23.06.14 – Antoine Bloyé

| Geen reacties

BloyéNee, dat is niet de naam van een onbekende auteur, maar de titel van de eerste roman van Paul Nizan, die in de Nederlanden wel even onbekend zal zijn – tenslotte was hij communist én Fransman, hetgeen in Vlaanderen genoeg was (en is?) om naar de hel verwezen te worden.

Antoine Bloyé (er bestaan vele uitgaven van) was het romandebuut (1933) van de jonge Franse intellectueel, jeugdvriend van Sartre, Paul Nizan, die van dezelfde lichting was in de Ecole Normale (Rue D’Ulm); ook Aron hoorde daar trouwens bij; beiden waren getuigen bij het huwelijk van Nizan.

In deze roman vertelt Nizan het leven van zijn vader, die hij beschrijft als iemand die zich vanuit de arbeidersklasse omhoog werkt tot wat in het Engelse jargon (een Nederlands of Frans equivalent daarvan ken ik niet) de higher middle class genoemd wordt; die maatschappelijke opgang vindt plaats binnen de Franse spoorwegen, waar ook Nizans vader inderdaad z’n hele leven gewerkt heeft. Daarmee is het boek eigenlijk zo goed als samengevat, want de kracht ervan, ook nu nog, zit ‘m vooral in de stijl en in de manier van vertellen.

Sommigen hebben gesteld dat deze roman een Frans voorbeeld zou zijn van het zgn. ‘socialistisch realisme’. Nu is het natuurlijk moeilijk omgaan met dergelijke termen, omdat zij zowel heel breed als heel smal geïnterpreteerd kunnen worden. In één enkel zinnetje van het boek wordt inderdaad op een zeer droge manier gesteld dat Bloyé een klasseverrader is, en twee maal wordt gesuggereerd dat hij wellicht een rijker leven gehad zou kunnen hebben als hij bij zijn klasse gebleven was. Dat wordt als gedachte van de hoofdpersoon – zeer vluchtige gedachten – voorgesteld, het komt niet uit de mond van de verteller. Dat is dus uiteraard niet voldoende om van socialistisch realisme te spreken, temeer daar die verteller eigenlijk amper zelf tussenkomt in het verhaal, integendeel zelfs: hij blijft voortdurend op een koele afstand, alsof hij bang zou zijn zijn figuur te dicht te naderen. Het is dus wel de alleswetende verteller uit de klassieke roman, maar een die met zoveel afstand schrijft, dat de indruk van een toch zeer sterke betrokkenheid bij het verhaalde steeds aanwezig blijft. De verteller houdt zich als het ware in.

Een tweede reden om van socialistisch realisme te spreken is het feit dat de verteller zijn verhaal inbedt in maatschappelijke evoluties, we hebben dus geenszins te maken met een psychologische roman, waarin de zieleroerselen van de protagonist tot op het bot worden ontleed. Voldoende om duidelijk te maken wat hij zeggen wil, maar niet zoveel dat het meer op sociologie begint te lijken, last de auteur soms korte passages in waarin de industriële evolutie van Frankrijk op het einde van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw geschetst wordt, met name uiteraard wat de rol van de spoorwegen betreft.  Zodoende weet hij het leven van zijn hoofdpersoon te kaderen in een veel breder verband, maar steeds zonder de individualiteit ervan los te laten. Wel is het zo dat hij suggereert dat Bloyé eigenlijk nooit een keuze heeft gehad, maar dat hij in de levensweg die hij gevolgd heeft, geduwd werd door zijn omgeving en door de tijdsomstandigheden. Individuen zijn uiteindelijk niet vrij, zo lijkt de auteur te suggereren, zij worden gemaakt door de maatschappij waarin zij leven. Deze kadering wordt nog versterkt door het feit dat de auteur vaak algemeen gaat schrijven, dat hij de hij-vorm verlaat om over te gaan tot algemenere begrippen als ‘on’, ‘les hommes’ enz. Het leven van het individu wordt zodoende, voor wat het wezenlijke betreft, gelijkgesteld  met dat van alle mensen en er hiermee wordt een grote objectiviteit van het verhaal bereikt.

