Anton van Wilderode in wel zeer onfris gezelschap

| 2 reacties

wilderode

Anton van Wilderode (pseudoniem van Cyriel Paul Coupé)

Dat de dichter Anton van Wilderode een uitgesproken Vlaams-nationalist was, is geen geheim; hij heeft dat nooit onder stoelen of banken gestoken. En zijn onvolledige Volledig dichtwerk bevat trouwens een ganse afdeling, die de gelegenheidsgedichten omvat die hij schreef voor verschillende afleveringen van het jaarlijkse feest, dat in Diksmuide plaatsheeft onder de naam ‘IJzerbedevaart’. In een interview dat Carlos Alleene met hem afnam, zegt hij daar zelf o.m. het volgende over:

“Dat ik Vlaamsgezind ben, is zo elementair als het feit dat ik mens ben. Het is geen combatieve houding, maar een zijn waarvan je je bewust bent dat je het moet zijn.” (Gesprek met Carlos Alleene, in: De Spectator, 28 mei 1983).

Deze korte uitspraak zegt al genoeg over de aard van deze Vlaamsgezindheid. Het nationalisme van Van Wilderode is de volkse variant van het nationalisme, d.i. de meest gevaarlijke en verregaande van alle nationalismen, omdat hij gebaseerd is op een vermeende essentie, die de ware aard van een volk zou uitmaken. Vlaming (jood, Duitser, Fransman…) zijn zit in het bloed, je krijgt het mee van bij de geboorte en zult er nooit meer los van kunnen komen.

Heeft een dergelijke ideologische houding ook repercussies op de aard van de poëzie die je schrijft? Ja en nee. Ja, omdat je natuurlijk geneigd zult zijn (een deel van) je poëzie vanuit die ideologie te gaan schrijven. Van Wilderode heeft dat gedaan. Nee, omdat welk onderwerp dan ook nog helemaal niets zegt over de kwaliteit van die poëzie, die kan variëren van extreem slecht en belachelijk tot extreem bewerkt, geraffineerd en subliem. Alle mogelijkheden kunnen daar optreden. Nemen we als voorbeelden Ezra Pound en Pablo Neruda, de ene uitgesproken fascist, de ander uitgesproken communist. Beiden hebben een prachtig, veelzijdig en uniek oeuvre nagelaten.

Binnen het kader van de Nederlandse poëzie kan ook van de gedichten van Van Wilderode gezegd worden dat zij – los van ideologie en/of poëtica – tot het beste en subliemste behoren dat hier op het gebied van de poëzie geschreven werd. Vanaf zijn debuut uit 1943 (De moerbeitoppen ruischten) tot aan zijn laatste bundel uit de jaren negentig van de vorige eeuw, staat het werk van Van Wilderode op een eenzame hoogte, en in deze is hij in Vlaanderen enkel te vergelijken met dat van zijn generatiegenoot Hugo Claus – waar hij verder overigens totaal niet mee te vergelijken valt. Poëzie kun je niet (of niet enkel) beoordelen vanuit de politieke standpunten van de auteur. Dat zou enkel kunnen wanneer de auteur expliciete propagandapoëzie schrijft, en dat is bij van Wilderode niet het geval, behalve deels in de bovengenoemde gelegenheidsgedichten. Daarover kun je dus ook op een politieke manier reflecteren. 

Ik zei hierboven dat het Volledig dichtwerk niet volledig is. Dat betreft vooral het vroege werk van Van Wilderode, bijdragen aan tijdschriften, die hij nog als priesterstudent in bladen als Roeping, Hooger Leven e.a. vaak onder pseudoniem publiceerde.

Enkele van die vroege teksten publiceerde hij onder het halve pseudoniem F.P. Coupé. De eigen familienaam dus, met de initialen van de voornamen van zijn tweelingbroer. Waarom hij dat deed is mij niet duidelijk, misschien heeft dat wel een psychologische verklaring, maar hoe dat ook zij, belang heeft dat verder niet.

Een paar van die teksten zijn gedichten, één is proza, met name een verhaal.

