15.09.14 – Paul Nizan – Pour une nouvelle culture

| Geen reacties

nizan-2Tijdens mijn afgelopen vakantie las ik o.a. dit boek met verspreide teksten van Paul Nizan, dat overigens al in 1971 gepubliceerd werd en verzameld en ingeleid door Susan Suleiman (die een dik decennium later zou promoveren op een schitterend werk over Authoritarian Fictions , waarin meer dan eens naar Nizan verwezen zou worden). Deze verzameling teksten – die quasi uitsluitend over literatuur gaan – had ik nog niet gelezen, in tegenstelling tot een andere, bredere bloemlezing uit de verspreide teksten van Nizan, die enkele jaren eerder in de Cahiers Libres van Maspéro verschenen was.

Toen dat boek verscheen (dat van Nizan, bedoel ik) was het alleszins actueel, want het paste volledig in een tijd waarin links – in al zijn vormen en hoedanigheden – overal (behalve aan de macht natuurlijk) overheersend aanwezig was.

Nu is dat wel anders. Waarom dan nog een dergelijk boek lezen?

Ten eerste natuurlijk omdat Nizan mij nu eenmaal interesseert, ten tweede omdat hij in de romanistiek een van de belangrijkste onderwerpen van studie geworden is (er is zelfs een dikke, becommentarieerde bibliografie van zijn geschriften verschenen: Les écrits de Paul Nizan (1905 – 1940), portrait d’une époque (Honoré Champion, Paris, 2001) van de hand van Robert S. Thornberry – hij zet in zijn inleiding veel beter dan ik het kan uiteen waarom hij Nizan en zijn werk belangrijk acht), ten derde omdat Nizan inderdaad goed schrijft, en ten vierde omdat ook deze verspreide geschriften hun belang hebben; ze vertellen immers iets over de evolutie van Nizan, over de manier waarop hij in zijn tijd stond en over die tijd zelf, en de teksten zijn voor mij althans op zichzelf belangrijk omdat ze vaak over schrijvers handelen die tot mijn lievelingsschrijvers behoren of behoord hebben.

Pour une nouvelle culture is uiteraard een bloemlezing (aan de uitgave van het volledige verspreide werk wordt gewerkt, totnogtoe is één deel ervan verschenen), maar dat heeft grote voordelen: je krijgt de interessantste en de beste teksten voorgeschoteld; dat is het principe natuurlijk, maar ik heb de indruk dat Suleiman wat dat betreft inderdaad haar best heeft gedaan. De teksten zijn chronologisch geordend, van 1930 tot 1939. Dat laat toe de evolutie van een schrijver daadwerkelijk te zien plaatsvinden – als er evolutie is uiteraard.

De eerste teksten maakten mij wat dat betreft een beetje bang, want zij staan bijna volledig in het teken van de manicheïstische tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat, tussen revolutionair en reactionair. Tertium non datur, zo is de eerste indruk die je krijgt. En dat nog voor in 1934 het eerste schrijverscongres in de USSR plaatsvond, waarna het zgn. ‘socialistisch realisme’ werd voorgeschreven als alleenzaligmakende stijl om literatuur te schrijven.

Maar niet alleen verdwijnt die absolute tegenstelling al heel gauw om plaats te maken voor veel meer genuanceerde standpunten, daarenboven is een tekst als ‘Littérature révolutionnaire en France’ desondanks toch vernieuwend op een ander vlak. Nizan maakt nl. binnen de zgn. ‘proletarische’ literatuur een duidelijk onderscheid tussen literatuur voor het proletariaat, door proletariërs geschreven en met het proletariaat als thema. Hij stelt dat er geen enkele reden is om een van die drie noodzakelijkerwijze als revolutionaire literatuur te beschouwen. Hetgeen uiteraard klopt.

Enkele paragrafen lang gaat hij met name in op literatuur voor het proletariaat, en daarmee doelt hij duidelijk op pulpliteratuur, kitsch of ‘Trivialliteratur’ zoals het in het Duits heet. Dat soort literatuur is slechts in de jaren zestig en zeventig tot onderwerp van min of meer grondige studie geworden, en in deze toont Nizan zich dus echt een baanbreker. Wel werkt hij dit thema – of enig ander thema – nooit grondig uit, maar dat heeft uiteraard meer te maken met plaatsgebrek in de kranten en tijdschriften waarin deze teksten verschenen dan met oppervlakkigheid.

Want oppervlakkig is hij zelden, en dan enkel wanneer je voelt dat hij een schrijver niet moet (Maurois bv.). Maar een zeer korte recensie van het debuut van Céline daarentegen (anderhalve bladzijde druks) is in zijn synthetische beknoptheid zo juist, dat hij als voorbeeld kan dienen voor hoe je een roman, ook een kanjer van een roman, ondanks plaatsgebrek toch adequaat kunt situeren:

“Une révolte haineuse, une colère, une dénonciation qui abattent les fantômes les plus illustres: les officiers, les savants, les Blancs des colonies, les petits-bourgeois, les caricatures de L’Amour. Il n’y a rien au monde que la bassesse, la pourriture, la marche vers la mort, avec quelques pauvres divertissements; les fêtes populaires, les bordels, l’onanisme. (…) Mais nous reconnaissons son tableau sinistre du monde: il arrache tous les masques, tous les camouflages, il abat les decors des illusions. Nous verrons bien où ira cet homme qui n’est dupe de rien.” (pp. 44-45, ik cursiveer)

Je voelt bijna de bewondering, die hij als communist niet mag uiten. En uit de drie woorden die ik gecursiveerd heb, zou je kunnen afleiden dat hij het ook nog eens eens is met het wereldbeeld van Céline. Je krijgt overigens wel vaker de indruk dat de socialistisch-realistische uitgangspunten erbij worden gesleurd, dat dat een jasje is dat hem niet echt past. Daarin zal ook wel een van de oorzaken liggen van het feit dat hij al heel snel de besproken boeken op hun eigen merites tracht te beoordelen en het partijoordeel tot een minimum minimorum beperkt of zelfs geheel weglaat.

Mijns inziens blijkt dat ook wanneer hij het over het roemruchte Retour de l’URSS van André Gide heeft. Men weet dat Gide zeer ontgoocheld was over de Sovjet-Unie, en dat hij die ontgoocheling in dat boek heeft neergeschreven. Bakken stront heeft hij over zich heen gekregen, van de zijde van de PCF en aanverwanten. Niet zo bij Nizan, vreemd genoeg, die toch een vrijgestelde van diezelfde PCF was. Vanzelfsprekend is hij het niet eens met Gide, maar inplaats van scheldwoorden te gebruiken, poogt hij te verklaren hoe Gide ertoe kwam bepaalde zaken verkeerd (volgens Nizan dan) in te schatten. Eigenlijk toont hij daarbij een mate van begrip die bij andere communisten alleszins totaal afwezig was.

Als je verder nog teksten leest over Breton, Alain, Drieu, Mauriac, Giono, Malraux, Martin du Gard, Sartre en Valéry (om enkel Fransen te noemen) valt op hoe breed zijn spectrum is, en hoe weinig ingegeven eigenlijk door politieke voorkeuren. Behalve Aragon (één keer) en Elsa Triolet (één keer) zijn er eigenlijk geen uitgesproken communistische schrijvers die hij bespreekt. En die trekt hij op geen enkele manier voor. Misschien zegt ook dat al iets over zijn evolutie.

En zoals gezegd: Nizan schrijft goed; je kunt een dergelijk boek dus ook enkel voor je plezier lezen. Het is wel enkel nog antiquarisch te krijgen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


negentien + een =