02.10.14 – Geuzen

| Geen reacties

Wanneer je het over ‘geuzen’ hebt, dan zullen diegenen met een klein besef van geschiedenis onmiddellijk aan de 16de eeuw denken en aan de opstand van de Nederlanden tegen Spanje. Louis-Paul Boon heeft er zijn laatste grote werk aan gewijd, Het Geuzenboek.

(Sommigen zullen misschien ook denken aan de Antwerpse vrijmetselaarsloge, die zichzelf ‘de geuzen’ noemt en die onder het Grootoosten van België werkt. Maar die naam werd natuurlijk gegeven als herinnering aan en waardering voor die geuzen uit de 16de eeuw.)

Geuzen waren dus opstandelingen; de oorsprong van de naam is bekend: men wou Margaretha van Parma erop wijzen dat al die edelen die tegen Spanje in opstand kwamen, eigenlijk niets te betekenen hadden: ce ne sont que des geux, madame. Het zijn slechts schooiers, mevrouw. En die schooiers gingen die naam als een eretitel gebruiken, hetgeen sindsdien vaker gebeurde wanneer er van een opstand sprake was.

geuzen-0

Massamedia en andere media waren er in de 16de eeuw amper, vandaar dat de propaganda (want dat was het tenslotte) langs beide kanten, maar vooral door de geuzenkant, in grote mate gevoerd werd door middel van pamfletten, waarin veel liederen voorkwamen. Die werden dan gebundeld tot boeken of boekjes, en daarvan werden er zeer veel gemaakt; van sommige ervan zijn meerdere exemplaren bewaard gebleven, van andere slechts één enkel, en van nog andere (die wel uit andere bronnen bekend zijn) géén exemplaar. Ook het Wilhelmus kwam oorspronkelijk in een van die pamfletten en/of boekjes voor.

De laatste keer dat die liederen verzameld werden, was in 1924-1925: Dr. P. Leendertz Jr. (uitg.): Het Geuzenliedboek, naar de oude drukken, W.J.Thiem & Cie, Zutphen. Twee dikke delen, en zelfs als het niet allemaal dezelfde grote kwaliteit is, om een diepe indruk te krijgen van de geest van verontwaardiging die aan de opstand ten grondslag lag, bieden ze meer dan genoeg materiaal. De haat tegen de Spaanse bezetter, zijn moordende soldateska en hun plaatselijke collaborateurs vind je in elk lied, ja, bijna in elk vers terug.

geuzen-1

Het verwondert dan ook geenszins dat er op dit geuzenliedboek, of beter: op deze verzameling geuzenliedboeken, in de periode 1940-1945 (met name in 1943, 1944 en 1945) drie vervolgen verschenen. Misschien zullen sommigen zich toen al hebben afgevraagd: vervolg waarop? Nu zal bijna iedereen zich dat afvragen natuurlijk, omdat elke besef van geschiedenis uit de maatschappij verdwenen is. Maar misschien waren het er toen, tijdens de bezetting, toch wel minder dan ik aanneem, want toen was er wel degelijk nog een historisch besef in Nederland. Het woord ‘vervolg’ alleen al in de titel wijst daar eigenlijk op.

geuzen-2

Deze drie vervolgen verschillen wat de geest betreft amper van de oorspronkelijke geuzenliedboeken, alleen gaat het nu uiteraard over de geest van verzet tegen een andere bezetter, de Moffenbezetter, zoals het toen heette, en hun collaborateurs. De toon van de gedichten erin is vaak even grof, even scherp als in de oorspronkelijke liederen. De haat tegen de mof springt uit elk vers naar voren. En net zoals voorheen staat het geheel in het teken van de verbondenheid met Oranje: het eerste vervolg begint met een nieuwe, actuele versie van het Wilhelmus. Maar in datzelfde eerste vervolg (pp. 54-55) staat ook een lied ‘Zij zullen het niet hebben’, dat geheel volgens de melodie van de zgn. Vlaemsche Leeuw gedicht is, maar uiteraard eveneens met een aangepaste, antimofse tekst. Even de laatste strofe:

“Zij zullen ons niet hebben
zoo lang Oranje leeft,>
zoo lang aan Wilhelmina
een volk zijn liefde geeft,
zoo lang de jeugd blijft zingen
het oud Oranjelied,
zoo lang krijgt Adolf Hitler
ons oude Holland niet.”

