03.08.14 – Blauwärts

| Geen reacties

Hans Magnus Enzensberger is een van de bekendste én beste dichters van het naoorlogse Duitsland. In vergelijking met sommige andere dichters heeft zijn poëzie daarenboven voor vele lezers het voordeel dat ze eenvoudig is, zelden of nooit naar het hermetische neigt, eerder parlando is en vol soms wel scherpe ironie zit.

Ook in zijn nieuwe bundel Blauwärts, ein Ausflug zu dritt (Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2013) is dat alles nog steeds het geval.

blauwartsMaar zoals de ondertitel al zegt, is het meer dan een gewone dichtbundel, het is nl. wat je een Gesamtkunstwerk zou kunnen noemen, in elk geval een samenwerking tussen drie kunstenaars: de dichter op de eerste plaats natuurlijk, maar daarnaast de tekenaar/schilder Jan Peter Tripp, die het geheel voorzien heeft van kleurtekeningen, en Justine Landat die voor de ‘Inszenierung’ tekent, d.w.z. die gezorgd heeft voor de uiterlijke uitwerking van het boek-als-geheel, die de gedichten en de tekeningen bij elkaar heeft gebracht, waarbij nu eens de gedichten in de tekening geïncorporeerd worden, dan weer beide naast elkaar staan. Het zijn géén gedichten bij tekeningen of omgekeerd, ze werden los van elkaar gemaakt, en het werk van Landat draagt dus wezenlijk bij aan de totstandkoming van het geheel.

Enzensberger is inmiddels ook al de tachtig ver voorbij en men mag dus niet verwachten dat hij zich nog zou vernieuwen in zijn poëzie. Dat hoeft ook niet. Zoals bij alle oudere dichters die blijven schrijven, zijn het variaties op oudere, maar toch ook nieuwere thema’s in de eigen aangename en vlot leesbare stijl. Zoals bij ons in het werk van de Coninck komen ook bij Enzensberger wel eens zeugma’s voor: zo is hij ‘mit einer Frau oder einer Grippe (im Bett)’. De ironie heeft niet meer zozeer het tijdsgebeuren tot aanleiding, zoals dat bij de jonge Enzensberger vaak het geval was, maar direct of indirect het eigen eindige leven. Zo in het gedicht R.I.P.:

“Ewige Ruhe, das wäre vielleicht

zuviel gesagt, aber weit und breit

ist kein Bulldozer zu hören.

Bis der letzte Buchstabe auf dem Stein

verwittert ist, hat es noch gute Weile.”

Er wordt wel meer verdwenen en uitgewist in deze bundel, soms letterlijk op de bladzijde, zo in het gedicht ‘Weniger, immer weniger’, waarin de dikte van de inkt naargelang het gedicht vordert steeds minder wordt, zodat de derde, laatste strofe nog maar net leesbaar is. Zulke experimenten met de vorm van de gedichten komen wel meer voor, en dat is wél nieuw in de gedichten van Enzensberger. Maar het kan natuurlijk ook van de vormgeefster afkomstig zijn; zo wordt de tekst van het gedicht ‘Die Dienerin’ in de vorm van een cirkel rond het centrum met de titel gezet, een gedicht als ‘Flugverkehr’ is geometrisch gezet, ahw als afbeeld van een (deel van) een vlieghaven, een beeldgedicht is gedrukt als een snellenkaart, het gedicht ‘Dämonisches Enzephalogramm’ is letterlijk gezet als een encefalogram, enz. Maar de meeste gedichten blijven klassiek, ook al maakt Enzensberger ook dan gebruik van vele verschillende technieken, van gewoon rijmloos maar ritmisch parlando tot de gewone jambische vijfvoeter (bv. in het eerder cynische ‘Ortstermin in Niederbayern’ – Enzensberger is zelf een Beier), over de strofe van vier korte verzen, zoals in het volgende gedicht dat over het inmiddels wel degelijk ontdekte zgn. ‘Godsdeeltje’ handelt:

“Sagenumwoben wie einst das Einhorn

ist das Geschöpf, das ihre Namen trägt:

das Higgs-Boson, denn so heisst es.

Ein Gottesteilchen, sagen die Spötter.

(…)

Die Detektoren fahnden nach dem Phantom,

weil es, wenn wir unsern Gewährsmann,

Professor Higgs, richtig verstanden haben,

die Welt (im Innersten) zusammenhält.”

Het laatste vers is natuurlijk een knipoog naar Faust. Enzensberger alludeert vaak, ook vroeger deed hij dat veel, maar telkens als terloops, zelden of nooit vind je letterlijke citaten. Zo zijn bv. Brecht en Sebald in deze bundel aanwezig.

In de jaren zestig en zeventig gold Enzensberger als een ‘geëngageerd’ dichter, in linkse zin. Of hij ooit links geweest is, weet ik niet, maar ik durf het betwijfelen, hij zal eerder liberaal geweest zijn in de vooruitstrevende zin die dat woord ooit had. Hoe dat ook zij, van dat engagement is niet heel veel meer overgebleven, hoewel het ook niet verdwenen is. Een gedicht ‘Architekten’ is volkomen kritisch ten opzichte van bepaalde ontwikkelingen in de architectuur, anders treedt wat men vroeger engagement noemde, eerder terloops op – zoals Enzensberger wel vaker wat hij belangrijk acht als terloops vermeldt – een man van grote militante woorden is hij zeker niet (meer). De volgend strofe klinkt door het erin verwoorde contrast bijna cynisch in z’n vaststellende machteloosheid:

“Auch als Usain Bolt beim Spurt in Berlin siegte,

ging es um Zehntelsekunden.

Heute noch scheitern die meisten

vor der Küste von Lampedusa.”

Het understatement kan inderdaad veel scherper zijn dan de militante roep.

Ik wil eindigen met het citeren van een volledig gedicht, dat niet te lang is, maar in verschillende opzichten typisch is voor de poëzie van de late Enzensberger, het heet ‘Die Seife’:

“Wie stolz sie war, wie üppig sie anfangs

geduftet hat! Durch wie viele Hände

sie gegangen ist, wie entsagungsvoll

sie gedient hat, und immer von neuem

war da der Dreck. Unbefleckt

ist sie geblieben. Klaglos

hat sie sich selber verzehrt.

So ist sie immer kleiner und kleiner

geworden, unmerklich, dünn,

beinahe durchsichtig, bis sie eines Morgens

vollkommen verschwunden war.”

Het hele gedicht is natuurlijk één metafoor, een ‘objective correlative’ in de zin van Eliot, de zeep is het leven van een mens, zoals in de baroklyriek vaak het beeld van de zeepbel gebruikt werd; bij het begin van het gedicht lijkt het net alsof de dichter het over een kind heeft, op het einde lijkt het alsof hij een stokoud vrouwtje beschrijft. Meer dan dertig jaar geleden publiceerde de dan nog jonge Enzensberger een bundel onder de titel Die Furie des Verschwindens. Dat furieuze is er volledig uit nu, het verdwijnen wordt als een onontkoombaar en daardoor ook aanvaardbaar proces beschreven in verzen van een grote nuchterheid, vanop afstand ahw.

Tripp, Landat en Enzensberger hebben van het geheel een prachtig boek gemaakt, dat niet enkel een genot is om te lezen, maar ook om naar te kijken. Het boek is zelf een kunstwerk geworden, met kunstwerken erin. Omdat het zo moeilijk kiezen is, geef ik maar geen van de vaak paginagrote afbeeldingen weer.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − drie =