelezen, wel heb ik er op regelmatige tijdstippen in gelezen.

En toen ik de laatste keer in Duitsland was, heb ik in de boekhandel een biografie van hem gekocht: Rolf Hosfeld: Tucholsky, ein deutsches Leben (Siedler Verlag, München, 2012), die ik nu gelezen heb.

hosfeld-tucholskyHet is een korte, synthetische biografie, die de belangrijkste aspecten van Tucholskys leven behandelt, zowel als publieke als als private figuur, maar zonder echt gedetailleerd te worden. Echt nodig is dat natuurlijk ook niet.

Eigenlijk wist ik bitter weinig af van deze figuur, die in het Duitsland van de eerste helft van de vorige eeuw toch wel belangrijk was. Zo kwam hij uit een tamelijk welgesteld milieu, dat tot de hogere middenklasse behoorde. Dat liet hem toe universitaire studies te doen in de rechten, die hij met goed gevolg afsloot met de doctorshoed. Maar hij heeft zelden een vak uitgeoefend dat met deze studies te maken had, enkel wanneer de financiële nood door de economische omstandigheden van de jaren twintig te hoog werd.

Reeds zeer vroeg, op zeventienjarige leeftijd begon hij te publiceren, en dat zou dan ook, voor zover mogelijk, zijn hoofdbezigheid worden; niet zonder succes, inderdaad. In welke politieke richting hij gesitueerd moet worden, blijkt al uit de tijdschriften, waaraan hij medewerkte: vanaf het allereerste begin aan de ‘Schaubühne’, een blad dat enkele jaren later zou worden verder gezet onder de titel ‘Die Weltbühne’ en dat onder die titel ook beroemd zou worden, vooral onder de leiding van Carl von Ossietzky, samen met een andere medewerker, Erich Mühsam een van de eerste slachtoffers van de nazi’s. Beiden slaagden er niet in op tijd uit Duitsland weg te geraken. Tucholsky heeft zich mede sterk ingezet om von Ossietzky de Nobelprijs voor de vrede te bezorgen, toen die al een hele tijd in een concentratiekamp zat. Geholpen heeft het uiteraard niet. Daarnaast werkte hij ook mee aan dat andere beroemde linksliberale blad, ‘der Simplicissimus’.

Bij het begin van de oorlog werd hij opgeroepen, maar niet in een gevechtseenheid geplaatst. Het einde van de wereldoorlog maakte hij in Roemenië mee. Terug in Duitsland sloot hij zich aan bij de USPD, de linkse sociaal-democraten (nu een heel klein beetje te vergelijken met die Linke), maar lang heeft dat niet geduurd, want een politiek beest was Tucholsky misschien wel, maar zeer zeker geen partijman; daarvoor was hij veel te onafhankelijk. En wellicht niet socialistisch genoeg.

Het is na die oorlog dat Tucholsky langzaamaan bekend en beroemd begon te worden, vooral met gedichten die de satire als wapen hanteerden, satire tegen alle mogelijke mistoestanden in de Weimarrepubliek, misschien op de eerste plaats op het gebied van de rechtspraak. Tucholsky had tenslotte rechten gestudeerd en wist dus waar hij het over had.

