11.05.14 – Identiteit

| Geen reacties

Ik heb wel eens gelezen dat mensen het over hun ‘identiteit’ hadden. Of hen daarover horen spreken. Bijna altijd ging het daarbij over ‘politieke identiteit’. Het is dus al lang geleden dat ik daarover las of hoorde, want zoals Streuvels bemoei ik me niet met politiek, al jaren niet meer. Als ik zoiets las of hoorde, voelde ik me altijd een beetje bevreemd en wezenloos, omdat ik begot niet wist waar ze het over hadden. ‘Identiteit’, dat was voor mij wat op mijn identiteitskaart stond, niks meer en niks minder. Dat ik een andere ‘identiteit’ zou hebben leek me vreemd en eigenlijk onvoorstelbaar.

Niet dus, blijkbaar.

IdentiteitIdentiteit van Paul Verhaeghe (De Bezige Bij, Antwerpen, 2012) legt eigenlijk haarfijn uit wat identiteit voor iets is, hoe het ontstaat en hoe het verandert onder invloed van maatschappelijke gebeurtenissen en omstandigheden. In die zin alleen al is het leerrijk. Wat dit aspect betreft, deed het mij denken aan Die Entstehung des Gewissens van Paul Rée, de goede vriend van Nietzsche. Dat laatste is natuurlijk in grote mate verouderd, maar wat de kern betreft blijkbaar toch niet, want ook de vorming van een identiteit komt neer op het verwerven van een reeks normen en waarden, een ethica zeg maar, onder invloed van ouders en opvoeders, die natuurlijk zelf in een bepaalde maatschappelijke context leven, die of ze dat nu willen of niet, invloed uitoefent op welke ethica ze doorgeven en hoe ze dat doen. Daarbij geeft Verhaeghe goed weer hoe dat de laatste decennia totaal veranderd is. Tot pakweg de jaren zestig leefden we in een min of meer gesloten maatschappij, waar God bepaalde wat goed en slecht was; sindsdien moet de mens dat zelf doen. Mutatis mutandis kwam ook Rée al tot die conclusie; vaak lopen beiden bijna parallel: zo wat hun hoofdstukken over de tegenstelling tussen de Oudgriekse moraal en de christelijke betreft (Rée haalt er ook het boedhisme nog bij). Betekent dit dat Verhaeghe afschrijft? Nee, helemaal niet. Hij vat enkel samen wat de wetenschap sindsdien enkel maar bevestigd heeft.

Het hoofddeel van zijn boek gaat over de hedendaagse tijd, waarin een dergelijke ethica niet meer aanwezig is en er blijkbaar zeer veel problemen optreden bij het ontwikkelen en doorgeven van een ‘identiteit’. Wat dit betreft gaat Verhaeghe tewerk als een goede arts: eerst stelt hij de symptomen vast en omschrijft ze; op basis daarvan stelt hij een diagnose, en tenslotte onderzoekt hij welke remedies er tegen gebruikt kunnen worden – als die er al überhaupt zijn.

De voorbeelden om zijn stellingen te staven haalt hij vooral uit drie maatschappelijke gebieden: de zorg, de universiteit en de arbeidswereld. Drie gebieden die voor het merendeel van de mensen heel belangrijk zijn (de universiteit misschien iets minder, maar dan kunnen we denken aan onderwijs in ’t algemeen). Kernwoorden in zijn symptomatiek zijn: flexibiliteit, concurrentie, marktwerking. Misschien zonder dat hij het weet, beschrijft hij een van de tendensen die Marx en Engels al meer dan honderdvijftig jaar geleden hebben voorspeld in het Communistisch Manifest: dat in een ongebreideld kapitalisme alles, maar dan ook werkelijk alles tot koopwaar wordt: van jonge kinderen tot arbeidskrachten (een handicap, een last!), ziekenhuizen, ouden-van-dagen. Noem maar op, op dit ogenblik ontsnapt absoluut niets daaraan. Dat heeft uiteraard repercussies op de persoonlijkheid van mensen die in zo’n systeem moeten leven. Niet enkel treden wat men persoonlijkheidsstoornissen noemt veel meer op dan vroeger, ze nemen ook zwaardere vormen aan. En om het in zo’n systeem werkelijk vol te houden en aan de top te komen moet je niet enkel totaal egoïstisch zijn, maar zelfs al bijna psychopathische trekken vertonen.

