09.07.14 – Les rites de passage

| Geen reacties

Wanneer je bovenstaande titel in google intikt, zul je waarschijnlijk (ik heb het niet geprobeerd) op de eerste plaats verwezen worden naar een boek van Arnold van Gennep met die titel. Dat boek dateert nog van voor de eerste wereldoorlog, maar wordt nog steeds herdrukt, en is nog steeds een van de belangrijkste basiswerken over het onderwerp.

Niet dat er sindsdien over dat onderwerp niets meer geschreven zou zijn. Maar blijkbaar blijft iedereen steeds weer op van Gennep steunen.

les-rites-de-passage-de-jacques-fontaineHet recentste boek over het onderwerp (Jacques Fontaine: Les Rites de passage, des Dogons aux Francs-maçons, L’Harmattan, Paris, 2013) doet dat ook, maar wijkt er ook heel sterk van af. Bijvoorbeeld door voorbeelden te kiezen waar in de tijd van Van Gennep nog geen sprake van was, maar vooral door een heel eigen systematiek over het onderwerp uit te werken.

Het boekje is niet dik en telt slechts zes hoofdstukken, waarin het probleem steeds dichter benaderd wordt om in het laatste hoofdstuk te komen tot wat Fontaine als de kern van àlle overgangsriten beschouwt, die elementen dus die werkelijk constituerend ervoor zijn. Naast Van Gennep (waar hij eigenlijk weinig expliciet naar verwijst en waarvan hij voornamelijk de driedeling van de overgangsriten overneemt) steunt hij zich daarbij vooral op het structuralisme van Claude Lévy-Strauss, het mythe- en godsdienstonderzoek van Mircea Eliade en de psychoanalyse.

In het eerste hoofdstuk bakent hij enkel het terrein af, en komt hij ertoe enkel die overgangsriten voor onderzoek te weerhouden die ofwel te maken hebben met riten rond puberteit ofwel met inwijdingen in geheime e.a. dergelijke genootschappen (voor de hand liggend voorbeeld is hier de vrijmetselarij – Fontaine is zelf vrijmetselaar en heeft daar heel wat over gepubliceerd).

In het tweede hoofdstuk heeft hij al een eigen inbreng door de manier waarop die riten benaderd kunnen worden (en in de praktijk ook benaderd worden) in vier categorieën onder te brengen: de eerste noemt hij ‘lectuur’ en die komt overeen met de strikt individuele benadering: iedereen ondergaat en interpreteert een dergelijke rite op een persoonlijke wijze. De tweede noemt hij ‘cultuur’ en het woord zegt het al: het individuele wordt hier in een bredere, sociale context geplaatst. Daarop volgt de ‘structuur’, en dit is een eerste poging om elementen te onderzoeken die aan alle riten uit alle tijden en alle windstreken gemeenschappelijk zouden zijn. Die plaatst hij dan in zijn laatste categorie, ‘natuur’, en hierin analyseert hij de dieper liggende psychische en sociaalpsychische (Jung) processen die aan al de rest ten grondslag liggen en waaruit de concrete verschijningsvormen van de riten te voorschijn komen.

In het volgend hoofdstuk onderzoekt hij dan het voorkomen van niet minder dan 46 mythemen (een woord dat afkomstig is van Lévy-Strauss en een onveranderlijke kern van een mythe aanduidt) in de verschillende riten. Van die mythemen houdt hij er elf over, die voorkomen in de door hem weerhouden riten. Hier is Fontaine niet enkel origineel, maar ook zeer interessant, doordat hij zijn riten op een zeer doordachte maar ook verrassende wijze weet te kiezen: van de puberteitsriten (waar van Gennep al zeer sterk de nadruk op legde) tot twee maçonnieke riten, maar daartussenin vinden we bv. ook een inwijdingsrite in een maffiagroep en een viertal albums van Kuifje (Tintin), waarin op een zeer duidelijke wijze inwijdingsriten beschreven worden (o.a. De Zonnetempel). In het volgende hoofdstuk worden dan zes inwijdingsriten nader in detail beschreven aan de hand van de overgebleven, dit zijn de meest voorkomende mythemen.

In zijn voorlaatste hoofdstuk gaat hij dan dieper in op het laatste van zijn vier niveaus, dat hij ‘natuur’ noemde. In dit hoofdstuk gaat hij duidelijk en bewust de psychoanalytische toer op. En ondanks het feit dat ik de psychoanalyse niet verwerp, integendeel zelfs, heb ik met dit hoofdstuk toch het meeste moeite. Als psychoanalyse wordt toegepast op literatuur of op sociale en maatschappelijke instellingen of gebeurtenissen, kan dat altijd en zelfs vaak aanleiding geven tot allerhande speculaties in het ijle, dwz speculaties waarvan niet wordt aangetoond dat ze inderdaad een grond hebben in de werkelijkheid. Er wordt ahw een psychoanalytische theorie, of een deel ervan op een gebeurtenis geplakt zonder dat de band tussen beide ook effectief wordt aangetoond. Mijns inziens gebeurt dat hier. Dat riten rond de puberteit inderdaad te maken hebben met seksualiteit en vaderzoonverhoudingen, daar kan ik zonder veel problemen inkomen, maar dat datzelfde ook het geval zou zijn voor inwijdingsriten zoals die in de vrijmetselarij plaatsvinden, daar heb ik toch wel wat moeite mee.

In het laatste hoofdstuk vat hij dan het voorkomen van de elf weerhouden mythemen samen en legt uit hoe zij een in de menselijke natuur gewortelde structuur vormen. In dit hoofdstuk heb ik nog een detailkritiek (maar niet onbelangrijk): hij maakt een onderscheid tussen de doodsdrift van Freud en de regressio ad uterum van Eliade. “Or, avant la naissance, ce n’est pas la mort; ” zegt hij, “c’est le néant.” Dit is natuurlijk spelen op woorden, want ook de periode van doodzijn is niets anders dan hetzelfde ‘néant’. De twee stilten, waar Bloem het over had. Hierna komt hij dan tot wat hij een ‘scenario type’ noemt van de overgangsriten; daarbij laat hij nog twee mythemen vallen om er dus enkel negen over te houden (de 9 is een belangrijk getal in de derde graad van de vrijmetselarij; zou dat daar iets mee te maken kunnen hebben? ), die dan ook zeer sterk met elkaar verbonden zijn.

Het boek eindigt met een zeer korte basisbibliografie.

Enkele kleine opmerkingen terzijde gelaten, heeft Fontaine een mooi boek geschreven, zeer overzichtelijk en gestructureerd, pedagogisch ook, en voor iedereen die zich voor deze zaken interesseert hoe dan ook een aanrader. Wel vraag ik mij af in hoeverre het systeem dat hij construeert (want het is een echt systeem) inderdaad constituerend is voor àlle riten. Maar op die vraag kunnen natuurlijk enkel de vakmensen zelf antwoorden – en die zullen het, zoals steeds, wel ontzettend oneens zijn.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × 5 =