Eén gedicht en een prozatekst verschenen in het Nederlandse halfmaandelijkse tijdschrift Nederland, dat toen een van de langstlevende tijdschriften van Nederland was, het werd nl. al opgericht in het midden van de 19e eeuw. Op het ogenblik (1938-1940) dat Coupé erin publiceerde was het al een blad dat in rechts vaarwater kwam, door de medewerking van met name Emile Buysse (de contacten van Coupé met deze Buysse zijn gedocumenteerd, en waarschijnlijk is hij het die hem liet publiceren in Nederland; na de oorlog keerde deze Buysse overigens terug naar Vlaanderen waar hij jarenlang medewerker werd aan…Vooruit in Gent; wat zou het, zal hij gedacht hebben, het verschil tussen nationaal socialisme en socialisme is immers maar één woord), Willem Haighton, Tobi Goedewaagen e.a. Die zouden er tijdens de bezetting voor zorgen dat het blad effenaf nazistisch werd en zich uiteindelijk aansloot bij de extreemste groepen van de collaboratie, die rond de SS. Het blad heeft het jaar 1944 dan ook niet overleefd, waardoor het net geen eeuwfeest kon vieren. Op literair vlak vind je er veel Vlamingen in terug, van Hemeldonck, Demedts, Vertommen, Matthijs e.a. Als deze namen al in een bepaalde richting wijzen, dan staat daartegenover dat ook Walschap erin publiceerde, Maarten Vrolijk, en zelfs Ben Cami met één gedicht (zijn debuut?).

Heel fris was dat tijdschrift dus niet, maar het kon er nog net wel door.

Coupé publiceerde daar dus twee teksten in, en voor beide kreeg hij trouwens een prijs. Voor het verhaal Dis al kreeg hij in 1938 de 1ste prijs uit 31 inzendingen. Het verhaal handelt over de vrijheidsstrijd van een Transvaalse boer. Verwonderen doet dat onderwerp niet, want sinds de Boerenoorlog tegen de Engelsen van rond de eeuwwisseling voelden Vlaamsgezinden zich sterk stamverwant met de blanke Zuidafrikaners (negers kon je moeilijk als mensen beschouwen natuurlijk). Van Wilderode is altijd op dat racistische standpunt blijven staan, want niet voor niets was hij lid van de prozuidafrikaanse lobbygroep Protea, een van de gevaarlijkste criminele organisaties die er in Vlaanderen geweest zijn, het soort cenakels waarin over staatsgrepen en dergelijke gedacht wordt door de bankiers, hogere legerofficieren en industriëlen die er de plak zwaaien, geflankeerd door ideologen uit universiteit en culturele middens.

In 1940 kreeg Coupé dan de 2de prijs (daarmee bedoel ik dat hij deze keer als tweede gerangschikt stond, na Wies Moens), deze keer voor een gedicht dat ‘De Droomer’ heette (en dat niet voorkomt in het Volledig dichtwerk) en dat een echte Vlaamsnationale geloofsbelijdenis is. Coupé was toen hij dit gedicht schreef al priesterstudent, maar bijbels en christelijk klinken bv. deze twee verzen niet bepaald: “Maar ook zag ik hoe gij en ik verbonden/de ploegen wisselden voor ’t vaste zwaard.” Hoe dat ook zij, het lange gedicht, dat al helemaal in de zangerige stijl van van Wilderode geschreven is, evoceert drie achtereenvolgende dromen, die alle culmineren in een visioen van een komend Dietsland (het gebruik van die term in die tijd was weliswaar niet ongewoon, maar plaatste de gebruiker ervan onmiddellijk in een bepaalde politiek-ideologische context natuurlijk):

“En als wij schreiend door den nacht verdolen
hooren wij zijne stem die weerklinkt in den stroom.
Wij voelen ons gedreven en bevolen
’t volk te herscheppen in het bloed van zijnen droom.

Wij gaan: een nieuw geslacht wordt in dien wil geboren,
een donker Volk vindt in herinnerings’ stroom
zichzelve weer. De droomer, in de wateren verloren,
ziet Dietschland groeien uit het bloed van zijnen droom.” (Cursief van Coupé)

Blubo dus, en wel in de meest strikte en enge zin van dit woord. Gero von Wilpert (Sachwörterbuch der Literatur, Kröner Verlag, Stuttgart, 1989 – de eerste druk dateert van 1955)  beperkt dit begrip weliswaar tot expliciet nationaal-socialistische letterkunde, maar daar ben ik het niet mee eens. Ook buiten die context werd bluboliteratuur geschreven; en die verenging van het begrip gaat al zeker niet op voor niet-Duitse literatuur buiten de bezettingsjaren. Het gaat om de thematiek, om het geworteld zijn in bloed (dat hier twee keer letterlijk genoemd wordt) en bodem (dat in de rest van het gedicht voortdurend geëvoceerd wordt), de volksverbondenheid (meermaals letterlijk voorkomend in het gedicht) en andere dergelijke zaken. Ik sluit me in deze dus aan bij de laatste zin van het desbetreffende lemma in het Lexicon van literaire termen van van Gorp, Ghesquière en Delabastita, waar het heet: “De uitdrukking ‘Blut-und-Boden’ wordt ook bij uitbreiding gebruikt om volksnationalistisch geïnspireerde auteurs te kwalificeren.”

