30.07.14 – Paul-Gustave van Hecke

| Geen reacties

Mensen zoals ik die nog bij Weisgerber en Hadermann gestudeerd hebben, zal de naam van Paul-Gustave (Gust) van Hecke wellicht nog iets zeggen, maar meer dan de titel van zijn bekendste essay, ‘Fashion’ zal bij hen ook wel niet opkomen. En of ze het gelezen zullen hebben?

Verwonderlijk is dat niet. Van Hecke is immers op geen enkele manier een ‘groot’ schrijver, en je kunt je zelfs wel afvragen of hij zo ‘belangrijk’ was als zijn biograaf Manu van der Aa wil doen geloven. En hij heeft overigens in het Nederlands maar twee boekuitgaafjes op zijn naam staan, het reeds vernoemde essay en een boekje met toneel.

van-heckeDat alles belet niet dat het een goede zaak is dat het volledige Nederlandstalige werk van van Hecke (op de bijdragen in dagbladen na) door van der Aa verzameld werd en uitgegeven, waarschijnlijk met het oog op die nog te verschijnen biografie: Paul-Gustave van Hecke: Fashion en andere dada’s, verzameld Nederlandstalig werk 1907-1921, ASP/Letterenhuis, Antwerpen, 2013.

Het éne Nederlandstalige gedicht kan mijns inziens vergeten worden, evenals de eenakters, ook al werden die bij verschijnen en opvoering positief besproken en gewaardeerd. Misschien dat ze bij een opvoering beter tot hun recht komen, maar zelfs dat betwijfel ik, want de tekst ervan lijkt me zo banaal dat zelfs de beste regisseur er maar weinig uit zou kunnen halen, vrees ik.

Interessanter zijn de kritieken en het proza, maar ook die vooral voor literatuur-historici, die gespecialiseerd zijn in het modernisme. Zo was van Hecke de eerste die in Vlaanderen aandacht vroeg voor het dadaïsme, en waarschijnlijk ook een van de eersten om Prousts A la recherche du temps perdu, waarvan hij het toen pas verschenen tweede deel bespreekt, op waarde te schatten. Dat op zichzelf was in het katholieke Vlaanderen van die tijd natuurlijk al heel wat. Zijn proza vertoont een opmerkelijke evolutie: zoals de samensteller in zijn overzichtelijke nawoord al stelt, begint hij als prozaïst met een langer verhaal, dat tot het socialistisch realisme gerekend kan worden, nl. ‘Opgang’ en met een aantal kortere schetsen. Opvallend is daarbij de taal, en die maakt de lectuur ervan ook onverteerbaar voor de doorsneelezer van vandaag, zelfs voor hen die wel degelijk in literatuur geïnteresseerd zijn. Het is de ‘écriture artiste’ van sommige tachtigers en hun Vlaamse navolgers: heel veel tegenwoordige deelwoorden, ongebruikelijke samenstellingen, van bijvoeglijke naamwoorden, zelfstandige naamwoorden en zelfs van voorzetsels afgeleide werkwoorden, en een zinsbouw waarin de woordvolgorde vaak helemaal tegengesteld is aan die van vandaag (vooral wat de plaats van de verschillende zinsdelen betreft – zo wordt het werkwoord meestal voor alle bepalingen gezet). Dat maakt de lectuur inderdaad vermoeiend. Maar het moet gezegd dat van Hecke in de loop van zijn ontwikkeling daar langzaam afstand van neemt, zonder die wijze van schrijven echter ooit helemaal te verlaten.

In een bondig maar grondig nawoord overloopt de samensteller de ontwikkeling van van Hecke, vooral aan de hand van de tijdschriften waaraan hij leiding gaf of meewerkte, en het boek eindigt met een bondig apparaat, waarin de herkomst van de bijdragen vermeld wordt, en mogelijke varianten worden weergegeven. Dat zijn er niet veel, bij gebrek aan handschriften of herdrukken, dus ook dit apparaat is noodzakelijkerwijze beknopt.

Ook al is dit werk enkel nog literair-historisch van enig belang, toch is het een goed initiatief ook aan mindere schrijvers door middel van dit soort publicaties aandacht te schenken.

Na dit vroege werk, en na de eerste wereldoorlog heeft van Hecke quasi enkel nog in het Frans gepubliceerd. Eigenlijk niet verwonderlijk in het Vlaanderen van toen. Maar of het in dat van vandaag zoveel beter is?

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


6 − 3 =