13.10.14 – Commers en Koppen over vrijmetselarij

| 3 reacties

“De vrijmetselarij is een schone zaak,
en schenkt het mensdom veel vermaak.”

Zo zou Woutertje Pieterse dat zeggen. Hoogleraren en andere scribenten zeggen hetzelfde uiteraard ook, maar met andere, en vaak vooral met veel meer woorden.

commersBij het verschijnen ervan, kreeg ik de vraag een recensie te schrijven over Ronald Commers’ Overleeft de vrijmetselarij de 21ste eeuw? Een pleidooi voor een vernieuwde en vernieuwende maçonnieke zingeving. (ASP, Brussel, 2012 – vet van Commers). Brave jongen als ik ben schreef ik die recensie en stuurde ze al even braaf op. Uiteraard werd ze niet gepubliceerd, want ze was veel te negatief (en het tijdschrift waarin ze moest verschijnen was niet eens een maçonniek tijdschrift, maar een algemeen-cultureel tijdschrift op de eerste plaats bedoeld voor bibliotheken). Ziehier dan toch nog de tekst ervan:

“Het zoveelste boek over vrijmetselarij in een lange, lange rij.

Ronald Commers is o.a. afkomstig uit de school van de filosoof Leopold Flam, en dat heeft zo zijn gevolgen: een welhaast totaal gebrek aan synthese, weinig orde, opbouw en structuur, name- en titledropping dat het een lieve lust is, een vaak irritant eclecticisme en een algemene warhoofdigheid.

Dat begint al in de eerste hoofdstukken van het boek, waarin Commers het grotendeels over de oorsprong van de vrijmetselarij heeft. Daarbij verwerpt hij het door bijna iedereen aanvaarde standpunt dat de vrijmetselarij als organisatie geïnspireerd werd door de operatieve bouwhutten van de steenkappers. Waarom hij dat verwerpt legt hij niet uit. In de plaats daarvan stelt hij dat de vrijmetselarij continentaal van oorsprong zou zijn (hetgeen totaal onjuist is) en voort zou komen uit genootschappen en het ideeëngoed van de radicale verlichting.

Commers verwart hier al twee zaken: enerzijds de vrijmetselarij als organisatie en anderzijds het ideeëngoed dat in die organisatie werd binnengebracht. Het ene staat los van het andere, maar Commers slaagt erin er een kluwen van te maken. Van het ideeëngoed dat hij aanhaalt vind je inderdaad hier en daar wel wat terug in de vrijmetselarij, maar om van een direct verband te spreken is overdreven.

In volgende hoofdstukken gaat Commers dieper in op symbolen en ritualen van de vrijmetselarij Hij onderscheidt expliciet niet minder dan 16 zgn. ‘symbooltalen’ (p.101) en eigenlijk haalt hij er nog meer aan, zo bv. in een hoofdstuk over de ‘menigte van talen’, waarin zelfs Bucanus weer eens mag opdraven. Dat alles wijst erop dat in de vrijmetselarij op het oppervlakkigste en diepste niveau sprake is van wat in de theologie ‘syncretisme’ genoemd wordt: het bij elkaar brengen van de meest uiteenlopende zaken in één systeem.

Dan volgt een hoofdstuk over de zgn. ‘regulariteit’ waarin Commers zelfs aan regelrechte desinformatie doet, hetgeen zelf voor een emeritus hoogleraar moraalfilosofie onvergeeflijk is. Bij de reguliere Grootloge heeft men nooit moeten ondertekenen dat men in een persoonlijke God gelooft, en al zeker niet dat men gelooft in Diens geopenbaarde wil. Daarenboven haalt Commers een document uit 1929 aan, waarin de Engelse grootloge haar criteria voor erkenning opsomt. Commers doet alsof die tekst van 1929 nog steeds geldig is, terwijl die al enkele decennia vervangen werd.

Deze desinformatie komt voort uit het onderscheid dat Commers maakt tussen dogmatische en adogmatische vrijmetselarij. Maar geen enkele vrijmetselarij is in se dogmatisch. Wel kom je in alle vrijmetselarijen dogmatici tegen, maar dat is iets anders. Zelf ben ik overigens nooit in mijn leven zoveel gelovigen (in de slechte betekenis van dat woord), dogmatici en (vrijzinnige) fundamentalisten tegengekomen als tijdens de zes jaar dat ik lid was van een loge van Le Droit Humain, een zgn. ‘adogmatische’ obediëntie.

