01.07.14 – Hamelink

| Geen reacties

Jacques Hamelink heeft als dichter een lang en kronkelend parcours afgelegd, waarbij het wel een tijdje geduurd heeft vooraleer hij tot een eigen stijl gekomen is.

Zijn eerste bundels, uit de jaren zestig, stonden nog helemaal in het teken van het door de Vijftigers in de Nederlandse literatuur geïntroduceerde experiment. Daarna bleek hij Paul Celan ontdekt te hebben, en enkele bundels lang toonde hij zich in vele gedichten niet enkel een adept, maar gewoon een epigoon van de belangrijkste Duitse dichter van na de laatste oorlog. Dat epigonisme toonde zich overigens ook in zijn dichterlijk proza, maar daar was Michaux de ontdekking. Proza heeft Hamelink overigens inmiddels helemaal laten varen, hij schrijft reeds lang enkel nog poëzie. In enkele bundels daarna leek het of hij de parlandotoer op zou gaan, in epigrammatische gedichten, die toch ook al een glimp lieten zien van de ontwikkeling die Hamelink zou maken tot de dichter die hij nu is. Vermoedelijk is hij die weg definitief ingeslagen met de uitvoerige bundel Sacrale komedie en de verschillende bundels die verschenen onder het pseudoniem A.D.

Van dan af kun je zeggen dat Hamelink zijn eigen vorm, zijn eigen zegging en zijn eigen onderwerpen gevonden heeft. Opvallend daarbij is dat hij in zijn poëzie grote delen van de wereld en vele culturen incorporeert: de Islam, China, de Provence, een niet met Duitsland samenvallend Germania. Vaak waren dat omvangrijke bundels, waarin de dichter allerlei elementen met elkaar in verband bracht en soms ook de actualiteit niet schuwde, zo ging de eerste afdeling van de ‘provençaalse’ bundel De dame van de Tapisserie over niet minder dan de Balkanoorlog van de jaren negentig.

omslag-hamelinkIn zijn recentste bundel, Vigerende oudelandse grond (Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2013) keert Hamelink van zijn verre reizen terug naar zijn roots, Zeeuws-Vlaanderen, waar hij in 1939 geboren werd. Ook in vorige bundels had dat land van oorsprong trouwens al een rol gespeeld, vanaf het begin al, maar dan eerder sporadisch dan systematisch.

In drie afdelingen en een ‘aangehangen hof’ wordt de leefwereld geëvoceerd waarin de dichter opgegroeid is. Sentiment komt daarbij niet voor, en nostalgie naar een verloren, ‘betere’ tijd al evenmin. De dichter is wel betrokken, maar hij blijft terzelfdertijd op een grote afstand, ook al gebruikt hij soms de ik-vorm. In bepaalde onderafdelingen zijn betrokkenheid én afstand zo sterk met elkaar vergroeid dat je universele poëzie krijgt, die alle ruimte en alle tijd overstijgt: bv. in de korte cyclus van erotische liefdesgedichten ‘Zoet lief’, die zowel betrekking kan hebben op een lief uit zijn jeugd als op zijn huidige vrouwlief. Maar die cyclus is een uitzondering binnen deze bundel.

Het meest in het oog springend is de derde afdeling, die grotendeels gewijd is aan de grote watersnoodramp die o.a. Zeeland trof in 1953-54. Het eerste gedicht van deze afdeling geeft een goede indruk van de manier van schrijven van Hamelink, met name de afstand en de betrokkenheid bij zijn onderwerp:

“Astronomisch-meteorologische configuratie
Maan en zon saam jutten hare majesteit
de grote moeder op, dat zij baren zou
springtij; zogen haar tegen de zeewering
van West-Europa hoog. En de geplaagde over
vloog een sneeuwpijl van over Schotland
de orkaan, de volte van de Noordatlantische
Oceaan de engte van de randzee indrijvend
recht op het zuidwestelijk eilandenrijk
Zuid-Holland West-Brabant Zeeland en het
van ons hogergewaande Zeeuws-Vlaanderen aan.”

