21.09.14 – Hugo De Schampheleire

| Geen reacties

In 1967 beëindigde Hugo zijn studies in de geschiedenis. In datzelfde jaar, maar enkele maanden later, begon ik mijn studies in de germaanse filologie, aan dezelfde universiteit uiteraard, de ULB.

Wanneer wij elkaar voor het eerst ontmoet hebben of gesproken, zou ik niet meer weten. Het zou kunnen, en het is zelfs waarschijnlijk dat dat bij Margot gebeurde, het café gerund door een oude Luxemburgse dame met Parkinson, en het stamcafé van de Vlamingen aan de ULB. Die laatsten vormden een heel klein groepje, mét de nodige faciliteiten, waarbinnen quasi iedereen iedereen kende. Dat ik Hugo, die onmiddellijk na zijn studies al aan een doctoraat begon, zou ontmoeten, stond dus eigenlijk sowieso al vast.

Dat we echt goeie vrienden geworden zijn, kan ik niet zeggen. Waarschijnlijk verschilden we daarvoor te veel. Maar samengewerkt hebben we wel. Zo heeft Hugo mij – toen ik voorzitter van de Studiekring Vrij Onderzoek was – geholpen om enkele mensen bij elkaar te brengen voor een voordracht over vrijmetselarij. Later is daar -eveneens met zijn hulp – een door mij samengesteld boekje uit gegroeid, waarin voor het eerst de drie toen bestaande obediënties gezamenlijk aan het woord kwamen. Iets later zou Hugo ook mijn eerste peter worden, met name bij de Brusselse werkplaats Balder. Maar gelukkig is dat nooit doorgegaan. Gelukkig? Omdat ik nu zeer goed inzie dat ik daar op de leeftijd van 22 à 25 jaar totaal ongeschikt voor was. Toen zag ik dat uiteraard niet in.

Wel heb ik zijn publicaties min of meer gevolgd, zeker voor zover die buiten de echte vakbladen gepubliceerd werden. Te beginnen natuurlijk met zijn boekje over de Antwerpse loges in de 18de eeuw – een bewerking van zijn licentiaatsverhandeling in feite.

Het is die licentiaatsverhandeling die hij wou verbreden en verdiepen in zijn doctoraat, waarvan sinds enkele weken een exemplaar in mijn bezit is. Een kanjer van bijna 1000 bladzijden op A4-formaat – nooit afgemaakt, nooit verdedigd, nooit uitgegeven (op één stuk, dat door Jeffrey Tyssens bewerkt werd, na). Wanneer je daarin bladert en leest, vraag je je af: waarom? Dat Hugo ontgoocheld was, wist ik; af en toe hadden we nog contact, met name als ik weten moest waar een bepaald maçonniek geschrift aanwezig was, belde ik hem wel op, op de Auschwitz-stichting, waar hij de laatste jaren werkte. Ontgoocheld in de unief waarschijnlijk op de eerste plaats. Ikzelf heb rond de millenniumwissel ook mijn doctoraat gehaald, maar ik heb er niet aan gedacht prof te worden, ik wist al hoe het toegaat onder professoren. Plus daarbij staat de hele hedendaagse werking van het universitair onderwijs – met een ziekelijke publicatiedwang, peerreviews, evaluatie van proffen door studenten enz. enz. – me absoluut tegen. Maar ook in de vrijmetselarij zal hij wel ontgoocheld zijn geweest, zo kan ik me voorstellen. Eigenlijk kun je daar het best bij aansluiten wanneer je van de hele mensheid en haar gedoe niets meer verwacht, dat is wellicht het enige antidotum tegen ontgoocheling.

Hugo - Ondergetekende - Ghislaine. Colloquiem 25 jaar Studiekring Vrij Onderzoek, 6 maart 1974.

Hugo – ondergetekende – Ghislaine. Colloquium 25 jaar Studiekring Vrij Onderzoek, VUB, 6 maart 1974.