Je kunt in zijn poëzie onderverdelingen maken. Er is vooreerst de persoonlijke lyriek; die is niet zeer omvangrijk, maar heeft natuurlijk het voordeel dat ze ook nu nog zonder moeite gelezen kan worden. Het overgrote deel echter bestaat uit tijdsgebonden lyriek, die een onmiddellijk antwoord wil zijn op actuele politieke gebeurtenissen, en die dan ook meestal snel moesten verschijnen, ofwel in dagbladen, ofwel in zijn weekblad ‘die Weltbühne’. Dat is een genre dat in Duitsland veel meer beoefend werd dan bij ons: Walter Mehring is een bekende naam, en van orthodox-communistische kant Erich Weinert. Ook Brecht heeft zulke teksten geschreven. Het nadeel daarvan nu is dat ze vaak voetnota’s vereisen, omdat de aanleiding ertoe uiteraard door niemand meer gekend is. Maar even vaak is dat niet nodig, omdat sommige gebeurtenissen nu eenmaal actueel blijven: tenslotte verschilt de BRD amper van de Weimarrepubliek (zelf zou ik nog verder gaan en stellen dat er één grote continuïteit is van het Wilhelminische tijdperk, over de Weimarrepubliek en het nationaal-socialisme tot de BRD; de verschillen zijn oppervlakkig, hebben met meer of minder of geen vernis te maken, maar in de diepte is er in heel die Duitse geschiedenis weinig veranderd: het zijn steeds dezelfde machten die het voor het zeggen hebben, en nu eens gebruiken die daarvoor de ‘democratie’ dan weer de dictatuur, naargelang het hen uitkomt). En de beste gedichten zijn natuurlijk universeel, en die behoeven uiteraard geen voetnoten. Dat zijn er toch niet weinig.

Net zoals de genoemde Mehring (én Brecht) schreef Tucholsky ook voor het cabaret; ik denk niet dat dit nu nog even veel gebeurt als toen. Een andere naam die me in dit verband te binnen schiet is bv. Kästner (die nota bene in Duitsland gebleven is ook al werden zijn boeken verbrand en verboden). Met andere woorden: de poëzie van Tucholsky moet het niet hebben van persoonlijke ontboezemingen, maar van maatschappijkritiek. Dat is een keuze die even legitiem is als een andere.

In de tweede helft van de jaren twintig verbleef Tucholsky lange tijd als correspondent in Frankrijk, meestal Parijs, waar hij ook lid werd van het Grand Oriënt de France. Ondertussen had hij een erg actief liefdesleven, met verschillende huwelijken en vrouwen. En vanaf 1928-29 worden zijn satires scherper: de toestand in Duitsland verscherpt zich, en wordt in 1930 zelfs catastrofaal met alle bekende gevolgen. Tucholsky schuift op naar links, en gaat ook meewerken aan de AIZ (de ‘Arbeiter Illustrierte Zeitung’) van de communistische mediamagnaat Willy Münzenberg. Opvallend: aan ‘die rote Fahne’, het dagblad van de KPD, heeft hij nooit meegewerkt.

Tucholsky was dus geen communist en zeker geen sociaal-democraat; als ik al een etiket op hem zou plakken, dan dat van linksliberaal, een categorie die we vandaag de dag niet meer kennen

(het liberalisme van vandaag is totaal verschrompeld tot één enkele dada: alle centen die naar een gehandicapte, een zieke, een werkloze…gaan, zijn centen die niet in de zakken van VOKA cum suis terechtkomen, en daar moet paal en perk aan worden gesteld: dat is het enige programmapunt dat de zgn. liberalen op heden nog kennen; je weet niet of je er medelijden mee moet hebben of dat je ze moet verachten)

en die in zijn geval vooral de nadruk legde op het begrip rechtsstaat en de burgerlijke vrijheden. Steeds op een literaire wijze uiteraard.

Tijdens de laatste jaren van zijn leven verbleef hij vaak in Zweden, ook na 1933 toen hij Duitsland niet meer binnen mocht (ofschoon hij zich al vroeg van het jodendom had losgemaakt en zich zelfs officieel had laten uitschrijven, werd hij door de nazi’s uiteraard opnieuw tot jood gemaakt) en hij zijn vermogen in Duitsland kwijt was, bleef hij daar. Hij had lang en vaak aan depressies geleden, van in zijn jeugd al, en met het aan de macht komen van de nazi’s werd dat er niet beter op uiteraard. Ik heb altijd gedacht dat hij zelfmoord had gepleegd, maar dat blijkt helemaal niet zeker te zijn: officieel is hij in 1935 gestorven aan een overdosis Veronal en alcohol (zaken die hij al lang tot zich nam), maar een afscheidsbrief of dergelijke is bv. nooit gevonden.

Een mooie, goed geschreven biografie over een mooi mens, die voor velen betekenisvol was, en wellicht nog steeds is.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


2 × 3 =