Op een bepaald ogenblik maakt Bloyé een (overigens kleine) fout, en dat heeft tot gevolg dat hij overgeplaatst wordt. Een maatschappelijke neergang – zoals je bv. in een naturalistische roman à la Zola zou verwachten – heeft dat niet tot gevolg, maar wel dat de hoofdfiguur zich vragen begint te stellen. Antwoorden vindt hij echter niet, hij wordt enkel ziek en sterft uiteindelijk. Het eerste hoofdstuk van het boek beschrijft trouwens de begrafenis, al de rest is een terugblik. Maupassant heeft ooit een boek geschreven dat eenvoudigweg Une Vie heette, en dat van een oneindige droefheid was. Ik heb daar snel aan moeten denken toen ik deze eersteling van Nizan las, alleen heb ik de indruk dat deze laatste afstandelijker blijft. Maar ook hier: illusieloosheid over het leven, waarvan gesuggereerd wordt (Nizan suggereert veel, maar spreekt weinig zaken direct uit) dat het uiteindelijk zinloos is. In een socialistisch realistische roman zou op zo’n ogenblik de verteller veel duidelijker tussenkomen om ‘oplossingen’ aan te bieden aan de lezer. Niet zo Nizan, gelukkig maar.

nizan

Nizan was al zes jaar lang lid van de PCF toen hij deze eerste roman publiceerde; daarvoor had hij al enkele pamfletten en vele artikels gepubliceerd. Of die illusieloosheid een eigenschap geweest is van de schrijver zelf  is best mogelijk. Zijn een jaar eerder verschenen pamflet Aden Arabie begint immers met de gevleugeld geworden en door eenieder ontelbare malen gelezen zinnen: “J’avais vingt ans. Je ne laisserai personne dire que c’est le plus bel âge de la vie.” Dat kan wel tellen natuurlijk, en je kunt je afvragen hoeveel illusies Nizan koesterde, met name over de PCF, waar hij tenslotte meer dan tien jaar lid van was, ook als vrijgestelde. En bijna al zijn overigens vaak uitstekende en nog steeds leesbare bijdragen, zowel over politiek als over (vooral) literatuur, zijn omzeggens allemaal in communistische bladen verschenen. Later werden die trouwens gedeeltelijk verzameld en heruitgegeven.

Na het nog steeds leesbare, want universele Antoine Bloyé publiceerde Nizan nog twee roman, Le Cheval de Troie en La Conspiration, die beide van dezelfde hoge kwaliteit zijn. En ook zijn verslag Chronique de septembre over het verdrag van München, waar Tsjechoslowakije verdeeld werd en de tweede wereldoorlog voorbereid, is nog steeds een van de beste boeken daarover – ook al is het amper bekend.

In 1939, n.a.v. het verdrag tussen Molotow en Ribbentrop gaf Nizan zijn ontslag bij de PCF; ten onrechte als je ’t mij vraagt, want ondanks het cynisme ervan blijft dat een geniale zet van de toenmalige Sovjet-Unie. Voor Maurice Thorez – leider van de PCF – was dat aanleiding om Nizan te beschuldigen een ‘indicateur de police’ te zijn; hij werd daarin gevolgd door de communistische dichter Aragon en de communistische filosoof  Henri Lefevbre. Het zegt alles over de perfidie van die mensen dat ze daarbij o.a. gebruik maakten van de roman Antoine Bloyé, waarin de hoofdpersoon immers als een ‘verrader’ werd afgeschilderd. Waarbij ze uiteraard ‘vergaten’ dat dit in een totaal andere context gebeurde en dat het niet eens het hoofdthema was van de roman – ternauwernood een motief.

Nizan raakte vergeten, maar zijn jeugdvriend Sartre vergat hem niet. In 1960 verscheen een herdruk van Aden Arabie met een van die woorden vooraf waarin Sartre zo uitblonk, en waarvan de tekst bijna zo lang was als die van Nizan zelf. Dat heeft uiteraard voor een hausse gezorgd, en sindsdien worden de werken van Nizan steeds herdrukt en bestudeerd. Terecht.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


19 − vijftien =