Deze twee teksten van de latere van Wilderode worden in de secundaire literatuur over hem overigens niet verdonkeremaand – ook al werden ze dan niet heruitgegeven. Zowel Lieven Rens in zijn prachtige boek over de poëzie van van Wilderode (Lieven Rens: Van moerbeiboom tot overoever, Stichting Mercator-Plantijn, Antwerpen, 1983) als Rudolf van de Perre in zijn grondige monografie (Rudolf van de Perre: Anton van Wilderode: een monografie, Davidsfonds, Leuven, 1988) vermelden of het pseudoniem of de publicaties zelf, of beide. En ook in de prachtige wetenschappelijke editie van van Wilderodes debuut (Edward Vanhoutte (ed.): De moerbeitoppen ruischten, documentaire varianteneditie met een kroniek van de genese, Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent, 2010) worden beide meermaals genoemd.

Dat alles geldt niet voor de derde publicatie die onder het halve pseudoniem F.P. Coupé verscheen, en die eveneens nooit heruitgegeven werd – et pour cause. Eerst de tekst ervan:

coupé

 In de jaren zestig van de vorige eeuw is een tijdlang in Nederland de zgn. ‘close reading’ in de mode geweest; die werd vooral gepropageerd door en toegepast in de kringen rond het tijdschrift Merlyn. Het kwam erop neer dat enkel de tekst nog telde, los van welke, sociale, politieke, biografische of welke andere context dan ook. Mijns inziens was en is dat nu nog een goed uitgangspunt, maar ook niet meer dan dat. In Bok heeft Weverbergh indertijd die methode toegepast op het ‘Liedje van St. Nicolaas’ (‘Zie ginds komt de stoomboot…’), en zo op een plezierige manier de grenzen, tekortkomingen en (on)mogelijkheden ervan aangetoond. Als we die methode op dit gedicht toepassen, komen we daar niet ver mee: het zijn zes klassieke vierregelige strofen met afwisselend en omarmend vrouwelijk en mannelijk rijm, gevolgd door een min of meer martiaal einddistichon. Over de sterke muzikaliteit van de verzen zou veel te zeggen zijn hier, blijkbaar was Coupé daar al heel sterk in. Thematisch roept het gedicht een visioen op van de verenigde Nederlanden, zoals ‘De Droomer’ dat ook al deed, dat alles gebed in ‘bloed’ en ‘grond’, waarbij de ‘smalle grens’ tussen het ‘bloed’ uit het Noorden en het ‘bloed’ uit het Zuiden, dat uit Nederland en dat uit Vlaanderen, bewust als klein en gemakkelijk overkomelijk wordt beschouwd. Zelfs in de context van bezetting en oorlog zou je dit nog een ‘gematigd’ gedicht kunnen noemen, dat zowel voor als na de oorlog geschreven had kunnen zijn door een dichterlijk aangelegde Vlaamsnationalist.

Maar hier treden natuurlijk de beperkingen op van de ‘werkimmanente Interpretation’ zoals dat ook wel heette.

Wat vooreerst aan het denken moet zetten is het simpele feit dat dit gedicht officieel niet bestaat. In geen enkele bibliografie van boeken of bijdragen over van Wilderode die ik geconsulteerd heb, wordt het vermeld. Ook niet in de grondige en naar volledigheid strevende bibliografie van Jozef Smet (Bio- en bibliografie Anton van Wilderode, 2de gewijzigde en uitgebreid druk, 1998 – ik consulteerde deze tweede druk), die eigenlijk een mooi voorbeeld is van wat een bibliografie moet zijn. En we moeten uiteraard ook niet vergeten dat je in een dergelijke bibliografie wel naar volledigheid kunt streven, maar dat je die nooit zult kunnen bereiken.

Maar zou werkelijk niemand van al die professoren en andere hooggeleerde heren die zich met het werk van van Wilderode bezig hebben gehouden, niets afweten van het bestaan van dit gedicht? Op zichzelf is het immers niet echt schuldig? Op zichzelf, inderdaad.

Want hier komt het er inderdaad op aan de publicatie van dit gedicht te plaatsen in een drievoudige context, enkel dan kun je ook begrijpen waarom dit eerder onschuldige gedicht in een vergeetput (of in een doofpot?) terecht is gekomen. Die context omvat: de anthologie waarin het gedicht verscheen, de uitgeverij die deze anthologie publiceerde, de aard van de andere gedichten en dichters in deze anthologie.