Dan volgen enkele hoofdstukken over de vrijmetselarij als ‘ethisch’ project. Met name het eerste munt uit door een concreetheid die zeldzaam is in dit boek. De auteur heeft het dan over de wijze waarop waarden worden doorgegeven aan kinderen, in het positieve en het negatieve. Waarschijnlijk zal dit wel te maken hebben met het feit dat Commers hier zijn eigen vakgebied raakt, terwijl hij in de geschiedenis, de sociologie e.a. duidelijk minder thuis is. Maar ook hier is het weer zeer storend dat er allerlei wordt bijgesleurd dat met vrijmetselarij niets te maken heeft. Enkele terloopse negatieve opmerkingen over moslims (pp.180-181) van het onschuldige soort dat decennia geleden over joden gemaakt werd, toen die nog de bêtes noires waren. Plus een aanval tegen de islamitische publicist Ramadan, die bij mijn weten nog nooit iets over de vrijmetselarij gepubliceerd heeft.

Daar staat dan tegenover dat Commers tot twee keer toe éne Josef Ratzinger op een positieve wijze aanhaalt. Deze Ratzinger was in een vorig leven hoogleraar dogmatiek en dogmageschiedenis.

Dit alles wordt dan ingesloten door een eerste en een laatste hoofdstuk, waarin de 21ste eeuw van de titel aan bod komt. Over de concrete (politieke, ecologische, sociale…) problemen waar de mensheid van deze eeuw tegen aan kijkt: niet één enkel woord. Eigenlijk kan dat ook niet anders, want enerzijds is de vrijmetselarij ook volgens mij niet geschikt om zich daarmee bezig te houden, anderzijds verwerpt Commers expliciet een gepolitiseerde, militante vrijmetselarij. Terecht.

Commers verwerpt overigens wel meer vrijmetselarijen: zo wordt zijn hele boek door denigrerend gesproken over de vrijmetselarij van prinsen, tempel- en andere ridders, de esoterische zowel als de ‘wetenschapsverheerlijkende’ (?) vrijmetselarij worden verworpen, de vrijmetselarij als ‘methode’ en als gezelligheidsvereniging eveneens. Op een onbewust niveau is het discours van Commers wel erg fundamenteel regressief: de enige vrijmetselarij die naam blijkbaar waardig is wat hij de ‘innerlijke weg’ noemt. Hoe vaag en onbetekenend ook, toch weet ik wel wat Commers bedoelt, en ik kan hem geruststellen: een loge als Acacia binnen het Grootoosten, de meeste loges van de Grootloge en de Vrouwenloge, quasi alle loges van de Reguliere Grootloge: zij alle volgen die ‘innerlijke weg’.

Maar waar Commers blijkbaar zonder het zelf goed te beseffen van af wil, is de veelheid van de vrijmetselarijen, de schakeringen vaak binnen één obediëntie; er is een vrijmetselarij voor mannen en voor vrouwen, en daarnaast een gemengde; er is een militante vrijmetselarij en een esoterische; er is een atheïstische en een religieuze, en nog veel meer. Voor elck wat wils. En dat maakt o.m. de charme uit van het Belgische maçonnieke landschap. En daar heeft Commers het moeilijk mee.

Dit boek is niet geschikt voor mensen die een eerste inleiding tot het onderwerp wensen: zij zullen worden afgeschrikt. Voor gewone lezers is het evenmin geschikt: er wordt te veel voorkennis geëist, en niet enkel over de vrijmetselarij. Ook de meeste vrijmetselaren zullen er niets aan hebben, daarvoor is het te hoog gegrepen. Misschien als er een loge zou bestaan van broeders die terzelfdertijd vrijmetselaar en hoogleraar in een wijsgerig vak zijn.

Verder spijt het me te moeten concluderen dat dit een overbodig boek is.”

°°°

Een dergelijke recensie zorgt er uiteraard voor dat men mij niet meer zal vragen om voor dat of eender welk tijdschrift nog dergelijke dingen te schrijven. Daar lig ik nou echt niet wakker van. Belangrijker lijkt me gewoon de vaststelling dat er eigenlijk weinig goede en informatieve boeken over de hedendaagse vrijmetselarij verschijnen, zeker als je rekening houdt met het feit dat de bibliografie over het onderwerp elk jaar uitgebreider wordt en niemand meer alles op dat gebied volgen kan. Over de geschiedenis van de vrijmetselarij daarentegen verschijnen wel degelijk degelijke studies. Het enige boek waarvan ik echt kan zeggen dat het én objectief én informatief is, is dat van Andries van den Abeele. Dat doet overigens niets af aan de waarde van de boeken van Trigonum Coronatum, en die van Piet van Brabant; maar vooral die laatste kun je onmogelijk objectief noemen. Van den Abeele is echter géén vrijmetselaar. Misschien moet je inderdaad buiten het genootschap staan om er objectief naar te kunnen kijken. Als je als binnenstaander gaat kijken, is je blik sowieso vertroebeld, en kun je eigenlijk vooral je eigen ervaringen neerschrijven. Als je een vlotte pen hebt, levert dat best een leesbaar boek op. Als buitenstaander daarentegen komt het erop aan materiaal te verzamelen, wat niet voor de hand ligt. Het zgn. ‘geheim’, weet je wel.

