22.06.14 – Erich Mühsam

| Geen reacties

dagboekSinds enkele jaren is het Berlijnse Verbrecher Verlag (schitterende naam overigens) bezig met de uitgave van de dagboeken van Erich Mühsam – à rato van twee delen per jaar. Het einde van de publicatie is voorzien voor 2018 of 2019. In tegenstelling tot de uitgevers van het Volledig Werk van Hermans ten onzent volgen zij hun programma strikt, zodat die datum wel zal kloppen. Inmiddels zijn overigens al zes delen verschenen.

En ook als boek zijn ze fraai uitgegeven: in zwart linnen gebonden met rode betiteling, en een leeslint. Mühsam is hier wellicht niet erg bekend. Of hij ooit in het Nederlands werd vertaald, weet ik niet. Politieke brochures misschien, bij obscure anarchistische uitgeverijtjes. Maar in Duitsland is hij uiteraard wel bekend, op de eerste plaats als politieke figuur, éen van de kopstukken van de Radenrepubliek in München in 1918 en 1919. Hij was een tijdgenoot van de expressionisten, publiceerde bij tijd en wijle ook in hun bladen, maar kan toch tot geen enkele groep gerekend worden, daar was hij veel te individualistisch voor. Dichter, toneelschrijver, pamflettair, journalist, uitgever van tijdschriften die hij zelf volschreef (‘Kain’, ‘Fanal’), en een van de bekendste leden van de Münchense bohème van voor de eerste wereldoorlog.

Zijn dagboeken zijn zeer vlot en boeiend geschreven en schetsen een uitstekend beeld van de cafécultuur die ook in München sterk vertegenwoordigd was in die tijd – niet enkel in Berlijn en Wenen. Je komt er de meeste bekende schrijvers, acteurs en actrices van die tijd in tegen, en je kunt de discussies die toen plaatsvonden in de artistieke milieu’s haast op de voet volgen. Zeker in de eerste delen van de dagboeken, waarin het persoonlijke en het maatschappelijke voortdurend met elkaar vermengd zijn.

In het pas verschenen deel 6 is dat enigszins anders. Dit deel dekt grotendeels het jaar 1919, en dat jaar heeft Mühsam helemaal doorgebracht in verschillende gevangenissen, nadat hij even voor de val van de Radenrepubliek al was aangehouden en opgesloten. Dat is trouwens zijn geluk geweest, want het heeft zijn leven gered. Op vrije voeten gebleven zou hij zeker zijn afgemaakt door de soldateska, zoals zijn vriend en medestander Gustav Landauer. De dagboeken uit de laatste jaren van de oorlog zijn verloren gegaan, waarschijnlijk vernietigd door diezelfde soldateska bij een huiszoeking in zijn woning. Van de discussies binnen die Radenrepubliek vernemen we dus niets rechtstreeks – hetgeen zonder meer jammer is. Maar wel kijkt hij in dit zesde deel uiteraard veel terug om te zien wat er fout is gelopen, zodoende vernemen we achteraf toch nog iets daarover. Maar een nieuw beeld levert dat niet op, het bevestigt enkel de diepe verdeeldheid onder de revolutionairen, en ook de onkunde en het overtrokken idealisme van sommigen (Mühsam incluis, die altijd pacifist gebleven is, wat in bepaalde situaties natuurlijk neerkomt op zelfmoord). Dingen die we uit de geschiedenisboeken daarover dus al wel wisten.

Het spreekt vanzelf dat het persoonlijke aspect in dit deel veel minder is en zich beperkt tot het beschrijven van de pesterijen vanwege de overheid, de juridische stappen daartegen, het samenleven met andere politieke gevangenen, maar soms ook met gevangenen van gemeen recht. Hierbij komt één van de kwalen van bepaalde anarchisten goed tot uiting: hun samenwerking met en zelfs vertrouwen in gedeclasseerde elementen, die in marxistisch jargon het ‘lumpenproletariaat’ genoemd worden. Tijdens dit eerste jaar van zijn gevangenschap is Mühsam weliswaar lid geworden van de KPD, wat hij omstandig verantwoordt, vooral met een beroep op de noodzakelijke eenheid onder de arbeidersklasse, maar dit lidmaatschap heeft welgeteld 6 weken geduurd, dan heeft hij zijn ontslag weer gegeven. Volkomen begrijpelijk uiteraard, want iemand die zo links en individualistisch en antiautoritair denkt als Mühsam kan zich in een gehiërarchiseerde, gedisciplineerde partij als de KPD niet thuisvoelen – ook al waren we toen nog jaren verwijderd van de latere zgn. ‘bolschewisering’ van die partij. De ‘bête noire’ van Mühsam is de sociaal-democratie – Noske, Ebert en dito quanto alsmede hun moordenaarsbendes die door middel van duizenden slachtoffers de oude ‘orde’ opnieuw hebben ingesteld, elke revolutionaire poging in bloed hebben gesmoord, en zo de weg hebben vrij gemaakt voor nationaal-socialisme en wereldoorlog II.