henri bruningHet gedicht verscheen in de door Henri Bruning samengestelde anthologie Gelaat der Dichters Een keuze uit de hedendaagsche revolutionaire poezie in Noord- en Zuid-Nederland. Ze werd uitgegeven door De Amsterdamsche Keurkamer in 1944; blijkbaar lagen de exemplaren vanaf eind juli van dat jaar in de nog overblijvende boekhandels, in Nederland althans, want ik kan me niet voorstellen dat er nog goed werkende postdiensten bestonden tussen Nederland en België op een ogenblik dat België bevrijd ging worden (september 1944); in Nederland zou dat nog wat langer duren. Sinds 1997 verschijnt er drie maal per jaar een Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode. Daarin heb ik één degelijk en langer opstel teruggevonden, ‘De weldaad van de schemering’ (in het nummer 2 van de 15de jaargang, augustus tot november 2010) van de hand van Henri-Floris Jespers. In voetnoot 14 van zijn tekst somt hij een reeks bloemlezingen op waarin van Wilderode opgenomen werd. De oudst vermelde bloemlezing is Vlaamse dichtkunst van deze tijd van Paul de Ryck, die uit 1951 dateert. Jespers is een zeer grondig essayist die zich altijd zeer nauwkeurig documenteert. Zou hij echt niet weten dat van Wilderode al tijdens de oorlog in minstens twee bloemlezingen opgenomen werd, waaronder Gelaat der dichters? Jespers, die zo goed op de hoogte is van de culturele collaboratie ten onzent?

Het zal vooreerst verwonderen Coupé aan te treffen in een bloemlezing die zichzelf expliciet ‘revolutionair’ noemt. Maar dat epitheton past alleszins wel in die tijd, en als we in een publicatie uit 1944 in bezet Nederland het woord ‘revolutionair’ in positieve zin tegenkomen, dan weten we onmiddellijk dat we met een fascistische publicatie te doen hebben. Het fascisme, en zeker zijn extreemste variant, het nazisme, was in de jaren twintig tot veertig immers uitgesproken socialistisch en revolutionair, én antidemocratisch. Althans, zo wilde het zichzelf tonen aan de buitenwereld. Vandaag is het fascisme totaal anders: het is extreem liberaal en oerconservatief, maar ook nog steeds nationalistisch en omarmt de democratie zozeer dat die er uiteindelijk in zal stikken. De dichters die bijdragen leverden aan deze bloemlezing kunnen dan ook zonder meer tot de collaboratie gerekend worden, vaak tot de extreme collaboratie (SS in Nederland, DeVlag/SS Vlaanderen in België), en al de bijdragers werden na de oorlog dan ook gestraft – voor zover ze niet vluchtten. Alle, op één na: F.P. Coupé zoals hij zich noemde. Hij was blijkbaar de enige niet-fascist in dit onfrisse gezelschap.

vangenechten-thumb

Reinaert en Jodicus, het Jodenbeest. Klik voor volledige versie

De uitgeverij, die deze anthologie uitgaf was de oudste en belangrijkste nationaal-socialistische uitgeverij van Nederland. Er bestaat een goede monografie over: Gerard Groeneveld: Nieuwe boeken voor den nieuwen tijd. Uitgeverij De Amsterdamsche Keurkamer 1932-1944 (Sdu Uitgeverij, ’s Gravenhage, 1992). Sta me toe enkel twee belangrijke wapenfeiten van deze uitgeverij te vermelden: zij gaven de Nederlandse vertaling uit van Hitlers Mein Kampf (in het Nederlands vertaald door Steven (eigenlijk en officieel: Samuel – sic!) Barends, die ook in de bloemlezing ruim vertegenwoordigd is. En bij het begin van de oorlog gaven zij een ‘vervolg’ op Van den Vos Reynaerde uit, van de hand van de Vlaming Robert van Genechten: één van de walgelijkste antisemitische publicaties tout court in de Nederlanden – temeer daar dit werk ook voor kinderen bedoeld was. Het moet éen van de zeer weinige publicaties in het Nederlands zijn die men kan vergelijken met de ranzige uitgaven van Julius Streichers Der Stürmer. (Over dit boek kan men het hoofdstuk ‘Reinaert en het Jodenbeest’ lezen in: Jozef Janssens & Rik van Daele: Reinaerts streken, van 2000 voor tot 2000 na Christus, Davidsfonds, Leuven, 2001).

Langs Vlaamse kant werkten mee: Wies Moens, Karel Vertommen, Ferdinand Vercnocke, Blanka Gijselen, René Verbeeck, Bert Peleman, Albe en dus Coupé. De Nederlandse bijdragers ga ik niet opsommen, ik volsta met te herhalen dat zij tot de extreemste collaboratie (SS) behoorden. Voor wat de Vlamingen betreft is dat iets minder het geval. Mijns inziens kunnen enkel Gijselen, Verbeeck en Peleman tot de extreme vleugel van de collaboratie gerekend worden (DeVlag/SS Vlaanderen dus) de anderen behoorden eerder tot het VNV. Maar of dat in de praktijk iets betekende? Als ik Greep naar de macht van Bruno de Wever lees, krijg ik de indruk dat het verschil tussen de twee (dat overigens ook in Nederland sterk speelde: daar tussen de NSB en de SS) enkel tactisch was en vooral rond postjes draaide. (Tussen haakjes: er bestaat een zeer goede site over Vlaamse auteurs: Schrijversgewijs. Bij alle deelnemers aan Gelaat der dichters wordt die medewerking ook expliciet vermeld. Behalve bij één: niet één gebenedijd woord over de medewerking van F.P. Coupé.) Overigens, ook Groeneveld weet blijkbaar geen weg met Coupé. Hij somt de medewerkers op, en geeft bij Albe ook zijn echte naam (Renaat Joostens), maar bij Coupé wordt verder niets vermeld. Groeneveld zal het niet geweten hebben. Anton van Wilderode was/is al een nobele onbekende in Nederland, laat staan dat men (zelfs goede onderzoekers) zou weten wie Coupé was.