De oorzaak van dat alles, de uiteindelijke diagnose is wat Verhaeghe het neoliberalisme noemt, een sociaal-economisch systeem dus, waarin alles onderworpen is aan marktwerking. Dat is juist en niet juist. Het is niet juist, omdat dit neoliberalisme enkel een bepaalde verschijningsvorm is van het kapitalisme, de meest ongebreidelde en nietsontziende vorm. De vorm waarin de motor van het kapitalisme – de accumulatie – door niets gestopt maar doorraast op zoek naar meer, beter, groter, veelomvattender…tot er niks meer overblijft om te veroveren en de motor wel moet stilvallen.

De zwakte van het boek ligt in de remedie(s) die Verhaeghe voorschrijft. Op zich kunnen die stuk voor stuk aanvaardbaar zijn, maar het uitvoeren ervan hangt natuurlijk af van de politieke machthebbers. En die zijn met handen en voeten, zoals de spreekwoordelijke polichinellen, gebonden aan de echte, de economische heersers. Ze zullen daar nooit, maar dan ook nooit uit eigen beweging tegen optreden. Enkel een tegenmacht van onderuit zou daar iets aan kunnen doen – theoretisch, want daarvoor is het waarschijnlijk al te laat. Dat weet Verhaeghe zelf trouwens ook, zoals blijkt uit een voetnoot op pagina 215; daar heeft hij het over de schade aangericht door de huidige economie, en besluit: “De uiterst geringe belangstelling daarvoor (…) is een zeer slecht voorteken voor het voortbestaan van onze soort en roept toch wel ernstige twijfels op over onze zo geroemde verstandelijke vermogens.” Voor mij is dat de kernzin van het boek.

Maar wat kunnen we anders doen dan verdergaan met wat we bezig zijn? Paul Verhaeghe met doceren, onderzoeken en boek schrijven? Ik met korte stukjes schrijven? Naast de alledaagse besognes?

Wat ook opvalt in het boek is dat de auteur nooit eenzijdig wordt, maar steeds probeert de beide kanten van een munt te bekijken. Zo stelt hij bv. expliciet dat in de mens zowel egoïstische als altruïstische tendensen aanwezig zijn, en dat uiteindelijk de maatschappelijke context de doorslag zal geven om te bepalen welke overheersend zal worden in een bepaald tijdperk. Dat lijkt me zonder meer juist, en door die stelling en de manier waarop hij ze uitwerkt, stelt Verhaeghe zich in een lange traditie van maatschappelijk betrokken psychoanalytici, op de eerste plaats van diegenen die de theorie van Freud wilden verzoenen met het marxisme, ik denk aan Reich, Fromm vooral en Marcuse. Dat betekent niet dat Verhaeghe zelf marxist zou zijn, dat blijkt nergens uit, maar zijn stellingen zouden hem wel in die richting moeten voeren. Ook de zgn. antipsychiatrie uit de jaren zestig (de enigen die hij onder die benaming effectief even vernoemt) behoort tot die kritische traditie. Maar wat dat betreft kunnen we eigenlijk teruggaan tot de Tocqville, die in zijn bekende De la démocratie en Amérique al heel summier de richting aanwees waarin ‘democratie’ en kapitalisme zouden kunnen evolueren, ook op persoonlijk vlak. Dat was een eeuw voor de uitvinding van de psychoanalyse.

En mijn eigen ‘identiteit’ bij dit alles? Ik zou het begot nog steeds niet weten.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


tien − 9 =