Verbijsterend is het, wanneer je heel deze traditie kent en voor ogen houdt, te merken dat ook de tegenpartij zich op diezelfde traditie beroept. Een tijdje terug had ik het over de nazibloemlezing Gelaat der dichters, waaraan ook toen en later bekende Vlamingen meewerkten. In zijn inleiding verwees Henri Bruning expliciet naar de geuzen, mét hoofdletters, die, net zoals de nazi’s nu, bezield zouden zijn geweest van ‘den ontembaren wil het vaderland te redden’.  Ondertussen weet uiteraard iedereen wel beter: Bruning cum suis waren enkel de collaborateurs van de nieuwe bezetter en de nieuwe onderdrukker, en als het vaderland al gered moest worden, dan gebeurde dat door die andere geuzen, die van het verzet.

geuzen-4

Ook in Vlaanderen is tijdens de bezetting een dergelijke nazibloemlezing verschenen, en die zich tot in de titel toe op de geuzentraditie beriep: Het lied der geuzen, samengesteld door Antoon vander Plaetse, en uitgegeven door Lannoo in Tielt in 1942 (die enkele jaren eerder ook al een vertaling van de Protocollen van de wijzen van Sion had uitgegeven – kwestie van de geesten al een beetje rijp te maken, waarschijnlijk). Vander Plaetse is veel duidelijker dan Bruning in zijn verwijzing naar de geuzentraditie. Hij schrijft in zijn inleiding:

“Het schimpwoord Geus is een eerenaam: het staat met bloed en lijden in het blazoen gebrand van onze nationale helden; het is de adellijke onderscheiding van de volksridders uit de Nederlandsche geschiedenis, van de kampers om het hoogste bezit : de gaafheid van het volkswezen.

In deze gedichten weerklinkt de hartstochtelijke liefde voor het geestelijk erfdeel onzer Vaderen, de stem van opstand en verzet, van nationale trots. In de zuiverste verzen zindert het brandend heimwee naar levensgrootheid, naar een waarachtig Vaderland.

Deze bundel weerspiegelt den storm tegen onnatuur, leugen, onrecht, geweld, verdrukking, m.a.w. hier staan twee machten scherp en dreigend tegenover elkaar : bloedrecht tegenover machtswillekeur, natuur tegenover bastaardij, volksliefde tegenover zelfgenoegzaamheid en berekening, glanzende cultuur tegenover decadentie, de eeuwig-jonge dynamiek van het leven tegenover doode stelsels en formules.” (pp. 5-6)

Je houdt het gewoonweg niet voor mogelijk hoe hier gelogen en gerecupereerd wordt. Het waren uiteraard de bezetter en zijn collaborateurs die de ‘onnatuur, leugen, onrecht, geweld, verdrukking’ enz. incarneerden. Als er al een parallel te trekken viel tussen de 16de en de 20ste eeuw, dan wel die dat er in beide gevallen een bezettende macht van rovers, onderdrukkers, moordenaars etc. aanwezig was,  waarvan deze Vander Plaetse slechts éen miserabel specimen was, en daartegenover het verzet in al zijn aspecten, die de echte opvolgers en nazaten van de 16de-eeuwse geuzen waren.

En het zijn de nazaten van de Vander Plaetses et tutti quanti die vandaag de dag het stadhuis van Antwerpen bevolken, en de Vlaamse regering en straks ook de Belgische regering, om er hun zoveelste Kermesse Héroique op te voeren. Geuzen zijn er (voorlopig) niet meer. Om het met Boon te zeggen:

“En Vlaanderen was overwonnen en stierf, en alle Geuzen waren er uitgeroeid, amen en uit.”

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zestien − 3 =