Wat was nu de aard van de bijdragen in deze bundel? Gelet op de ondertitel krijgen we inderdaad zwaar geëngageerde poëzie voorgeschoteld, combatieve strijdzangen ter verheerlijking van de Duitsers en hun streven. Daarbij kunnen natuurlijk ook de anti-joodse accenten niet achterwegen blijven, zoals blijkt uit ‘Beroep op Amsterdam’ van Chris de Graaff:

“Wie heeft uw taal ontmand, uw lach ontluisterd,
wie knotte ’t zwaard, wie kreukte vlag en faam?
Op alle hoeken van uw straten fluistert,
terwijl gij zwijgt, verbitterd volk zijn naam.

Opdat uw kinderen weer fier elkander
in de oogen kunnen zien, spreek eindelijk recht:
Ontmasker, Amsterdam, uw tegenstander
en noem zijn naam ten vonnis: “Jodenknecht!” (p. 31)

Dat vonnis werd op dat ogenblik in Oost-Europese oorden met welluidende namen als Majdanek, Sobibor, Auschwitz, Birkenau et tutti quanti bij miljoenen uitgevoerd. Maar het spreekt vanzelf dat een niet-fascistische deelnemer aan deze door-en-door fascistische bloemlezing daar geen enkele verantwoordelijkheid voor kan dragen. Kettmann – oprichter en baas van De Amsterdamsche Keurkamer bezingt de SS-soldaat in ‘den grooten tijd’, Bert Peleman draagt een gedicht op ‘Voor de soldaten van den Führer’, Blanka Gijselen publiceert niet minder dan vier gedichten waarin de ‘heldenmoed’ van de SS’ers en hun moeders verheerlijkt wordt, Kettmann schrijft een gedicht ‘Op mijn zwarte hemd’ , Miep van der Velde bezingt het ‘Vrijwilligerslegioen Nederland’, Henri Bruning (de samensteller) schrijft een gedicht ‘naar Baldur von Schirach’ en heel de bundel ademt een sfeer van bloeddorstige soldateska, die voor bloed en bodem ten strijde trekken. Laat mij nog één enkel voorbeeld citeren, gekozen ook omdat het jammer genoeg opnieuw actueel is, nl. het gedicht ‘Selo-Gora!’ van Cornelis Thoen:

“…
een dichter, een zeeman, allen soldaat
voor Hollands glorie allen paraat
toen de strijd van de steppe met Europa begon
om aan de Wolga, den Dnjepr, den Don
het vaderland waardig, aan ’t front vooraan
ook in oog met den dood te staan…
In dien dood zijn verleden en heden vereend,
geen tranen zijn tevergeefs geweend,
geen bloed tevergeefs in de aarde gestort…” (p. 33)

Waarom actueel? Omdat de troepen van het Westen, met name de Nato, opnieuw naar Rusland dreigen op te marcheren, nu uit naam van een democratie die er geen is, maar in feite om dezelfde strategische en economische belangen te behartigen als toen. Maar dat terzijde.