°°°

koppenMaar nu is dus een nieuw boek verschenen van een niet-vrijmetselaar, en die zich even goed geïnformeerd toont als Andries van den Abeele, of misschien beter: als Michel Huysseune, want beiden gebruiken grotendeels dezelfde methode: zij baseren zich grotendeels op gesprekken met vrijmetselaars van de verschillende obediënties om hun boeken te schrijven.

Koppen heeft daarbij wel een nieuwe en opvallende invalshoek gekozen om het fenomeen vrijmetselarij te benaderen: hij vertrekt nl. van een aantal belangrijke interne tegenstrijdigheden van de vrijmetselarij; vandaar ook de titel van zijn boek: De paradox van de vrijmetselarij, heden en toekomst van de loge in België (Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2014). Het woord ‘paradox’ in de titel is daarbij weloverwogen en zeer juist gekozen, want meestal gaat het inderdaad niet om werkelijke, maar om schijnbare contradicties. En die, zou ik eraan toevoegen, eigenlijk zeer gemakkelijk opgelost zouden kunnen worden, met wat goede wil.

De eerste tegenstelling die Koppen behandelt is die tussen de zgn. ‘regulariteit’ en de ‘irregulariteit’. Het verschil is eigenlijk veel eenvoudiger uit te leggen dan Koppen zelf doet. Regulier is iedereen die door de Engelse Grootloge (én de Schotse én de Amerikaanse loges – en dat zijn er veel) als zodanig erkend wordt. Punt, andere lijn. Die Angelsaksische loges, de Engelse voorop, stellen zich gewoon op als maçonniek Vaticaan, niet meer en niet minder. Koppen vermijdt dergelijke, misschien wel apodictische uitspraken; hij wil duidelijk de kool en de geit sparen. Maar dat belet niet dat het zo is. Koppen stelt daarbij het ‘atheïstische’ GOB tegenover de theïstische RGLB; dat klopt natuurlijk niet, want de RGLB is niet theïstisch. Het epitheton bij het GOB zal wel eerder kloppen, denk ik. Regulariteit heeft vooral te maken met de aanwezigheid van de bijbel (of een ander ‘heilig’ boek), de Opperbouwmeester des Heelals, de afwezigheid van discussies over politiek en godsdienst, en de afwezigheid van maçonnieke contacten met andere obediënties.

Wel vraag ik me af of Jimmy Koppen het eerste artikel van de grondwet van de RGLB wel gelezen heeft; dan zou hij weten dat de Opperbouwmeester expliciet wordt gedefinieerd als ‘God’. En het is die laatste die dan vrij geïnterpreteerd mag worden. Wat neerkomt op het verschuiven van het probleem.

Wanneer je weet dat bij de scheiding tussen Grootloge en Reguliere Grootloge in 1979 vanuit Angelsaksische hoek o.a. de vraag gesteld werd ‘Do you believe in a personal God?’ (ik onderstreep), dan kun je twee conclusies trekken: ten eerste dat het eerste artikel zo werd opgesteld om de Angelsaksische grootmachten stroop om de baard te smeren; en ten tweede dat de interpretatievrijheid van het woord ‘God’ er inderdaad toe had moeten leiden dat de RGLB evenmin erkend zou worden. Maar Angelsaksen kennen uiteraard geen Nederlands, maar zien wel het woord ‘God’ staan, dat niet verschilt van het Engelse woord. Want nu is er de facto amper verschil tussen de GLB en de RGLB: beide zijn quasi even regulier, alleen wordt de ene erkend, de andere niet. En de GLB is ongeveer twintig jaar lang erkend geweest. Dan werd haar erkenning ingetrokken, zonder dat er aan haar uitgangspunten of werkwijze ook maar iets veranderd werd. Begrijpe wie begrijpe kan.

Er is heel veel hypocrisie in de hogere regionen van de vrijmetselarij, zoveel is wel zeker, en welke krachten en belangen er werkelijk spelen, zal ook voor de meeste vrijmetselaren wel niet duidelijk zijn.