Waarna de hele ramp en zijn gevolgen geschetst wordt. Daarbij roept de dichter personen op waarvan je mag denken dat ze ook werkelijk bestaan hebben, zeker zijn twee ooms, maar ook bv. juffrouw Anthonissen, houtzagerij van de Voorde e.a.m. Ook hier hebben we dus weer die persoonlijke betrokkenheid, maar terzelfdertijd een grote afstand. De dichter legt immers nergens uit om wie het gaat, maar slaagt er wel in het persoonlijke op een hoger plan te brengen en de gebeurtenissen universeel te maken. Dat doet hij overigens ook door in een andere afdeling op overstromingen van de Vltava (Moldau) in Praag in te gaan; het spreekt vanzelf dat die twee cycli niet toevallig bij elkaar in één bundel staan: natuurrampen zijn immers universeel, zoals de poëzie, ook als daar het lot, of een anekdote betreffende individuele personen in wordt opgeroepen.

Ik heb al enkele keren gewezen op de stijl die Hamelink uiteindelijk gevonden heeft, die de zijne geworden is. Die uit zich voornamelijk in de zinsbouw en in de rijke, zeg maar barokke woordenschat.

In deze bundel valt het eigenlijk nog mee – misschien omdat ook in deze Hamelink op zijn stappen terugkeert? – maar in vorige bundels waren zijn zinnen vaak zo lang dat zij het gehele gedicht omspanden. Daarbij maakt de dichter ook vaak gebruik van inversies, en van inversies in inversies; dat alles zorgt er natuurlijk voor dat de lectuur van deze poëzie niet eenvoudig is, maar een reële inspanning vergt van de lezer. Dit zijn geen versjes. Daar komt dan nog een zoals gezegd rijke woordenschat bij, die vele registers gebruikt. De titel alleen al van de aan de watersnood gewijde afdeling, ‘Tempeste van vlode’, doet sterk Middelnederlands aan, en ook elders maakt Hamelink gebruik van Middelnederlandse woorden; soms doet hij dat om te alluderen op bestaande gedichten uit die tijd, maar omdat hij nooit met letterlijke citaten werkt, is het moeilijk om dat in elk specifiek geval uit te maken.

Veel meer maakt Hamelink gebruik van samenstellingen, éen van de beide manieren in het Nederlands om nieuwe woorden te vormen (de andere manier is de afleiding, maar daar maakt Hamelink minder gebruik van). Een kras voorbeeld vinden we bv. in de volgende verzen uit het tweede gedicht van de cyclus ‘Sinfonietta domestica’:

“In de kroeg, vlakbij, blijft de internethongerintensiteit
van de Duitser die de willig eigenvleesaanbieder opvrat
het afgekloven grapbot van de dag, dezer dagen.” (Ik cursiveer)

Ik zou zo nog vele, vele voorbeelden kunnen geven, want in bijna elk gedacht vind je wel voorbeelden daarvan. Overigens blijkt uit dit voorbeeld ook hoe Hamelink anekdotes uit de actualiteit in zijn poëzie binnenbrengt en integreert.

Het is duidelijk dat Hamelink als dichter een barokke maniërist is. In de Nederlandse kritiek zijn beide woorden scheldwoorden, maar dat komt natuurlijk omdat critici nu eenmaal niet verder kijken dan hun domme neus lang is, en al van hermetisme beginnen te spreken als in een gedicht één enkel woord voorkomt dat zij niet kennen. Alsof er geen woordenboeken bestonden. Vooral het toepassen van het discordia concors (in dit geval op de eerste plaats de afstandelijke betrokkenheid) wijst op het barokke element, samen natuurlijk met de taalrijkdom. Maniëristisch in de zin van Zymner is het benadrukken van het kunst-matige van de tekst, alsof de dichter uitdrukkelijk zeggen wil: ‘Zie, dit is kunst’, en daarop dan een antwoord verwacht van de lezer. Maar het maniërisme is natuurlijk ook een stijlelement van de barok (zie Hocke).

Dat  alles maakt Hamelink tot een van de boeiendste dichters in de hedendaagse Nederlandse poëzie.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


3 × twee =