Het gedicht van Coupé is opgedragen aan H. van Bijleveld. Behalve de twee specialisten over de Vlaamse beweging in Frans Vlaanderen zal die naam wel niemand iets zeggen. Het is één van de vele pseudoniemen van de Franse priester Jean-Marie Gantois (1904-1968), die zich in zijn jeugd aangetrokken voelde tot de Vlaamse beweging en daar een vooraanstaand vertegenwoordiger van werd in wat officieel het Departement du Nord heet. Hij heeft zijn hele leven in dienst gesteld van de eenheid van àlle Nederlanden, Frans Vlaanderen inbegrepen dus. Daarbij ging hij uit van een puur biologisch racisme, waarbij de ‘Dietsers’ tot een ras omgevormd werden; dat gebeurde al in Le règne de la race uit 1936, en meer nog in Nederland en Frankrijk. De zuidergrens der Nederlanden uit 1941. Wanneer je een gedicht aan iemand opdraagt, gebeurt dat meestal ofwel uit vriendschap voor iemand die je persoonlijk kent, ofwel uit bewondering voor iemands werk. Hier zal wellicht eerder het tweede het geval zijn, of een combinatie van beide. Hoe dan ook, het pleit niet echt voor het onderscheidingsvermogen van Coupé dat hij zich op zo’n op z’n zachtst gezegd bizarre figuur beroept. In een bespreking van zijn tweede vermeld boek schreef bv. het collaborerende weekblad Volk en kultuur (in het nummer van 10 mei 1941, nr. 15 van de eerste jaargang): “Bijleveld schijnt voor ons gevoel aan het rassenelement een te groot belang te hechten.” En als die het al zeggen…Nu was dat Volk en Kultuur (er bestaat trouwens een zeer goede monografie over: Dirk de Geest e.a. (eds.): Collaboratie of Cultuur? Een Vlaams tijdschrift in bezettingstijd (1941-1944), Uitgeverij Kritak, Antwerpen, 1997) natuurlijk niet het hardste en extreemste van de collaboratie, maar toch.

Vraag is dan: wist Coupé in welk gezelschap hij terecht zou komen in deze anthologie? Het racisme van Gantois was blijkbaar geen enkel probleem voor hem, ik veronderstel dat dus ook Gelaat der dichters en de medewerkers daaraan geen probleem vormden. Maar om daar zekerheid over te krijgen zou je zijn briefwisseling uit die tijd moeten raadplegen, en wellicht andere documenten. Maar omdat ik als volksvreemd element daar toch nooit toestemming voor zou krijgen, heb ik dat niet eens geprobeerd. Wel heb ik naar het NIOD in Amsterdam geschreven, omdat daar de archieven van De Amsterdamsche Keurkamer aanwezig zijn, maar een antwoord heb ik nooit gekregen. Wel lijkt uit de titel van zijn bijdrage, ‘Lied uit Vlaanderen’, te kunnen worden afgeleid dat het gedicht gericht werd aan iets of iemand die niet in Vlaanderen te situeren valt, dat het gedicht dus op vraag van of in opdracht geschreven werd. En Coupé zal zeker Henri Bruning wel gekend hebben, en wellicht ook diens uitgever. Ik ga er dus van uit dat hij wist met welk vlees hij de kuip in ging.

In dit verband valt nog iets op. Coupé hield zeer nauwgezet agenda’s bij, waarin hij zijn briefwisseling noteerde, zijn contacten, ontwerpen van gedichten, bezoeken aan collega-auteurs enz. Van 1937 tot en met 1944 zijn die afgedrukt in de varianteneditie van zijn debuut, die ik al vermeld heb. Maar daarin is geen spoor te bekennen, noch van Gantois/Bijleveld, noch van Henri Bruning, noch van de Amsterdamsche keurkamer. Wel is het zo dat de agenda’s tussen 13-9-1944 en 20-11-1944 niet werden ingevuld. Zo staat er toch op pagina 543 van het boek in kwestie. Nu kan dat best te maken hebben met de toestand van wat men later de ‘septemberdagen’ is gaan noemen. Maar vreemd komt dat alles toch over.

Maar toch moet hier, voor de volledigheid én de eerlijkheid, ook een andere vraag gesteld worden: was Coupé op de hoogte van het feit dat hij hier opgenomen werd? Uitsluitsel daarover kan door mij niet gegeven worden, maar het feit dat deze publicatie tot op de dag van vandaag verdonkeremaand wordt, wijst wel in die richting. Wat daarentegen misschien ertegen pleit is het feit dat dit gedicht al in 1942 werd gepubliceerd in Le Lion de Flandre (14de jaargang, nr. 24, december 1942). Maar anderzijds vermeldt Gelaat der dichters in vele gevallen de herkomst van de opgenomen gedichten. Bij dit gedicht wordt helemaal niets vermeld, dus kan het zijn dat Coupé zelf het ingeleverd heeft. Tenzij Bruning het toch uit dat overigens totaal in racistisch en ‘volksverbonden’ vaarwater varend tijdschriftje heeft gehaald. Hoe dat ook zij, in dat Le Lion de Flandre komen nog twee teksten van Coupé voor, een gedicht ‘Aan Fransch-Vlaanderen’, en een prozatekst, ‘Waten’, die op dezelfde wijze een volks en mythisch ‘Dietschland’ oproepen.

