09.08.14 – Paul Claes / Alfred Gong

| Geen reacties

sleutelDe Sleutel, vijfentwintig gedichten van Noord en Zuid ontsloten (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2014) van Paul Claes is een boek dat door alle literatuurstudenten gelezen zou moeten worden. En vanzelfsprekend ook door alle andere literatuurliefhebbers.

Toen ik eind jaren zestig begin jaren zeventig student was kregen we in de kandidaturen regelmatig de opdracht om een gedicht te bespreken – in het Nederlands of het Duits, en voor de anglisten waarschijnlijk in het Engels. Meestal bracht ik het er nog goed van af, al zeg ik het zelf. Maar om zoals Paul Claes in dit boek in een drie à viertal bladzijden, erg synthetisch dus, de essentie van een gedicht te vatten, dat kon ik uiteraard niet, en dat kan ik nog steeds niet, al was het maar omdat ik veel meer analytisch ingesteld ben.

Het merendeel van de vijfentwintig door Claes geanalyseerde gedichten behoort tot de canon, sommige ervan (die van Gilliams, Claus, Lucebert…bv.) zijn daarenboven als zo vaak besproken en geanalyseerd dat het moeilijk is er toch nog iets nieuws of verrassends in te ontdekken. Maar Claes lukt dat wel.

Het begint met Hendrik van Veldeke en het Egidiuslied en eindigt met telkens een gedicht van Dirk van Bastelaere en Christine D’Haen. Het spreekt vanzelf dat die (nog) niet tot de canon behoren, maar de dichters ervan wel al.

Claes vertrekt vanuit twee uitgangspunten: de intertekstualiteit en de poëtica. Het zijn niet de gemakkelijkste uitgangspunten want je moet er een grote belezenheid voor hebben, in bijna alle Europese literaturen. Maar die heeft Claes, en vandaar dat zijn korte analyses sublieme voorbeelden zijn van hoe je een gedicht, ook een bekend gedicht, kunt en moet benaderen. Elk essaytje is het resultaat van een minutieuze én exacte manier van lezen, zodat de daaruit voortvloeiende analyse altijd, dus ook als het een gedicht betreft waarover al veel geschreven werd, nieuwe inzichten brengt. Claes heeft de gebaande wegen blijkbaar met opzet links laten liggen om zodoende toch telkens iets nieuws te kunnen brengen, de lezer te verrassen. En bij minder bekende, recentere gedichten, dat van van Bastelaere bv., slaagt hij er niet enkel in het gedicht zelf open te breken, maar geeft hij ook de richting aan om verder onderzoek te doen naar de betrokken dichter(s).

Ik weet niet of studenten vandaag de dag nog zulke opdrachten krijgen; ik weet niet eens of zoiets als letterkunde nog bestaat op de manier waarop ik dat studeerde (je hoort veel vertellen over de toestand aan de universiteiten, zonder dat te kunnen controleren), maar ook buiten de universitaire context is dit een voorbeeldig boek.

000

gongHetzelfde kan gezegd worden van Alfred Gong, Leben und Werk van Natalia Shchyhlevska (Peter Lang, Oxford…, 2009) (= New German-American Studies Vol. 32). Dit is een mooi voorbeeld van hoe een literaire monografie eruit moet zien.

Alfred Gong was een van die dichters uit de Boekovina die de vervolgingen van de nazi’s en hun Roemeense handlangers overleefd hebben; hij leefde ondergedoken in Boekarest, verhuisde na de oorlog net zoals zijn jeugdvriend en klasgenoot Paul Celan naar Wenen, en vandaar ging hij naar de USA, waar hij de rest van zijn leven doorbracht, maar in het Duits bleef schrijven (zoals Celan, die in Parijs terecht kwam).

Zij begint met een kort en synthetisch biografisch deel, van amper een vijftigtal bladzijden, maar dat voldoende elementen bevat om het werk van Gong verder te kunnen duiden, zeker voor wat het maatschappelijke aspect ervan betreft. Daarna wordt het werk zelf uitvoerig behandeld, vooral de lyriek natuurlijk, want Gong was en voelde zich op de eerste plaats dichter. Toch heeft hij eigenlijk weinig gepubliceerd: de auteur behandelt enkel de drie dichtbundels die tijdens zijn leven verschenen, waarbij zij vooral op de thematiek en de verstrengeling van de verschillende thema’s doorheen de gedichten en de bundels ingaat, veel minder op de formele aspecten. Daarna volgen, maar veel korter (vaak zijn het weinig meer dan samenvattingen) het proza, wat Gong niet zo veel gepubliceerd heeft, en de drama’s. Dat laatste zijn er zes, die echter (op twee na die nog niet gepubliceerd zijn) slechts na zijn dood gepubliceerd werden. Die zijn hoe dan ook interessant, maar of ze ooit opgevoerd werden, weet ik niet en de auteur zegt er niets over. Daarna volgt nog een kort stukje over de lezingen, recensies edm.

Tenslotte sluit de auteur het boek af met de publicatie van een dertigtal bladzijden gedichten uit de nalatenschap, zodat ook de lezer die hier voor het eerst kennismaakt met deze figuur, een eerste indruk kan krijgen van wat zijn werk voorstelt.

Shchyhlevska promoveerde over de dichters van de Boekovina (Deutschsprachige Autoren aus der Bukowina. Die kulturelle Herkunft als bleibendes Motiv in der Identitätssuche deutschsprachiger Autoren aus der Bukowina. Peter Lang Verlag, Frankfurt/Main 2004, 2. Auflage 2009.) en was dus de aangewezen persoon om dit boek te schrijven. Hopelijk zullen er nog dergelijke monografieën volgen, want de Boekovina kent zoveel ten onrechte vergeten dichters en schrijvers. Mogelijke gegadigden kunnen hier alvast zien hoe ze dat moeten aanpakken.

Overigens, bij het Rimbaud Verlag in Aken (www.rimbaud.de ) wordt al sinds vele jaren een reeks ‘Bukowiner Literaturlandschaft’ uitgegeven, waarin de meeste van die auteurs heruitgegeven zijn met een of meerdere titels. Ook van Alfred Gong zijn er daar een stuk of zes verschenen. Het is een initiatief dat niet genoeg geprezen kan worden.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


4 × vijf =