08.11.14 – Rhijnvis Feith

| Geen reacties

Rhijnvis Feith. Gravure door P. Velijn naar H.W. Caspari

Rhijnvis Feith. Gravure door P. Velijn naar H.W. Caspari

Wie leest die nog!?

Enkele specialisten in de 18de-eeuwse letteren en de spreekwoordelijke ondergetekende paardenkop.

Maar een tijdje geleden, naar aanleiding van een gesprek over hem, heb ik hem nog eens uit de rekken gehaald en er enkele uurtjes in gelezen.

Mijn eerste kennismaking met Feith vond plaats in de hogere klassen van het middelbaar, de poësis waarschijnlijk. Wat we lazen was een fragment uit zijn bekendste werk, Julia, een roman die tot het zgn. ‘sentimentalisme’ gerekend wordt, een stroming die bij het begin van de romantiek gesitueerd moet worden, en waartoe bv. ook Goethes Werther gerekend moet worden. Maar wat de leraar deed was de figuur en zijn geschrift totaal belachelijk maken. Waarschijnlijk is het dat wat me voor Feith ingenomen heeft.

Mijn exemplaar van Julia heb ik in 1969 gekocht en gelezen; het staat vol aantekeningen in potlood, en samenvattende nota’s aan het einde van elk hoofdstuk. Waarschijnlijk zal ik het op een leeslijstje geplaatst hebben in eerste of tweede kandidatuur.

Later ben ik ook zijn gedichten gaan lezen, drie dikke delen met de Oden en Gedichten, en daarnaast nog enkele andere, langere gedichten, zgn. leerdichten zoals Het Graf, in vier zangen (waar Buijnsters zijn degelijke doctoraat over schreef) of De Ouderdom, in zes zangen.

Uit die werken blijkt op de eerste plaats dat Feith veel meer was dan de schrijver van Julia en de inderdaad nu volkomen overtrokken voorkomende gevoelsuitbarstingen daarin. Hij is een man van twee werelden: enerzijds inderdaad de (pre)romantiek, maar anderzijds ook de verlichting, twee stromingen dus die op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw nogal door elkaar heenliepen, zeker bij hem. Aan de ene kant had je de volbloedromantici zoals Bilderdijk en da Costa, daarnaast even volbloed aanhangers van de verlichting zoals een Schouten of een Gerrit Paape (waar Peter Altena een schitterend doctoraat over schreef). Feith was trouwens een vrijmetselaar, zoals bijna de hele toenmalige Nederlandse Parnassus (het is gemakkelijker op te sommen wie daar niet dan wie daar wel bij was).

Het romantische aspect komt vooral tot uiting in de grote verering van de natuur: de auteur (in zijn lyrische poëzie) en zijn protagonisten (in zijn verhalend proza) kunnen volledig opgaan in de Natuur (mét hoofdletter), die dan meestal ook nog wordt vereenzelvigd met God. Misschien zonder het te willen of te weten (de naam van Spinoza valt voor zover ik me herinner niet) wordt hier een pantheïstische religie beleden: Deus sive Natura. Maar dat is toch eerder uitzonderlijk, zo dunkt me. God en godsdienst zijn wel alom tegenwoordig, zoals het bij romantici past, maar meestal is het toch het klassieke theïstische godsbeeld, dat we tegenkomen. Bij voorbeeld in het ‘dagboek’ dat hij schreef onder de nu een glimlach voortbrengende titel Dag-Boek mijner goede werken, in rekening gebragt bij God tegen den dag der algemeene vergelding. Schitterend eigenlijk, zo’n naïviteit. Zo kunnen wij waarschijnlijk niet meer geloven. En met ‘wij’ bedoel ik dan: mensen die een beetje gestudeerd hebben zoals Feith zelf, die een universitaire graad in de rechten had. De natuur is overigens ook in de korte, lyrische gedichten alom tegenwoordigheid, net als God: ‘Aan den Schepper’, ‘Aan God’ zijn slechts enkele titels tussen velen. Ook de voor de romantiek zo typische ruïnes zijn vaak aanwezig, alsmede uiteraard het kerkhof als plaats van bezinning.

Wat vooral bij die lyrische poëzie opvalt, is de kwaliteit. En dan spreek ik uiteraard vanuit de opvattingen en de criteria van die tijd, niet vanuit een hedendaags oogpunt. Je moet literaire (en andere) kunstwerken altijd in hun tijd plaatsen en vanuit hun tijd beoordelen.

In de lyrische poëzie zijn de verlichtingsaccenten duidelijk minder aanwezig. Maar ze zijn er wel. Bij voorbeeld ‘De Menschlievendheid’ (twee gedichten zelfs onder die titel), of ‘Onze Verbindtenis met Frankrijk’; Feith behoorde tot de partij van de zgn. ‘patriotten’ in zijn tijd (voorstanders van de republiek en de verlichtingsidealen van de Franse revolutie), maar ging daarin wel niet zo ver als anderen. Op het einde van zijn leven zou hij zo ook twee gedichten wijden aan Napoleon, die hij afschildert als een tiran; zijn verdwijnen van het Europese toneel is dan het zaligmakend werk van God uiteraard. Ook het woord ‘deugd’ komt vaak voor in deze gedichten; men moet weten dat dit woord (‘vertu’) éen van de meest gebruikte woorden was tijdens de Franse revolutie (zie de twee Pléiadedelen over Les Orateurs de la Révolution Française).

