17.04.14 – De stekelige jaren

| Geen reacties

stekeligDe stekelige jaren. Literatuur en politiek in Vlaanderen 1929-1944, samengesteld door Jan Lensen, Ludo Stynen en Yves T’Sjoen (Academia Press, Gent, 2014) is een vervolg op of een aanvulling bij Verbrande Schrijvers. ‘Culturele’ collaboratie in Vlaanderen 1933-1953, uitgegeven door L. De Vos, Y. T’Sjoen en L. Stynen, en in 2009 bij dezelfde uitgever verschenen.

Dit tweede boek is alleszins consistenter wat de thematiek betreft, en er komen geen overbodige stukken in voor zoals dat over André Demedts in het eerste boek. Alle schrijvers en werken die in dit boek behandeld worden staan inderdaad volledig in het teken van de band tussen politiek en literatuur, zoals die in de jaren dertig en veertig veel meer overheersend was dan in voorgaande of latere tijdperken. Daarenboven was het voor mij een zeer instructief boek, doordat ik op twee na de behandelde schrijvers amper kende. Die twee zijn Victor Brunclair en Marcel Matthijs, waarvan ik wel bijna alles wat in boekvorm verschenen is, gelezen heb. Het stuk over Brunclair is daarenboven een stuk uit het doctoraat van Dieter Vandenbroucke, waarover ik het hier eerder al had.

Ook dit boek wordt weer voorafgegaan door een opstel van de historicus Marnix Beyen, waarin hij het politieke en culturele leven van de lange jaren dertig probeert te vatten onder de noemer ‘representatiecrisis’. Dat komt onder meer daarop neer, dat het blijkbaar onmogelijk was om de eigen volksgemeenschap nog te vertegenwoordigen of te verbeelden (bedoelt hij: uit te beelden?). Dat hangt natuurlijk samen met het feit dat zowat iedereen op zoek was naar een ideologisch houvast, en dat daarbij heen en weer gezwalkt werd tussen ‘links’ en ‘rechts’ dat het een lieve lust was. Alle kompassen schenen tilt te slaan in die tijd, en naar alle mogelijke richtingen te verwijzen. Dat blijkt al onmiddellijk uit het eerste opstel, waarin Ludo Stynen het over Herman Van Puymbrouck heeft, die, zoals de ondertitel stelt, ‘van anarchist tot nationaalsocialist’ evolueerde. Hij was natuurlijk de enige niet in die tijd, vooral in Frankrijk liepen er nogal wat rond, die tot wat daar ‘l’anarchisme de droite’ genoemd wordt, behoorden. Van Van Puymbrouck heb ik één boek gelezen, een studie over Georges Eekhoudt, die, voor zover ik me herinner, niet slecht was. Stynen gaat vooral in op een onafgewerkte en nooit uitgegeven roman van Van Puymbrouck, die aanwezig is in het Antwerpse letterenhuis. Altijd jammer natuurlijk, dat een dergelijk werk in onze cultuur nooit uitgegeven zal worden, al was het maar fragmentarisch.

Het tweede opstel gaat over een operette van Kamiel Huysmans. Nooit geweten dat die man andere dingen dan politieke of filologische opstellen schreef. Waarvan ik overigens nooit iets gelezen heb. Overigens ben ik na lectuur van dit opstel ook niet geneigd deze operette of andere zaken van hem te gaan lezen. Van Van Puymbrouck zou ik dat zeker wel doen.

En de volgende in de reeks, de dichter René Verbeeck, heb ik wel gelezen, tenminste zijn gekuiste verzamelde gedichten, zoals die ettelijke decennia geleden bij Orion, in de reeks ‘De gulden veder’ verschenen zijn. Verbeeck was ook de oprichter en uitgever en bij tijd en wijle drukker van ‘De Bladen voor de poëzie’. Bilcke en T’Sjoen weten in hun opstel goed weer te geven hoe Verbeeck zowel literaire kwaliteit wenste te leveren, maar terzelfdertijd zijn Vlaams-Nationale overtuiging niet wenste te loochenen. Dat had uiteraard invloed op de keuze van de medewerkers. Aan de hand van de bijlage, waarin alle uitgaven in en buiten reeks worden opgesomd per jaargang, krijgt men een mooi overzicht van wie Verbeeck waardig achtte opgenomen te worden. Er komen natuurlijk heel wat namen in voor van dichters die later van collaboratie beticht zouden worden. De anderen komen iets minder voor, maar zijn toch nog ruim vertegenwoordigd. Je kunt dus moeilijk zeggen dat het enkel collaboratie was wat hier de klok sloeg. Wat mij betreft is dit een van de instructiefste bijdragen in het boek.

Het volgende opstel handelt over de opvoering tijdens de oorlog in Antwerpen van Vondels Leeuwendalers, een minder bekend stuk.  Daarin wordt ook de rol belicht van directeur Joris Diels van de KNS en van de historicus Rob van Roosbroeck. Het zou een aanzet kunnen zijn voor een hoofdstuk in een nog te schrijven boek over het theaterleven tijdens de bezetting.

Na de bijdrage van Vandenbroucke, schrijft Elke Brems over Jozef Simons, een man waar ik één boek ooit van gelezen heb: Eer Vlaanderen vergaat uiteraard, en waar ik me quasi niets van herinner. Brems situeert dit meest bekende boek van Simons in het geheel van zijn oeuvre, dat niet enkel niet zeer uitgebreid is, maar dat zelfs binnen het genre van de zgn. heimatliteratuur van een mindere rang is blijkbaar. Dat belet natuurlijk niet dat ook dergelijke schrijvers erbij horen, en dat hun werken wellicht best nog leesbaar kunnen zijn. Maar aangespoord om Simons te gaan lezen c.q. herlezen, werd ik door dit opstel niet. Hetgeen zeker niet aan de kwaliteit van genoemd opstel te wijten is, maar eerder aan het onderwerp zelf.

De laatste bijdrage gaat over Marcel Matthijs, maar daarop zal ik later uitgebreider terugkomen.

Een goed en een degelijk uitgewerkt initiatief van de drie uitgevers. Waarom niet een rééks boeken in deze aard voorzien, en over deze onderwerpen? En waarin bv. ook aan één schrijver gewijde monografieën zouden opgenomen kunnen worden

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


16 − 5 =