De vraag die zich bij dat alles natuurlijk opdringt, is of men Coupé/van Wilderode als een aanhanger van het fascisme moet bestempelen. Maar eigenlijk heeft die vraag weinig zin, al was het maar omdat dat woord – zoals alle abstracta die op -isme eindigen – binnen bepaalde grenzen heel breed en heel smal geïnterpreteerd kan worden. In het ene geval hebben we wel met een fascistisch dichter te maken, in het andere geval niet. Het enige dat met zekerheid gezegd kan worden, is dat het gedachtengoed van Coupé in die tijd wel zeer dicht aanleunde bij dat van fascistische partijen als VNV of DeVlag/SS Vlaanderen. Maar op zichzelf heeft dat weinig belang; immers, Hugo Claus was als jonge puber lid van de NSJV, en Günter Grass was als 17/18jarige adolescent bij de Waffen SS. Maar deze beiden hebben natuurlijk heel vlug impliciet afstand genomen van die jeugdzonden, en later ook expliciet. Van Wilderode deed dat nooit, integendeel, hij is zijn hele leven een aanhanger gebleven van datzelfde gedachtengoed. Een cynicus zou zeggen: Seine Ehre hiess Treue.

Dat van Wilderode zelf daar in alle talen over gezwegen heeft is zeker tijdens de eerste maanden en zelfs jaren na de oorlog volledig begrijpelijk, want deze publicatie zou zeker strafrechtelijke gevolgen hebben gehad en hem een gevangenisstraf hebben opgeleverd. Zijn broer werd al opgesloten wegens een eenvoudig lidmaatschap van het VNV, en Josef de Belder heeft jaren vastgezeten wegens het publiceren van een of twee gedichten in het blad van DeVlag. Maar veel later nog daarover zwijgen, betekent dat je het wil verdoezelen, omdat je inziet dat het je blazoen zou besmeuren. Aan de intrinsieke waarde van zijn poëzie zou dat nochtans helemaal geen afbreuk hebben gedaan. Je kunt dat oeuvre gerust gelijk stellen met dat van Gezelle in de 19de eeuw. Deze laatste was trouwens op politiek en sociaal gebied zo mogelijk nog aartsreactionairder dan Coupé/van Wilderode.

Mijns inziens heeft dat te maken met zijn katholicisme enerzijds en zijn nationalisme anderzijds. Ik ben het zelden met mensen als Karel de Gucht eens, maar toen die een tijdje geleden stelde (vaststelde liever) dat het nationalisme een der belangrijkste oorzaken was van alle misdaden die in de 20ste eeuw plaatsvonden, had hij overschot van gelijk. En in de Belgische context kon dat tot niets anders leiden dan het omarmen van de bezetter en zijn gedachtengoed. Gleich und Gleich gesellt sich gern, zegt men in het Duits. En het katholicisme komt daar bijna als een tweelingbroer bij. Een vergelijkende wetenschappelijke studie tussen het gedachtengoed van fascisme en katholicisme in de jaren dertig in Vlaanderen of België is mij niet bekend, maar over de verhouding tussen het Vaticaan en de fascistische regimes bestaat een goede studie van Deschner (Karlheinz Deschner: Mit GOTT und den FASCHISTEN, Der Vatikan im Bunde mit Mussolini, Franco, Hitler und Pavelic, Ahriman-Verlag, Freiburg, 2012), die natuurlijk bakken stront over zich heen heeft gekregen, maar wiens feitenmateriaal nooit weerlegd werd.

Heel deze nefaste verhouding werd wellicht het accuraatst én het bondigst uitgesproken door…Jacques Brel: “Nazis durant les guerres et catholiques entre elles/Vous oscillez sans cesse du fusil au missel”, zo schrijft hij in het lied ‘Les f…’, dat natuurlijk prompt verboden werd op wat toen nog de BRT heette…door een katholieke minister uiteraard.

000

In het recentste nummer van de reeds genoemde Nieuwsbrief (19de jaargang, nr. 2) verscheen een uitgebreid artikel van Stijn Vanclooster over Joseph Roth, naar aanleiding van het feit dat van Wilderode onder het pseudoniem M[aurits] W[ille] in 1937 een recensie over Roths roman Beichte eines Mörders geschreven heeft. In een artikel van zes bladzijden wijdt Vanclooster er anderhalve aan die recensie. Maar veel meer dan MW nabauwen doet Vanclooster eigenlijk niet. Zelfs sommige manifeste onjuistheden uit het artikel van MW neemt hij over. MW kon dat vergeven worden, want hij was in deze, net zoals zo vele andere recensenten uit die tijd,  enkel het slachtoffer van Roths oneindige fabuleerlust, zeker waar het zijn eigen afkomst en opvattingen betrof. Enkel de bewering dat zijn boeken niet verboden zouden zijn geweest, had moeten worden rechtgezet door Vanclooster.

Dat MW een antifascist zou zijn, zegt Vanclooster uitdrukkelijk niet. Henri-Floris Jespers daarentegen, die dit nummer aankondigde op zijn blog, zegt letterlijk: “De bewondering van priester-dichter Anton van Wilderode voor de monarchistische en resoluut antifascistische houding van Joseph Roth, diens schrijfkunst en humanisme, komt sterk tot uiting in die bespreking.”

