12.06.14 – Campert

| Geen reacties

campert-1Van een dichter, schrijver of kunstenaar tout court die de tachtig voorbij is, kun je onmogelijk verwachten, laat staan eisen dat hij of zij zich nog zou vernieuwen wat stijl of thematiek betreft.  Zij zullen enkel nog al dan niet geslaagde variaties brengen op bekende thema’s, en in hun eigen bekende stijl.

Zoals Lehmann en Vroman blijft ook Remco Campert tot op zeer hoge leeftijd gedichten schrijven en publiceren, en zijn recentste bundel (Licht van mijn leven, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 2014) bewijst dat hij erin slaagt geslaagde variaties voort te brengen in de lichtvoetige parlando-stijl met soms een licht melancholische en nostalgische ondertoon die we zo goed uit zijn vorige gedichten kennen.

De bundel begint en eindigt met de dood. De eerste afdeling, ‘Gelegenheden’ bevat nl. gedichten nav het sterven van geliefde bentgenoten. Op het eerste, ‘In memoriam’ na, dat aan niemand specifiek gewijd is maar ahw een algemeen in memoriam inhoudt, waarvan de drie daarop volgende, respectievelijk aan Claus, Wolkers en Komrij gewijde gedichten dan individuele specificaties zijn. En het laatste, het titelgedicht, ‘Licht van mijn leven’ is gewijd aan de eigen dood, die, na enkele reminiscenties aan het verleden en het heden in ’s dichters stad Amsterdam, klassiek opgeroepen wordt als een zweven (van de niet genoemde ziel?) boven datzelfde Amsterdam, waarbij hij enkele geliefde plekken nog even vanuit de letterlijke hoogte bekijkt vooraleer definitief zich te verenigen ‘met het fijnstof van de stad’. Zoals steeds bij Campert is de ironie niet ver weg, sterven is geen drama bij hem.

Naast deze gelegenheden bevat de bundel een tweede, langere afdeling, ‘Gebeurtenissen’ genoemd. Een echte eenheid is hierin niet te vinden, tenzij natuurlijk in de stijl zelf, die wellicht het bekendste kenmerk van Campert is, en die hem een heel eigen plaats geeft binnen de groep van de Vijftigers, waar hij historisch toe behoort. Deze afdeling bevat losse gedichten en enkele cycli, waarvan de cyclus ‘Meisjes van plezier’ mij het meest aanspreekt, waarschijnlijk wegens de nostalgische toon en de evocatie in het zesde en laatste gedicht van de cyclus van een oude, afscheid nemende man (de dichter zelf misschien, en a fortiori elke oude man). Dit gedicht wil ik even citeren:

“De oude man hief
met nog eenmaal opgeroepen kracht
traag zijn schrale arm
en groette het meisje
dat in vergulde slangendans
wervelde krulde meanderde
met vracht van golvend haar
zijn lege zicht vervulde
en zijn benauwde laatste wake veranderde
in een eeuwig ademloze
lome droom” (p. 39)

Van Remco Campert zijn enkele poëticale uitspraken gemeengoed geworden: ‘Poëzie is een daad van bevestiging’ is daarvan wel de meest bekende. Ook in deze bundel komen weer enkele poëticale gedichten voor, bv. het vaak ironisch klinkende (tot in de titel toe) ‘Poëzie (zoveelste poging)’, waarvan de laatste verzen luiden: “de mooiste poëzie is/het ongeschrevene” (p. 21). Wellicht bedoelt hij hiermee dat poëzie op de eerste plaats evocatief  moet zijn, bij de lezer iets moet oproepen, wakker maken. En dat dat tussen de woorden, of achter de woorden te vinden is: ‘lees maar, er staat niet wat er staat’, noemde Nijhoff dat. En in die zin zijn natuurlijk ook andere poëtica’s dan die van Campert zelf volledig legitiem. Zo kan hij ook een positief gedicht aan de eerder exuberante dichter Hans Verhagen wijden, onder de titel ‘De dichter’. Poëzie staat voor niets.

Tenslotte moet ik de prachtige kleurenlitho’s van Ysbrant nog vermelden, die sommige gedichten in deze bundel vergezellen. Heel het boek is trouwens een prachtuitgave op groot formaat zoals de Bezige Bij die vroeger meer uitgaf, ik denk met name aan bundels van Camperts generatiegenoten Claus en Lucebert.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


13 − drie =