20.09.14 – De Verwondering

| Geen reacties

deverwonderingIk heb hier vroeger twee readers besproken, die uitgegeven werden door de Gentse Academia Pers, en die minstens de indruk wekten dat ze niet gecoördineerd waren, maar eerder bestonden uit een reeks toevallig samengeraapte opstellen van academici die zo nodig moesten publiceren.

Hoe een dergelijke reader er dan wel uit moet zien, blijkt uit: Mathijs Sanders en Tom Sintobin (eds.): Lezen in verwondering. Veertien leeswijzers bij een roman van Hugo Claus (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2014).

Uit het geheel blijkt overduidelijk dat de samenstellers en inleiders hun werk uitstekend hebben gedaan: alle veertien opstellen zijn immers volgens hetzelfde stramien geschreven, en af en toe verwijzen de auteurs ook naar elkaar, waaruit kan worden afgeleid dat de opzet en de uitwerking vooraf duidelijk werden doorgesproken, én dat de verschillende auteurs zich ook aan de afspraken gehouden hebben. Sanders en Sintobin hebben zich dus duidelijk opgesteld als de redacteuren die ze ook moesten zijn.

Wat is dat stramien? Heel eenvoudig: elke auteur begint met een theoretische inleiding betreffende de invalshoek die hij of zij gekozen heeft. Dat kan gaan van een literatuursociologische invalshoek (over de rol van de uitgeverij) over de vertalingen van de roman tot meer werkimmanente invalshoeken zoals de psychoanalyse, de narratologie of genderstudies. Soms is er wel een beetje van overlapping sprake (zo is mij het verschil tussen ‘vertellen’ en ‘verhalen’ niet erg duidelijk, ook al doen de betrokken auteurs hun best om het verschil wel duidelijk te maken). Die theoretische inleiding kan soms lang zijn, soms veel korter, maar het geheel zorgt er hoedanook voor dat je een bijna volledig overzicht krijgt van de verschillende invalshoeken van waaruit vandaag een roman bestudeerd kan worden. En dat zijn er heel wat meer dan in mijn tijd.

Eigenlijk vormen deze theoretische gedeeltes op zich al een inleidende cursus in de literatuurwetenschap. Mede daardoor is het boek een aanrader voor studenten – maar evenzeer voor ‘gewone’ lezers – lezers van Claus op de eerste plaats natuurlijk.

In het tweede deel van hun bijdragen passen de verschillende auteurs de theorie dan toe op de roman De Verwondering van Hugo Claus. Degenen die Claus kenden – en deze roman in het bijzonder – zullen door sommige bijdragen niet verrast worden: ik denk bv. aan de invloed van mythologie en anthropologie (Frazer!), of aan de intertekstualiteit (Weisgerber heeft vroeger niet zonder reden over ‘citatenkunst’ gesproken ivm Claus). Maar daarnaast zijn er uiteraard ook invalshoeken die wél verrassend overkomen, gewoon omdat ze nieuw zijn, omdat nog amper iemand voordien de roman van daaruit belicht had: dan denk ik bv. aan de auteursintentie, aan het ideologiekritische aspect, of aan de rol van mannen en vrouwen in het boek (en bij Claus in ’t algemeen).

Ik zou dit boek zonder meer voorbeeldig willen noemen.

°°°

de-verwonderingVooraleer deze reader te gaan lezen, heb ik eerst De Verwondering zelf nog eens gelezen, hetgeen ik totnogtoe slechts één enkele keer gedaan had…in 1968.

Een tamelijk verbijsterende ervaring was dat – en niet eens omwille van het boek zelf.

Maar op de eerste plaats omdat ik met mijn neus op dit feit gedrukt werd: het is onmogelijk, het kàn gewoonweg niet dat ik in 1968 ook maar iets van dat boek begrepen heb.

Neem de politieke achtergrond (het Verdinaso, de figuur van Joris van Severen en diens hedendaagse vereerders): ik wist toen dat er tijdens de oorlog zwarten en witten geweest waren, en dat de zwarten de slechten waren. Later slechts heb ik mij intensief bezig gehouden met fascismen, ook het Vlaamse.

En ofschoon ik toen zelf aan de rand van een zware psychose zweefde (en soms over de rand ging) had ik van wat psychose was totaal geen benul, en kon ik dus ook niet begrijpen welke de mentale toestand van de hoofdfiguur was.

Hetzelfde geldt voor de mythologische achtergrond: nu viel het me onmiddellijk op dat de Rijckel slecht zag en last had van een voet, toen helemaal niet. Ook al had ik Sophocles toen al gelezen. Dante had ik toen overigens ook al gelezen, maar ook die heb ik toen niet teruggevonden in Claus’ boek.

En zo zijn er nog wel enkele zaken. Het enige dat ik wel gezien zal hebben, is de structuur van de roman, de drie schriften die de Rijckel volpent, niet in totaal andere stijlen, maar toch met redelijk wat afwisseling. Overigens vind ik, in tegenstelling met het overgrote deel van de bijdragers aan de reader van Sanders en Sintobin, helemaal niet dat het zo’n moeilijk boek is, zeker niet als je de structuur doorhebt. De dubbele lagen had ik toen dus zeker niet door, maar waarschijnlijk spraken het oppervlakteverhaal en de manier van vertellen me op zich reeds sterk genoeg aan.

Wat me bij deze tweede lectuur ook opvalt: dergelijke door en door gelaagde boeken worden nu niet meer geschreven. Omzeggens alles wat nu verschijnt als roman bestaat enkel nog uit oppervlakte. Dat heeft uiteraard met het maniërisme (nog zoiets dat ik in 1968 amper kende; ofschoon ik rond die tijd wel de eerste teksten van Jespers over Conrad gelezen moet hebben, en niet veel later dan de twee boeken van Hocke over het maniërisme) van Claus te maken, en ofschoon er bij zijn medevijftigers wel een verwant rondliep wat dat betreft (Lucebert met name), is dat toch typisch Claus. Het zorgt ervoor dat de inleving in de hoofdfiguur amper tot stand kan komen – waar enkele recensenten indertijd (Fens oa) nogal over teleurgesteld waren. Onterecht, vind ik, want afstand doet de lezer hier veel meer nadenken dan bij een ‘gewone’ roman.

De lectuur van het boek zelf was dus niet verbijsterend, maar gewoon een hernieuwd genot. De Verwondering is inderdaad een van de weinige echt grote en echt belangrijke romans uit de tweede helft van de 20ste eeuw in Vlaanderen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twintig − tien =