Een tweede mogelijke contradictie noemt Koppen ‘Old boys’ club of société de pensée?’ Een echte tegenstelling zie ik hier niet, zelfs geen paradox, gewoonweg omdat het zonder enig probleem beide kan zijn, en zelfs nog veel meer, afhankelijk van de individuele vrijmetselaars, van de obediëntie, van de werkplaats, van de tijd en de bedoeling van een bepaalde zitting. Bij de regulieren, maar ook bij sommige andere loges speelt vooral het esoterische een rol: dan hebben we werkelijk met inwijdingsgenootschappen te maken, waar de volledige nadruk komt te liggen op de ritualen en de symboliek. Dat is inderdaad de ene kant van de medaille. Daar staan dan werkplaatsen tegenover (met name in het Grootoosten) die zoveel mogelijk van het rituaal geschrapt hebben, en die de vrijmetselarij zien als een soort lobby of in elk geval als een verlengde van vakbonden, politieke partijen edm. Het zijn inderdaad twee visies die elkaar quasi uitsluiten. Het sluit overigens gezelligheid niet uit. En zo ver in haar politieke tussenkomsten als het Grootoosten van Frankrijk gaat dat van België overigens niet.

In dit hoofdstuk gaat Koppen ook even in op de zgn. ‘fraternelles’, samenkomsten van broeders die tot dezelfde beroepsgroep behoren, informele bijeenkomsten wel. Waar hij niet op ingaat in deze is wel de mogelijkheid dat bij dergelijke ‘fraternelles’ bv. rechters, procureurs en advocaten elkaar ontmoeten. Wat kan daar besproken worden? Het lijkt me een lacune daar niet op in te gaan. Wil Koppen zijn kansen om ingewijd te worden gaaf houden?

Een derde ‘contradictie ‘ is de zgn. ‘vrouwenkwestie’. Die speelt eigenlijk enkel in de zgn. ‘irreguliere’ loges, waar jarenlang gedebatteerd werd over het toelaten op de kolommen van zusters, en nu over het inwijden van zusters. Ik begrijp dat niet, en vind eigenlijk dat de RGLB en de Vrouwengrootloge daar het meest consequent zijn: de RGLB laat enkel vrouwen toe in blanke zittingen (en dat verschilt dan nog van werkplaats tot werkplaats), maar wijdt ze zeker niet in; de VGLB laat bij inwijdingen wel broeders toe, maar dan ook enkel daar. Ik begrijp het GOB en de GLB niet, als ze ook zelf vrouwen gaan inwijden, is er geen enkel verschil meer met de Droit Humain, en kunnen ze evengoed samensmelten om één obediëntie te vormen.

Een vierde contradictie gaat over geloof en vrijzinnigheid. Iedereen weet dat het Grootoosten en Le Droit Humain (in mindere mate de GLB) en het laatst bijgekomen Lithos CL, zeer sterk verweven zijn met de georganiseerde vrijzinnigheid en zelfs aan de wieg daarvan stonden. Geen enkel probleem overigens daarmee. Dat behoort tot de filosofie van die obediënties, die zich nu eenmaal maatschappelijk willen engageren. Ook hier weer is de RGLB de totale tegenpool. Daar wordt niet gevraagd naar politieke of religieuze opvattingen, ook katholieken zijn daar welkom, zelfs katholieke priesters stellen geen enkel probleem. De vrijzinnige obediënties zijn daar veel hypocrieter: ze stellen wel dat iedereen welkom is, maar in de praktijk komt daar geen enkele gelovige binnen, zelfs niet iemand die zijn kinderen bv. naar het katholiek onderwijs zou sturen zonder zelf gelovig te zijn. Van fanatisme gesproken. Koppen stelt in dit hoofdstuk met twee broeders uit de RGLB gesproken te hebben, die zichzelf expliciet ‘atheïst’ zouden noemen. Ik betwijfel dat. Koppen loopt hier in een semantische val. Als historicus zal hij Georges Minois en diens Histoire de l’athéisme wel kennen; dan zou hij ook moeten weten dat je ‘atheïsme’ letterlijk kunt nemen, zoals Minois: elke niet-theïst is een a-theïst. In die betekenis zijn er in de RGLB inderdaad vele a-theïsten aanwezig, de meerderheid wellicht. Maar zeker bij ons wordt het woord ook veel algemener gebruikt, in de zin van iedereen die elke vorm van ‘God’ verwerpt. Die atheïsten zul je mijns inziens grotendeels enkel in het Grootoosten den Le Droit Humain tegenkomen.