Lap, daar hebben we het, ik had het moeten weten: Coupé/van Wilderode is in feite een antifascist die in zekere middens binnengeslopen is om ze van binnenuit te bestrijden.

Wat mij betreft gaat dit er wel over.

Wat MW heeft aangetrokken in Roth is zonder enige twijfel een diepe psychische verwantschap, die op het diepste vlak met politiek niets te maken heeft. De poëzie van van Wilderode is vanaf het begin doordrenkt van een melancholisch terugverlangen naar een paradijselijke, idyllische jeugd. Een groot deel van die poëzie staat in dat teken, dat in de psychoanalyse regressie genoemd wordt. Bij Roth is dat natuurlijk nog veel duidelijker: MW noemt zelf de roman Tarabas, waarvan het hoofdpersonnage zich in een klooster terugtrekt. Nog duidelijker is wellicht Die Kapuzinergruft waarin de laatste afstammeling van de Trotta’s zich terugtrekt in die grafkelder. De regressio die ze gemeenschappelijk hebben, wordt bij Roth dus een echte regressio ad uterum. Maar in beide gevallen komt dat op hetzelfde neer, overigens ook MW spreekt meermaals over het ‘vaderhuis’ of het ‘Vaderland’ waarheen terugverlangd wordt. Dat alles speelt natuurlijk op het vlak van het onbewuste, maar uit zich ook op bewust vlak, in literair werk bv., maar even zo goed in politieke standpuntbepalingen. Roth was politiek gezien door-en-door reactionair, zoals de jonge Coupé/MW of de oudere van Wilderode. Niks geen antifascisme dus bij MW. Wel bij Roth, inderdaad. Het bewijst enkel dat je politiek extreem reactionair kunt zijn en toch een rabiate tegenstander van bepaalde fascistische regimes.  Maar dat zal het niet zijn, zeker niet, wat Coupé in Roth heeft aangetrokken. Overigens kan de houding van beide op dieptepsychologisch vlak heel goed vergeleken worden met Mijn land in de kering van de jezuïet Karel van Isacker, dat even door-en-door reactionair is op politiek vlak, maar ook even meesterlijk en boeiend geschreven.

MaisonneuveNog in dit verband is het opvallend hoe vaak in extreemrechtse/fascistische geschriften de uitdrukking “schoot van het volk” voorkomt. Ook dat verlangen om op te gaan in het ‘volk’, om zich erin te verliezen, erin te zwemmen als in water en zichzelf te vergeten is een uiting van diezelfde regressio ad uterum, die bij de late Freud, vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw ongeveer een uiting is van de doodsdrift (die in tegenstelling staat tot de levensdrift, beter bekend als ‘libido’ ofte ‘lustprincipe’). Dit gezegd zijnde is het natuurlijk geen toeval dat Jean-Louis Maisonneuve zijn studie over L’extrême droite sur le divan, psychanalyse d’une famille politique (Auzas Editeurs Imago, Paris, 1992) begint met een uitgebreid hoofdstuk dat “A la recherche d’un paradis perdu” heet. Dat boek gaat natuurlijk over Franse schrijvers en politici, maar wat de uitgangspunten betreft kan het zonder een enkel probleem ook worden toegepast op hetzelfde soort schrijvers in Vlaanderen. Of dat een onderdeel van een ander hoofdstuk heet: “Que la Mère demeure immaculée!”

Tenslotte nog een saillant detail: in die jaargang 1937 van Hooger Leven – een officieel katholiek blad, toen uitgegeven door de Abdij van Averbode -, waarin de recensie van MW verscheen, verscheen als vervolgverhaal ook een roman, Het harde geslacht van éne Will Vesper. Dat was een van de topbonzen van het literatuurbedrijf in het derde rijk. Maar dat zullen ze in 1937 natuurlijk niet geweten hebben. Overigens, dat werd later, in 1941 ook als boek uitgegeven…door, inderdaad, De Amsterdamsche keurkamer.

Ik hoef het citaat van Brel niet nog eens te herhalen zeker?!

Delen:

2 reacties

  1. Geachte heer Peter,
    Vindt u het erg om uw familienaam bekend te maken?

    Met dank,
    Ludwig Goris

  2. Geachte Heer Goris,

    Als u een beetje moeite had willen doen, had u mijn familienaam zonder problemen op verschillende plaatsen op de website kunnen terugvinden. In tegensteling tot wat sommigen (waaronder u blijkbaar) denken, verberg ik die niet.
    Wat ik mij wel afvraag is waarom meer bepaald u daar zo in geïnteresseerd bent?

    Met vriendelijke groeten,
    Peter Bormans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × 5 =