Maar Hugo’s doctoraat dus, over De vrijmetselarij in de Oostenrijkse Nederlanden, 1726 – 1786. Ofschoon ik vele boeken over geschiedenis gelezen heb, ben ik van opleiding geen historicus en kan ik dus moeilijk over een dergelijk werk oordelen. Tenzij je het kunt vergelijken met andere, wel uitgegeven werken natuurlijk, ik denk dan aan Hugo’s eigen boekje over de enkele Antwerpse loges uit de 18de eeuw, maar ook aan het uitputtende werk dat Guy Schrans op het einde van de jaren negentig wijdde aan de vrijmetselarij in Gent in de 18de eeuw. In beide gevallen werd exact dezelfde methode gebruikt als in het doctoraat van Hugo. Daaraan zal het dus zeker niet liggen, dat dit laatste nooit verdedigd werd. Wel is het zo dat Hugo soms zeer zelfzeker en zelfs een beetje apodictisch overkomt (maar zo was hij nu eenmaal, ook in de dagelijkse omgang) wanneer hij vastgeroeste meningen van maçonnieke historici onderuit haalt, maar hij staaft dat wel telkens, waardoor hij inderdaad enkele erg gangbare mythes doorprikt: het hoofdstuk 3 heet bv. “Een prealabele noodwendigheid: de ‘sanering’ van de bestaande historiografie”; daarmee maak je, zeker in academische kringen, uiteraard geen vrienden. Maar voor wat de 18de-eeuwse vrijmetselarij in Vlaanderen (ruim genomen) betreft, heeft Hugo in elk geval naar volledigheid gestreefd, en die ook wel grotendeels bereikt, denk ik. Guy Schrans behandelt in zijn voormeld boek bv. dezelfde Gentse loges die we ook in dit werk tegenkomen.

Maar zoals het voorligt kan en kon het niet worden uitgegeven. Er ontbreekt een ruim synthetisch hoofdstuk, alsmede een concluderend hoofdstuk, maar ook een bibliografie. Daarenboven zijn sommige verwijzingen in de voetnoten niet ingevuld, omdat de pagina’s nog niet zeker waren. Het geheel had ook nog een laatste keer moeten worden doorgelezen voor wat de taal betreft: ‘prealabele noodwendigheid’ bv. dat is de combinatie van een gallicisme en een germanisme, en moet ‘voorafgaande noodzaak’ zijn. Zo zijn er wel meer. Samengevat: één tot maximum twee grondige revisies, en dan had dit werk mijns inziens zonder problemen kunnen worden voorgelegd aan een jury en verdedigd. Om dan wellicht, in aangepaste uitgegeven vorm, een eerste basiswerk voor de geschiedenis van de vrijmetselarij ten onzent te worden. Jammer.

Het boek (de boeken eigenlijk: het zijn twee ingebonden delen) is niet in de handel en is dat ook nooit geweest. Wel kan het geraadpleegd worden in de belangrijkste wetenschappelijke en universiteitsbibliotheken. En ik denk dat eenieder die zich met de geschiedenis van de vrijmetselarij in deze periode bezig houdt, niet om dit werk heen kan. Want het minste dat je kan zeggen is dat Hugo enorm veel materiaal erin verzameld heeft; hij moet daar ook heel veel tijd in gestoken hebben, zeker als je bedenkt dat dit dateert van voor internet en email en wat daar allemaal mee samen hangt. Het was nog echt opzoekingswerk in alle mogelijke bibliotheken hier en in andere landen, zonder dat ook maar iets elektronisch ontsloten was. Toen ikzelf aan mijn doctoraat werkte, bestond dat wel al. Ik weet dus hoe zeer dat het werk vergemakkelijkte.

Je kijkt dus inderdaad met een beetje verbazing en bewondering naar wat in wezen jammer genoeg een mislukt meesterwerk gebleven is.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


8 + dertien =