Maar dit verlichtingsaspect komt natuurlijk vooral tot uiting in de grote leerdichten die ik hierboven noemde. Het leerdicht is hét genre van de Verlichting. Daarin wordt éen enkel onderwerp onder al zijn aspecten filosofisch belicht, ook met praktische voorbeelden, anders zou het te saai worden natuurlijk. Bijna elke dichter uit die tijd heeft wel éen of enkele leerdichten geschreven. Het didactische aspect blijkt natuurlijk al uit de naam van het genre. Opvoeding, didactiek was éen van de grote dada’s van de Verlichting.

Maar toch moeten we dit verlichtingsaspect niet overdrijven; de andere, de romantische kant is veel sterker én komt het hele werk door voor, terwijl de verlichting enkel in zijn eerste gedichten duidelijk gedetecteerd kan worden. Het best komt dit tot uiting in zijn reeks briefgedichten Brieven aan Sophie, die gericht zijn tegen de filosofie van Kant, en waar éen van de échte vertegenwoordigers van de Verlichting in de Nederlanden, Johannes Kinker, met eveneens een reeks brieven, maar dan aan Feith gericht, op antwoordde.

Die ommekeer zal ook wel met de politieke gebeurtenissen te maken hebben. Was hij eerst patriots, later heeft hij zich rond Willem I geschaard en is tot het einde van zijn leven ambtenaar in diens dienst gebleven. Het laatste deel van zijn Oden en Gedichten was trouwens aan hem opgedragen.

Heb ik mijn tijd verloren door in Feith te zitten lezen? Geenszins. Hij is niet eens een vreemde voor mij, want sommige van zijn gedichten spreken mij inderdaad aan, bv. ‘Bespiegeling bij een knekelhuis’:

 

BESPIEGELING BIJ EEN KNEKELHUIS.

Verpletterend gezicht! — zie daar dan ’t eind’ der menschen!
De kroon, de bedelstaf, ’t was alles louter waan!
Na al het zwoegen, al het slaven, draven, wenschen,
Grijnst slechts een doodshoofd ons in ’t eind’ holoogig aan!

Was dit die onrust, dit dat angstig jagen, pogen,
Die nijd, die vijandschap, die haat, die wraakzucht waard?
Treed toe, ô Sterveling! en zie met mededogen
Op al de heerlijkheid, op al ’t genot der Aard’!

Gevoelloos, vreedzaam, door geen twist van één gereten,
Ligt vriend en vijand hier gemeenzaam onder een.
De Heer heeft zijnen trots, de Slaaf zijn smaad vergeten,
En alles is den Vorst en Onderdaan gemeen.

Geboorte, schoonheid, rang, blijft vrij op wierook beiden,
Uw glorie vliegt daarheen met ’s werelds woest gedruis.
Gelijkheid, die geen oog, geen menschlijk oog kan scheiden,
Is de eerst grondwet van het praalloos Knekelhuis.

Daar rust de Tijd , omringd van de ingeslapen Uren.
Niets stoort de stilte meer, wat storm op aarde woedt,
Dan als de herfstwind huilt door de afgescheurde muren,
En ’t hol, verkalkt, gebeente eentoonig ramlen doet.

Wat prijkt ge, ô Dwingland! op uwe ijsren magt vermeten,
Schoon menschen – goed en bloed uw wreede heerschzucht stijft?
Een handvol dor gebeente, en een verscheurd geweten,
Is alles, alles, wat in ’t einde u ovrig blijft!

En gij, Verovraar! die, gevoelloos voor ellende,
Gods Wereld hebt verwoest voor valschen glorieschijn;
Het vreeslijk wraakzwaard der vergelding hangt aan ’t ende,
Eens zal de vloek der aarde uw schorre doodzang zijn!

Geduchte Wijsheidsschool voor Levenden! — Voor Dooden
Geduchter nog; maar, ach! te laat, te laat bezocht!
Leer sterven, eer gij sterft, o Mensch! — Voor duizend nooden,
Wordt deze wijsheid niet te duur door u gekocht.

God! zal eens de Eeuwigheid van dezen akker maaijen,
Eens oogsten van een zaad, zoo lang als dood beweend?
Zal eens uw adem door de diepste graven waaijen,
En leven ruisen door dit lang vermolmd gebeent?

Ik zoek, ik smacht vergeefs tot zekerheid te raken;
Maar elke poging zwicht op ’t aanzien van den dood.
Hier knaagt vernietiging. Kan ik mijn zinnen wraken
Voor ’t schemerend bewijs, dat mij de Rede eens bood?

Onsterflijkheid! uw waan moog mij in voorspoed streelen,
Hier in dit beendrenhuis vervliegt gij als een rook.
Mijn hoogmoed droomde een heil, waarin geen menschen deelen,
En schiep een schoone Roos, die nooit voor mij ontlook.

Ô Wijsgeer! wordt uw trots, uw hart, hier niet gebroken?
Of houdt de grond nog stand , waarop uw hoop eens zonk?
Dan hebt ge uw donkre toorts aan ’t helder licht ontstoken,
Dat Jesus Hemelleer eens aan deze aarde schonk.

Ja, daar, daar is het dag! Met haar zie ik op graven,
Op stof, op doodshoofd en op beendren, rustig neêr.
God sprak. Zijne Almagt zal mijn hoop, mijn uitzicht, staven,
En met het woord mijns Gods heb ik geen twijfling meer!

In het grootste deel van dit gedicht kan ik mij zonder enig probleem nog inleven. Enkel in het einde niet natuurlijk. Maar dat is op zichzelf toch wel interessant, want het toont op die onovertroffen naïeve wijze, die zo kenmerkend is voor Feith en veel van de schrijvers uit zijn tijd waar de godsdienst vandaan komt en waar ze toe dient: om de doodsangst te bezweren.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zeventien + dertien =