08.09.14 – Baas Gansendonck

| 1 reactie

Baas Gansendonck

Kom, hef de glas voor deze dronk
ter ere van Baas Gansendonck.
De lege glas staat hier symbool
voor larie met wat apekool,
zeg maar,  de waren van zijn winkel,
het lege, loze belgerinkel,
de dozen met gebakken lucht,
de hele opgeklopte klucht,
al het gekonkel om de macht,
het lobbywerk, de heksenjacht,
De Vetten Os, de vreetfestijnen,
de vele paarlen voor de zwijnen,
de galabals met rimpelbloot,
het varen met een lekke boot.
Kom, hef de glas voor deze dronk
ter ere van Baas Gansendonck.
Kom, hef de glas voor deze dronk
ter ere van Baas Gansendonck.
Hij klom tot bovenaan de ladder,
snel als een paling, maar dan gladder.
Hij glipte door de smalste spleten
en had nooit last van zijn geweten.
Hij kronkelde zonder fatsoen,
dat had hij trouwens niet vandoen.
Zij noemen hem Sjakie of Sjaak,
maar meer nog, naar zijn aard: De Draak
of simpel Blaaskaak, naar zijn kop,
daarmee zijn alle namen op,
maar niet zijn titels,’t zijn er vele,
daarmee ga ik u niet vervelen,
dus hef de glas voor deze dronk
ter ere van Baas Gansendonck.

 
Van wie bovenstaand gedicht is, weet ik niet. Maar ik vermoed dat Modest Goetelen de auteur ervan is – van wie mij overigens verder geen gedichten bekend zijn.

Maar belangrijker lijkt me dat het een goed gedicht is; daarom neem ik ook de vrijheid het hier te publiceren zonder de toestemming van de auteur.

Ik heb de roman van Conscience (of was het eerder een lange novelle?) inderdaad nog gelezen, maar dat is inmiddels vijftig jaar geleden, en behalve de lachwekkende protserigheid van het hoofdpersonage herinner ik me niets meer ervan, zeker geen details. Nochtans zouden de enkele zaken die ik in het gedicht niet begrijp rechtstreeks terug kunnen verwijzen naar het boek zelf. Daar is natuurlijk vooreerst het lidwoord ‘de’ bij glas, maar ook de enkele namen in de tweede strofe. Eerst heb ik gedacht dat de auteur wellicht verwees naar enkele of een hedendaags politicus, maar bij nader inzien lijkt me dat hoogst onwaarschijnlijk. Het gedicht is daarvoor te universeel, te zeer geënt op het type dat de politicus (elke politicus, van toen én van nu) is.

Mede misschien door de klassieke, negentiende-eeuwse vormgeving (die uiteraard zeer goed past bij het onderwerp), maar die toch ook modern aandoet (‘lobbywerk’, ‘galabals’ enz. zijn eerder hedendaagsere termen) is het gedicht zeer leesbaar en tezelfdertijd zeer scherp in zijn satire (scherper dan het boek zelf?).

Ik heb bij het lezen ervan onmiddellijk moeten denken aan een Latijns epigram van Lucilius, uit de tweede eeuw voor Christus. De vertaling van Paul Claes daarvan gaat zo:

Politici
Van ’s ochtends tot ’s avonds, op zon- en werkdagen,
verdringen volksvertegenwoordigers en senatoren
zich nu op de markt: ze zijn er niet weg te slaan.
Allemaal hebben ze maar één doel en één talent:
je bedriegen waar je bijstaat, met de ellebogen werken,
naar de gunst van het publiek dingen, doen of ze ’t menen
en intussen intrigeren in een strijd op leven en dood…”

Formeel is dit laatste natuurlijk heel anders, koud en direct van zegging, bitter-sarcastisch zou je kunnen zeggen, terwijl dat van Goetelen satirisch-ironisch is. Maar inhoudelijk stemmen ze uiteraard volkomen overeen.

Poëzie bewijst natuurlijk niets, maar het is toch opvallend dat dat er in 2200 jaar wat politiek en politici betreft, omzeggens niets veranderd is. Moeten we daar misschien een verschijningsvorm van het zgn. eeuwig-menselijke zoeken?

Delen:
Share

Eén reactie

  1. Dag Peter (Bormans?),
    Dat lidwoord “de” is afkomstig van de (nu grote Opperbaas Gansendonck, die er in geslaagd is om, bij een door mij geschreven artikel een inleiding te plegen waarin driemaal achter mekaar “het symbool, hij…” stond geschreven.
    De namen in de tweede strofe zullen je inmiddels wel duidelijk zijn.

    Als je mij je adres laat geworden, dan stuur ik je over de post mijn dichtbundel “Terug uit het Kolenwoud.
    Bedankt overigens voor de positieve kritiek.

    Modest

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


12 + elf =