08.06.14 – Paul Verhuyck

| Geen reacties

verhuyck‘Hij is naar de maan’ betekent volgens Van Dale onder andere dat iemand dood is. In zijn nieuwste roman, Inmiddels op aarde (Arbeiderspers, Amsterdam, 2014) neemt Paul Verhuyck dit gezegde letterlijk en laat het grootste gedeelte van zijn protagonisten inderdaad als doden op de maan belanden.

De roman is gestructureerd op drie verschillende niveaus. Het eerste speelt zich in 1958 af, het jaar waarop de verteller en een aantal van zijn kompanen eindexamenklas doen. Volgens de achterflap is het boek o.m. een ‘lofzang op de klassieke humaniora’, en dan vraag ik me af: waarom noemt Verhuyck die klas niet gewoon ‘retorica’? Zo heette dat immers in 1958, zeker in België waar het boek zich tenslotte afspeelt. Maar misschien is er geen kat meer die dat zou begrijpen, al heel zeker in Nederland niet. Hoe dit ook zij, in de hoofdstukken van dit niveau wordt inderdaad de sfeer van een klassiek gymnasium opgeroepen, zoals dat ook in mijn schooltijd, d.w.z. in de eerste jaren van de jaren zestig, nog bestond. De verteller gaat de belangrijkste vakken en leraars na, en komt tot de slotsom dat er veel verwachting en enthousiasme was, maar evenzeer veel weerzin tegenover de school. Vooral omdat zovele leraars ofwel onbekwaam bleken om les te geven, ofwel daar zelf met tegenzin stonden. Heel herkenbaar dus. Een uitzondering – en ook dat is uiteraard heel herkenbaar – is de leraar Grieks en Latijn, die zijn pupillen niet enkel met die talen kennis laat maken, maar ook met allerlei modernistische stromingen zoals het surrealisme en (toen) hedendaagse auteurs.

De belangrijkste hoofdstukken heten ‘Inmiddels op aarde’ zoals ook het boek zelf, en die titel wordt dan telkens gevolgd door een voornaam – van een van de elf jongens die een hechte groep vormden op die eindexamenklas, en waarvan er op het einde van het boek tien dood zijn, ‘naar de maan’ dus. In een snel proza overloopt de verteller telkens het kortere of langere leven van zijn vrienden om te eindigen met hun dood. Ze hebben het allemaal ver gebracht, vier ervan zijn zelfs hoogleraar geworden – zoals de schrijver Paul Verhuyck zelf. Maar toch zijn alle levens op de een of andere manier mislukt; al deze levensgeschiedenissen zijn vol van bitterheid en illusieloosheid. Van het enthousiasme van de jeugd is niets overgebleven, je krijgt de indruk dat ze allemaal vanaf een bepaald ogenblik in hun leven uit elkaar beginnen te vallen en enkel nog uit scherven bestaan. Verhuyck schrijft hier met een snel ritme, de nadruk leggend op de belangrijkste aspecten van de geschetste levens. Die manier van schrijven maken van deze hoofdstukken de boeiendste.

Het derde niveau heet gewoon ‘maan’, telkens weer, maar met een toevoegsel in de titel, dat telkens duidt op een anekdote uit de schooltijd van de jongens, die elkaar hier als doden terugvinden; zodat de klassereünie die ze altijd afgewezen hebben, uiteindelijk toch nog plaats vindt. Deze hoofdstukken zijn over het algemeen de summierste in het boek. En ze zijn vaak veel meer beschouwend van aard dan de andere hoofdstukken.

Tien van de elf. Want de elfde, Frederik, is de verteller en in het aan hem gewijde hoofdstuk 33 sterft hij niet, hij overleeft en hij vertelt. Hij is 71 jaren oud als hij aan het hoofdstuk over zichzelf begint, we schrijven 2012. De schrijver Paul Verhuyck heeft dezelfde leeftijd, maar echt autobiografisch is het boek niet, zelfs niet in het Frederikhoofdstuk. Maar het uitgangspunt van de auteur zal dat wellicht wel zijn.

Het laatste hoofdstuk speelt zich weer af op de maan; of liever: Frederik gaat de kosmische toer op en plaatst de aarde in de context van op de eerste plaats ons eigen zonnestelsel, en vervolgens in de context van het heelal als geheel. Zonder het expliciet te zeggen, benadrukt de verteller zodoende de kleinheid van datzelfde zonnestelsel, maar vooral van de mieren die erop wonen en zich allemaal heel wat wanen. Op een zeer hedendaagse manier geeft Verhuyck hier een typisch barok thema weer: dat van de nietigheid van de mens. Men denke aan Pascal. Maar even onuitgesproken kwam dat thema ook tot uiting in de levensgeschiedenissen van de protagonisten natuurlijk.

Ik herinner me nog het verschijnen enkele decennia geleden van Verhuycks debuut De Doodbieren. Zijn daarop volgende romans heb ik eveneens gelezen, maar jammer genoeg is me daar weinig van bijgebleven (wat wel aan mezelf zal liggen). De Doodbieren was een meesterwerk. Misschien is dat me beter bijgebleven omdat het zich afspeelt in een klein Antwerps café, dat nu niet meer bestaat, en waar ik ook wel eens kwam. Ook daar was de eigenlijke hoofdpersoon een groep van mensen, zoals in de huidige roman, de vaste klanten van het café in kwestie nl. Maar die eersteling was geschreven in een uitbundige rabelaisiaanse taal van een enorme rijkdom (de invloed van het vak dat Verhuyck doceerde, Oudfranse taal- en letterkunde, zal wel niet ver geweest zijn); dat is nu niet meer het geval, hij is zoals zoveel ouder wordende schrijvers, soberder geworden in zijn stijl. Maar dat belet niet dat ook dit boek  beklijft, en dat het waarschijnlijk een van de betere romans is die de laatste tijd verschenen zijn.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


6 + acht =