14.05.14 – Identiteit bis

| Geen reacties

Paul Verhaeghe’s Identiteit mag dan een vlot leesbaar boek zijn, en in zijn grote lijnen ook juist, dat belet niet dat er ook heel wat kritische noten bij geplaatst kunnen worden. Die hebben overigens omzeggens allemaal betrekking op details, maar sommige daarvan zijn wel heel belangrijk.

Daar is vooreerst het feit dat hij tot twee maal toe fascisme en neoliberalisme ‘progressief’ noemt. Dat is uiteraard je reinste baarlijke nonsens. Ze zijn beide het tegendeel, door en door reactionair. Het neoliberalisme wil terug naar de 19de eeuw, en alles wijst erop dat ze daarin ook zullen slagen; het fascisme wou zelfs terug naar het Ancien Régime. Dichters mogen (moeten wellicht) aan woorden een nieuwe, andere, afwijkende en zelfs totaal tegengestelde betekenis toekennen. Een hoogleraar die pretendeert een wetenschappelijk boek – vulgariserend of niet – te schrijven, mag dat niet. Waarschijnlijk bedoelt Verhaeghe dat er in beide stromingen ook moderne en/of modernistische trekken aan het werk zijn, en dat klopt natuurlijk wel. Maar ce qui se conçoit bien, s’énonce clairement, zoals Boileau al wist.

De grondslag van de moderne economische theorie en praktijk zou de religie zijn volgens Verhaeghe, het eerste zou voortkomen uit het tweede. Daarvoor beroept hij zich op het bekende werk van Weber. Dat hij waarschijnlijk slecht gelezen heeft, want Weber stelt het zo niet, hij ziet – terecht mijns inziens – eerder een wisselwerking tussen wat marxisten de onderbouw (economie) en de bovenbouw (religie) noemen. En wanneer je de geschiedenis van de protestantismen en hun voorlopers bestudeert, springt dat inderdaad in het oog. .

Kranten zouden volgens Verhaeghe in ons systeem mogen schrijven wat ze willen. Een dergelijke gotspe uit de mond van een hoogleraar is op z’n zachtst gezegd verwonderlijk. De heersende ideologie is immers altijd de ideologie van de heersers (iets dat Verhaeghe zelf overigens voortdurend aantoont in zijn boek wanneer hij het over het onderwijs, de arbeidsvoorwaarden enz. heeft) en de mainstreammedia zijn in de handen van de Berlusconi’s, de Murdochs, de van Thillo’s, de Springers et tutti quanti. Die zullen nooit aanvaarden dat ze in de pers die hun eigendom is, echt aangevallen worden. Een beetje kritiek wellicht, voor de schijn, maar bij extreemrechtse figuren als Murdoch is dat zelfs niet mogelijk.

‘Klassenstrijd’ is zowel bij marxisten als bij nietmarxisten die het woord hanteren iets heel anders dan ‘agressie’; het lijkt erop dat Verhaeghe hier zelf het slachtoffer is van indoctrinatie vanuit de mainstreammedia, die elke vorm van staking inderdaad daaronder willen laten vallen (zo ze het al niet onder de noemer van ‘terrorisme’ willen brengen, wat ook reeds vaak genoeg gebeurt). Hetzelfde gebeurt trouwens wanneer hij de economische machthebbers doodgewoon nabauwt door te stellen: “Dat er ingeleverd zal moeten worden is overduidelijk (…)Maar die inlevering moet de maatschappij ten goede komen, niet de economie (p. 216, ik cursiveer). Het is precies alsof je de kampioenen van het neoliberalisme, Voka en hun megafoon NVA bezig hoort. Want, gesteld al dat er inderdaad ingeleverd zou moeten worden, wie moet dat dan doen? Dat wordt nooit gezegd. En wat moeten we ons voorstellen bij woorden als ‘maatschappij’ en ‘economie’, die rechtstreeks uit newspeakland lijken te komen, want het zijn typisch woorden die werkelijke tegenstellingen en conflicten verbergen en omfloersen.

En dat Verhaeghe weinig van ons (en elk ander?) rechtssysteem kent, blijkt duidelijk wanneer hij beweert dat rechtsregels enkel de maatschappelijke omzetting van ethiek zouden zijn. Recht en ethiek hebben niets met elkaar te maken in ons systeem. Het recht bestaat uit min of meer arbitrair (door verschillende politieke meerderheden) vastgestelde regels, die de samenleving moeten organiseren en een beetje ordelijk maken. Moraal, en zelfs rechtvaardigheid komen daar niet bij te pas. Verhaeghe had dat kunnen weten als hij even bij een collega uit een andere faculteit te rade was gegaan.

Tenslotte een persoonlijke noot. De scène uit A Space Odyssey waarin een mensaap een bot gebruikt op de muziek van Strauss’ Zarathustra interpreteert hij als een vorm van agressie, namelijk als het verbrijzelen van een schedel. Ikzelf heb dat geïnterpreteerd als de ontdekking, of de uitvinding als je wil, van werktuigen (het verlengde van de arm) en hun kracht. Komt dat doordat ik marxistisch geschoold ben, en Verhaeghe liberaal? Ik zou het niet weten. Maar misschien zegt het wel iets over ons beiden.

Van mijn eigen identiteit is ondertussen nog geen spoor te bekennen.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 + dertien =