02.08.14 – Sybren Polet

| Geen reacties

polet-1Van de Vijftigers zijn er nog amper drie in leven (om te bepalen wie daarbij hoorde steun ik me op het Schrijversprentenboek dat aan De Beweging van Vijftig gewijd werd): Gerrit Kouwenaar, waarover ik al een goed decennium niets meer gehoord heb, Remco Campert, die dit jaar nog een dichtbundel publiceerde, en Sybren Polet, van wie eveneens een nieuwe dichtbundel verscheen: Het aaahh & ooohh van de verbonaut (Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2014).

Wanneer je de bundel van Campert ernaast legt, blijkt hoe reuzengroot de verschillen zijn. Uiteraard waren die verschillen er al toen ze nog min of meer als groep optraden. Maar die groepsvorming was duidelijk negatief, gericht tegen een in hun ogen oubollige poëzie: “er is een lyriek die wij afschaffen”. Al na enkele jaren gingen ze allen hun eigen richting uit en werd het individuele poëticale schrijfproces belangrijker dan de groepsvorming. Zoals het altijd gaat.

Polet is van de Vijftigers altijd een van de moeilijkste dichters geweest, maar op een heel andere manier dan bv. Lucebert. Hij heeft nl. de neiging om zoveel mogelijk disparate elementen in zijn poëzie binnen te halen, de hele werkelijkheid als het ware, en die elementen dan te laten vonken en botsen als in een natuurkundig experiment (de Vijftigers werden ook ‘experimentelen’ genoemd). Voor sommige recensenten is dat in het verleden wel eens irritant geweest, misschien omdat ze te lui waren om zich in die poëzie te verdiepen, maar Polet is zichzelf gebleven en heeft gewoon op zijn eigen manier doorgewerkt.

Zo ook in deze omvangrijke bundel.

Polet is ondertussen al negentig, en misschien dat de bundel daarom soms als een afscheid klinkt, zelfs in de ondertitel, ‘Achtergelaten gedichten’, maar vooral in de halve cirkelstructuur: het eerste en het laatste gedicht van de bundel zijn op enkele verzen na immers aan elkaar gelijk. Het eerste gedicht, ‘De neuronaut als verbonaut’ eindigt als volgt:

“En oh, daar gaat hij,

                                        de neuronaut als verbonaut.

Voor u allen een aai en een armzwaai.

Hij die talen gaat, groet u!”

Het is natuurlijk vooreerst een uitnodiging om de dichtbundel binnen te treden en te gaan lezen (‘talen’, dat hier ook voor schrijven staat). Maar het voorlaatste vers klinkt eerder als een afscheid, terwijl ook dat laatste impliciet verwijst naar het bekende ‘morituri te salutant’. De laatste drie verzen van het slotgedicht, dat betekenisvol ‘Het adieu van de verbonaut’ heet, luiden:

“En oh, daar vertrekt hij dan, onze verbonaut,

niet met een zucht, maar met een uitlaatknal.

Voor u allen een aai en een laatste armzwaai.”

Ook dit kan natuurlijk een afscheid aan de lezer van de bundel zijn, en niet meer. Daarom had ik het over een halfcirkelvormige structuur, je weet immers niet of dat laatste gedicht enkel slaat op de voorbije bundel, of op meer, dat dan in de toekomst ligt, en waar de bundel zelf wel van uit lijkt te gaan.

Tussen deze twee gedichten wordt in 13 afdelingen een verbazingwekkende wereld opgeroepen, die je bijna met een ruimtereis zou kunnen vergelijken, een ruimtereis in taal dan. Vijf van die afdelingen dragen de titel ‘taalschappen’, twee ‘kenningen’ en de overige hebben geen titel (de afzonderlijke gedichten wel).