De vijfde contradictie heeft dan betrekking op het nationalisme in de vrijmetselarij – Siegfried Bracke indachtig. In wezen is de vrijmetselarij natuurlijk kosmopolitisch, maar dat belet inderdaad niet dat er ook nationalistische accenten kunnen zijn; die waren er ook in België: de vrijmetselarij heeft duidelijk mee aan de Vlaamse kar getrokken, zowel in Vlaanderen zelf, met name in Antwerpen, maar ook in Brussel. En vooraanstaande flaminganten waren lid. Extreem rechtse figuren zullen er wel niet geweest zijn, zelfs niet bij de regulieren (waar dus niet gevraagd wordt naar politieke opvattingen); ze voelen zich gewoonweg niet tot zo’n vereniging aangetrokken, zoals Koppen ook stelt. Wel moet ook hier weer op de hypocrisie van met name Le Droit Humain gewezen worden. Die hadden wel iemand in hun obediëntie die na zijn inwijding plaatselijk mandataris van het Vlaams blok geworden is, maar bij mijn weten hebben ze hem er nooit uitgegooid (wat voor mij overigens ook helemaal niet hoeft).

Het laatste hoofdstuk gaat niet meer zozeer over een paradox of een contradictie, maar wel over het zgn. ‘geheim’ dat er geen is. En de auteur besluit dan – als niet-vrijmetselaar! – met zes voorstellen om de werking van ‘de’ loge te verbeteren. Dat moet natuurlijk kunnen, maar Jimmy Koppen zou ook als niet-ingewijde ingewijde al lang moeten weten dat zoiets boter aan de galg is; de vrijmetselarij kabbelt rustig voort, van ruzie naar ruzie zou je kunnen zeggen, van splitsing naar splitsing, want ook die vereniging wordt uiteraard bevolkt door velen die het Grote Gelijk aan hun kant hebben, het Grote Maçonnieke Gelijk dan. Je zou ook kunnen zeggen dat daar veel te veel mensen rondlopen die Het Licht hebben gezien. Wanneer de volgende splitsing er komt, weet ik uiteraard niet, maar wel is het zo dat op het ogenblik binnen de RGLB spanningen aanwezig zijn, die sommigen doen stellen dat er “een stille staatsgreep van de rectifié” bezig zou zijn. Dat alles is gewoon des mensen – het dier dat nu eenmaal de Waarheid heeft uitgevonden.

In tegenstelling met bijna alle andere auteurs over het onderwerp bevat Koppens boek géén hoofdstuk over de geschiedenis van de vrijmetselarij. Vreemd wellicht voor een historicus, maar bij nader toezien toch niet. In elk hoofdstuk komt er wel een stuk maçonnieke geschiedenis kijken, maar het is steeds helemaal door de andere tekst heen geweven, waar hij trouwens steeds in direct verband mee staat. Zo bevat het hoofdstuk over de ‘gradaties van vrijzinnigheid’ ruime stukken over het ontstaan en de ontwikkeling van het Humanistisch verbond, en over de banden van de vrijmetselarij met ULB en VUB. En zo vind je in elk hoofdstuk wel zeer interessante historische uitweidingen. (Overigens: op pagina 124 stelt Koppen dat Leopold Flam filosofisch de ‘evenknie’ van Leo Apostel was. We mogen gelukkig nog lachen; Koppen heeft duidelijk noch de ene noch de andere ooit gekend, anders zou hij zo’n gotspe nooit schrijven.) En daarnaast weet Koppen op dezelfde manier ook bepaalde actuele zaken ivm de vrijmetselarij op een even organische manier in zijn tekst te verweven.

Door de originele thematische uitwerking, door de totale afwezigheid van niet terzake doende uitweidingen, door de vlotte manier van schrijven, en door het inzicht dat de auteur heeft in het onderwerp, een goed boek over de vrijmetselarij. Niet zo objectief als anderen, ook met feitelijke foutjes (bij de regulieren moet je bv. niet aan de onsterfelijkheid van de ziel geloven), misschien een beetje te voorzichtig, maar toch eerder wél een aanrader voor wie zich wat meer in het onderwerp wil verdiepen. Een lezer, ook iemand die de vrijmetselarij niet goed kent, heeft hier wel iets aan.

Delen:

3 reacties

  1. Pingback : het kippige | sfcdt

  2. Waarde,

    Een hoofdstuk in een boek dat ik ooit wel eens zal publiceren gaat over de filosofische
    Alternatieve Bewegingen waaronder de Vrijmetselarij.
    Zou u bereid zijn het confidentieel te lezen en het kritisch te bekijken?

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × vier =