Want men vergisse zich niet: het zijn inderdaad de socialisten die daar de volledige verantwoordelijkheid voor dragen. ‘Was wäre wenn…’ is natuurlijk een volkomen juiste vraagstelling, maar toch kun je met bijna volkomen zekerheid zeggen dat zonder de houding van de sociaal-democraten de geschiedenis van de twintigste eeuw er anders zou hebben uitgezien – veel minder bloederig. Hoe die sociaal-democraten dag na dag tekeer gaan tegen alles wat links en progressief is, met het verkrachten van rechtsregels, met regelrechte pesterijen tegen politieke gevangenen, met moord en massamoord als ze het nodig vonden, dat kun je in dit deel zes voortdurend nalezen, alsook hun leugens en hun bedrog als ze met de neus op hen onaangename feiten gedrukt worden. En daarbij schuwen ze het geen ogenblik om met de meest zwarte moordenaarsbendes – die toen overigens al het hakenkruis gebruikten – in zee te gaan.

Doorheen alle chicanes blijft Mühsam echter geloven – je gelooft het niet! – dat de wereldrevolutie (inderdaad, niets minder dan dat, maar de wereld is dan wel grotendeels Europa) er zal komen, en dat dat ogenblik niet veraf ligt. Hij is van een onverbeterlijk idealisme wat dat betreft, en ogenblikken waarin hij dat geloof in vraag stelt of relativeert, moet je met een vergrootglas zoeken. Het is natuurlijk wel begrijpelijk: als je opgesloten zit, klamp je je nu eenmaal vast aan wat je hebt, en dat is meestal enkel nog je geloof – in wat of wie dan ook.

Mühsam-1

Een ander interessant aspect in dit dagboek is het feit dat Mühsam veel over de pers schrijft. In de vroegere delen gebeurde dat ook al, maar minder, daar waren vooral de sociale contacten belangrijk. In de gevangenis ben je natuurlijk aangewezen op brieven – die vaak werden ingehouden en meestal met weken vertraging aankwamen wegens de briefcensuur – en op de kranten die er aanwezig waren of waarop je je kon abonneren. De snelheid waarmee de berichten tot bij de lezers kwamen is natuurlijk niets – slakkengang – in vergelijking met onze tijd van internet, maar qua inhoud is er weinig veranderd blijkbaar: dezelfde leugens als altijd, en bovenal propaganda en nog eens propaganda. In de vorige delen, vooral die van bij het begin van de oorlog, was dat uiteraard nog veel duidelijker, maar hier evenzeer: het verschil ligt daarin dat nu de binnenlandse vijand aangepakt moet worden. Er is inderdaad niets nieuws onder de zon.

Voor wat de binnenlandse toestand in Duitsland betreft, doorziet Mühsam de propagandaleugens uiteraard haast direct, maar als het over buitenlandse zaken gaat, aarzelt hij vaker, omdat het moeilijk te controleren is allemaal (wat wordt ons vandaag de dag bv. allemaal opgedist over Irak en Isis zonder dat we er iets over kunnen controleren – je kunt alleen maar wantrouwen, wantrouwen, wantrouwen, en alert blijven). En ondertussen blijft hij literair doorwerken, aan dichtbundels, artikels enz. – in de mate van het mogelijke natuurlijk, dit is vooral in de mate dat het geschrevene naar buiten gesmokkeld kan worden. Wat toen nog tamelijk gemakkelijk ging, blijkbaar.

Ook de volgende delen zullen voor het allergrootste deel gevangenisdagboeken zijn. In 1924 of 1925 wou de Beierse regering, met de steun van de sociaal-democraten vanzelfsprekend, een andere beroemde gevangene, die zichzelf ook schrijver, maar meer nog schilder waande, vrijlaten en dat kon enkel middels een amnestie. En omdat een amnestie voor één persoon nou toch echt niet kon, werden ook maar enkele linksen, waaronder Mühsam vrijgelaten. Nog een jaar of acht zou hij kunnen werken, dan werd hij één van de eerste slachtoffers van de kinderen van Noske, Ebert et tutti quanti: toen werd hij in het KZ Oranienburg op een beestachtige manier in de plee vermoord. De sociaal-democraten zullen tevreden zijn geweest, zelfs al waren ze ondertussen zelf slachtoffer aan het worden.

In de boekuitgaven komt geen index voor. Maar parallel met de papieren uitgave is een website opgezet: “Erich Mühsam – Tagebücher” waarin wel een zeer uitgebreide index is opgenomen, plus een bibliografie en nog veel meer. De lectuur van de boeken is op zich natuurlijk erg boeiend, maar als je meer achtergrondinformatie wil, is die website een welgekomen aanvulling.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


achttien − twaalf =