De afdeling ‘kenningen’ bevat meestal poëticale gedichten, waarin Polet inderdaad probeert te omschrijven (de betekenis van kenning) wat hij met zijn poëzie beoogt: “Poëzie: betekenissen uitlokken.”, stelt hij, en een gedicht verder vergelijkt hij de kenningen met de koans uit het zenboeddhisme. En elders: “Het is als meevibreren met een lier zonder snaren.” Als er al een eenheid te zoeken is in deze twee reeksen, dan is het inderdaad nog steeds het experimentele uitgangspunt: van de ‘beginnende denking’ gaat hij naar het ‘verwoorden’, en in dat gedicht heet het: “Verwoorden is als het toeval begraven/onder zijn vele mogelijkheden.//Zoekwoorden.//Echte raadsels vergroten zichzelf./Zelfzoekwoorden.//De impliciete orde, die van de chaosmos.”

In de andere cycli spelen vooral ruimte en tijd een rol, maar tijd iets minder. De hele bundel wemelt van de termen die ontleend zijn aan de astrofysica of daarmee in verband kunnen worden gebracht. ‘Faseruimte’ heet een gedicht, of ‘Lachgas der hogere sferen’, of nog: ‘Ruimtedeur’. Maar al die elementen worden steeds gecombineerd met elementen uit andere, meer lichamelijke of alledaagse sferen, of ook met zaken uit de geneeskunde: zo komen in de titel van een gedicht ‘vortex’ en ‘solar plexus’ samen voor. Maar wat steeds weer terugkeert is het opgaan, het verdwijnen in een niet nader omschreven ruimte; dat doet mij vaak aan het brahmanisme denken, en het opgaan in de ‘alziel’, in het gedicht ‘Wolk’ bv.:

“En opgaan, algeheel opgaan

                                                 in die alomvattende Wolk –

en drijven, verder drijven,

volledig tevreden,

                            als wolk in een Wolk.”

Dit verwijst natuurlijk naar het mystieke geschrift The cloud of unknowing, zoals de auteur zelf zegt in een nota achteraan de bundel. Dat is geen toeval, want dat opgaan en verdwijnen van het ik, dat voortdurend terugkomt, het doen verdwijnen of stilstaan van de tijd ook, vind je bij uitstek terug bij mystici. Wanneer daarbij dan allerlei elementen, die ogenschijnlijk niets met elkaar te doen hebben, toch met elkaar in verband worden gebracht, krijg je wat zowel in de mystiek als in de literatuurwetenschap (over de barokperiode vooral, maar ook het surrealisme – zie Hocke) concordia discors of discordia concors genoemd wordt. De dichter lijkt te suggereren dat in zulke tijden (als de onze) een soort nieuwe ‘cambriumexplosie’ plaatsvindt, dat allerlei nieuwe vormen van leven kan doen ontstaan, in het licht waarvan de mens van nu maar een nietig ding is, dat wellicht verdwijnen zal. De dichter betreurt dat niet, want zijn bundel is eigenlijk door en door positief: zoals de dichter open staat voor alle mogelijke taalexperimenten, zo aanvaardt hij blijkbaar ook alle nieuwigheden die de wetenschappen op ons af laten komen.

Het is een rijke, maar ook een moeilijke bundel, waarbij elk gedicht wel vragen oproept en in z’n geheel geanalyseerd zou moeten worden om er alles uit te halen. Het verdwijnen van de mens bv. kan ook in Nietzscheaanse zin geduid worden, alleen blijft het ook dan vaag wat er in de plaats komt van de huidige mens.

Hoe dat ook zij, Polet bevestigt met deze bundel dat hij inderdaad een heel unieke, zij het moeilijk toegankelijke plaats inneemt, zowel onder de Vijfigers, als onder de hedendaagse poëzie tout court. Ik wil deze bespreking – die er eigenlijk amper een is, want de bundel is te rijk – eindigen met nog een citaat, dat duidelijker is dan vele abstractere strofen:

“Maar stil, verstil, want weldra

                                         heb je weer alle tijd van de wereld,

waarin alleen het antitikken

                                           van een stilstaande klok is te horen.

En net als de kwantummens

zul je weer op meerdere plaatsen tegelijk zijn

                                                                                 en

– misschien zonder jezelf – overal.”

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × twee =