19.04.14 – Jan Lensen, Marcel Matthijs en Peter Bormans

| Geen reacties

Het laatste opstel in het eergisteren hier kort besproken De stekelige jaren handelt over het werk van Marcel Matthijs, in wiens werk politiek en literatuur ook meermaals samenkomen. Het feit dat ik dit opstel even apart behandel heeft te maken met hetgeen Lensen in zijn tweede voetnoot schrijft:

“Een tweede, iets uitgebreidere tekst over Matthijs is te vinden op de internetsite http://inktspat.com/2008/09/marcel-matthijs-een-literaire-monografie/ van de hand van Peter Bormans. De verdienste van deze monografie ligt voornamelijk in de uitvoerige inhoudelijke beschrijving van Matthijs’ oeuvre, evenals in het archiefwerk dat Bormans verrichtte om meer grip te krijgen op Matthijs’ biografie. Tegenover de informatieve waarde van de tekst staat echter een gebrek aan analytische diepgang, een erg subjectieve en normatieve toon, evenals een onzuivere stijl.” (p. 171)

Dit ziet er uit als een objectieve omschrijving van mijn tekst, maar is toch wel wat vileiniger dan dat. Je vraagt je vooreerst af of Lensen mijn tekst wel goed gelezen heeft. Laat ik voor een keer maar mezelf citeren, bij wijze van antwoord op de beschuldiging een ‘erg subjectieve en normatieve toon’ te hanteren:

“Deze monografie is géén wetenschappelijk academisch geschrift. Het is enkel het verslag van een persoonlijke lectuur, in de zin van de zgn. ‘ventisten’ (Forum, Bok…) Dat betekent uiteraard niet dat er eender wat gezegd wordt. Ik hou me strikt aan de teksten zelf, maar aarzel niet waar ik dat nodig vind mijn eigen mening te verkondigen.”

Heel dat uitgangspunt, dat vanaf het begin, in het ‘woord vooraf’ expliciet gesteld wordt, houdt in dat het inderdaad ab initio mijn bedoeling was subjectief en zelfs apodictisch te zijn (dat bedoelt Lensen waarschijnlijk met ‘normatief’), zonder dat dat ipso facto betekenen zou dat ik ervan uit zou gaan enige waarheid – van welke aard dan ook – definitief in pacht te hebben. Je kunt mij dat dus niet verwijten, tenzij je te kwader trouw wil zijn.

En wat die ‘analytische diepgang’ betreft. Enkele voorbeelden slechts.

Wanneer hij De ruitentikker/Doppen bespreekt, rept hij op geen enkel ogenblik over de politieke tegenstelling tussen revolte en revolutie. Revolte is een individuele reactie op ondraagbare maatschappelijke toestanden, revolutie een collectieve reactie daarop. Het verschil is fundamenteel politiek, en niet op de eerste plaats psychologisch. Revolte is nl. anarchistisch van aard, en ook Lensen zal wel weten dat het anarchisme in bijna al zijn vormen individualistisch van aard is. Enkel in de vroege roman Het Grauwvuur was even sprake van revolutie, maar dat werd daar niet als iets nastrevenswaardigs gezien. De latere werken kaderen in wat in Frankrijk ‘l’anarchisme de droite’ genoemd wordt, en ik meen dat Lensen dat had moeten weten. Het valt overigens op hoe hij nooit of nergens vergelijkingen maakt met buitenlandse literatuur.

Tweede voorbeeld: Menschen in den strijd. Ik gebruik vele bladzijden om te beargumenteren dat dit boek wel eens een parodie zou kunnen zijn. Lensen geraakt niet verder dan het woord pastiche. Blijkbaar kent hij het verschil amper. Een van de prachtigste voorbeelden van pastiches is de bundel Mimicry van Paul Claes. Als je even daarin leest, zie je onmiddellijk wat een pastiche is: een tekst à la manière de. Dat hoeft niet spottend bedoeld te zijn, bij Claes bv. is het dat nooit. Overigens, zelfs de voor- en achterflap van Claes’ bundel vormen een pastiche. Ook als je niet zou kunnen lezen, zou je enkel daaruit al kunnen afleiden wat een pastiche is.

Hugo Claus Gedichten claus-back
claes-frontclaes-back

Overigens, Lensen die in Berlijn verblijft op ’t ogenblik, zou daar Er ist wieder da kunnen lezen. Daarin wordt o. a. de stijl van Hitler gepasticheerd.

Als Matthijs’ roman een pastiche zou zijn, moet er dus minstens één roman zijn – in het Nederlands of het Duits, maar eerder in het Duits, vermits het over nationaalsocialistische literatuur gaat – waarvan hij de stijl imiteert. Ik geef toe, dat ik niet alle nationaalsocialistische auteurs gelezen heb, laat staan in hun geheel (alhoewel, sommigen toch wel) maar van de belangrijkste figuren (Kolbenheyer, Claudius, Blunck, von Strauss und Torney, …) heb ik toch wel minstens één boek gelezen, evenals van sommige voorlopers als Peter Rosegger. Geen enkele schrijft op zo’n overtrokken, hysterische, karikaturale manier als Matthijs in Menschen in den strijd. Zelfs van de krankzinnige geschriften van Artur Dinter kan dat niet gezegd worden.Dus kan het volgens mij géén pastiche zijn. Wat mij betreft hoeft Lensen niet te zeggen dat het boek van Matthijs een parodie is, maar hij had de mogelijkheid wel mogen vermelden.

Over ’t algemeen gaat Lensen veel minder diep in op de belangrijkste boeken van Matthijs dan ikzelf. Ja, sommige stukken van zijn opstel lijken wel goede syntheses van wat ikzelf over dat boek schreef, Het grauwvuur bv. Voor mij niet gelaten. Je hoeft me niet eens te citeren of te vermelden. Maar als je het dan toch doet, verwacht ik wel een beetje eerlijkheid.

Tenslotte is er nog de ‘onzuivere stijl’. Kan Lensen mij criteria geven om te bepalen of een stijl ‘zuiver’ of ‘onzuiver’ is? Volgens mijn vrouw schrijf ik vaak slordig, en daar kan ik me inderdaad iets bij voorstellen. Maar ‘onzuiver’? Het klinkt bijna als ‘onrein’! Maar ik zal het er maar bij houden dat hij onacademisch bedoelt, en zodoende zijn we weer bij mijn eigen uitgangspunt beland: dat ik geen academische verhandeling wou schrijven. En dus ook geen academische stijl hanteer, maar wel wat je met enige goede wil een persoonlijke stijl kunt noemen.

En ook dat is exact wat ik wilde en bedoelde.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zestien − zes =