14.04.14 – Ducal

| Geen reacties

ducalIn zijn vorige bundels had Charles Ducal zijn thematiek al licht uitgebreid in die zin dat hij meer werkelijkheid toeliet in het gedicht, maar niet zo duidelijk en expliciet als in zijn nieuwe bundel, waar drie van de acht afdelingen blijk geven van een sterke maatschappelijke betrokkenheid, ‘engagement’ zou men dat vroeger genoemd hebben.

Het gaat om de bundel De Buitendeur (Houtekiet/Atlas Contact, Antwerpen, Amsterdam, 2014). Hij bestaat uit acht afdelingen, waarvan de eerste drie de vroegere thematiek van Ducal hernemen, de laatste drie expliciet maatschappelijke en politieke thema’s behandelen, terwijl de middelste twee min of meer als overgangen gezien kunnen worden, waarbij de ene meer bij het begin van de bundel, de ander meer bij het einde aansluit. Dit gezegd zijnde, blijkt al onmiddellijk dat De Buitendeur zeer doordacht werd samengesteld.

Dat blijkt overigens ook uit de volgorde van de afdelingen, die zeker in het begin chronologisch is. Zo keert in de eerste afdeling, ‘Met zeven aan tafel’, de dichterlijke ik terug naar zijn jeugd op de ouderlijke hoeve, vervolgens wordt het land zelf thema, vervolgens de ouders en hun dood en dan het volwassen geworden kind. De evocatie van zijn kindertijd gebeurt tamelijk onderkoeld – zoals we van Ducal gewend zijn. In de volgende strofe bv.:

“Later zal ik van iemand houden,
zegt moeder, dat is het plan.
Dan heb ik een huis met een vrouw<
en met kinderen. Die maak ik
vreselijk bang.” (p.12)

Het gebruik van assonanties valt op; iets waar Ducal graag gebruik van maakt, liever dan eindrijm; je kunt dat vergelijken met Herman van den Bergh, alleen is Ducal minder nadrukkelijk daarin, zodat het amper een systeem wordt. De onderkoeling komt voort door de verschuiving die optreedt: de ik spreekt niet over het feit dat hijzelf bang was (hetgeen we uit andere gedichten en vroegere bundels kunnen afleiden), maar hij projecteert zijn eigen angsten als het ware naar de toekomst en op zijn eigen nog potentiële kinderen.

De tweede afdeling, ‘Te laag voor het licht’ behandelt het agrarische landschap zelf, de ruimte waarin de ik opgroeide. Ook hier weer die indirecte zegging, de evocatie eerder dan het direct uitspreken, het aangeven van een benauwende, beangstigende atmosfeer eerder dan het weergeven van feiten of eigen gevoelens. Zo wordt tot tweemaal toe gesuggereerd dat iemand zich heeft opgehangen, er is sprake van varkens die gekeeld worden, van ratten. Deze afdeling eindigt met een poëticale strofe:

“weg van wat zwijgt en broedt, op zoek
naar beweging, wereld en liefde,
weg van de bodem, weg van het bloed.” (p. 27)

De dichterlijke ik drukt hier een expliciete afkeer uit van bluboliteratuur, waar hij zichzelf overigens mijns inziens nooit echt aan bezondigd heeft. Maar het is natuurlijk wel een sterke stroming in de Vlaamse literatuur, die vooral in de jaren dertig en veertig sterk op de voorgrond trad, men denke aan het tijdschrift Volk, aan de boeken van Timmermans en Streuvels en, nog in de jaren vijftig, iemand als Emiel van Hemeldonck.

De derde afdeling, ‘Geen moeder, geen vader’ gaat, zoals de titel het al zegt, over de ouders van de ik, de verdwenen (‘geen’) ouders. Eerst over het sterven van de moeder, die even nog terugkeert in het derde gedicht gewijd aan de ziekte van Alzheimer, waar de vader aan lijdt; en dan dus aan de dood van de vader. Bitter klinkt het voorlaatste gedicht, waar de zeven kinderen uit de eerste afdeling even terugkeren, maar nu als vliegen, waar de stervende vader naar slaat.

In ‘Een rusteloze naald’ is de dichterlijke ik volwassen geworden en heeft hij ‘nieuwe meesters’ ontdekt, zoals het eerste gedicht heet. Het merendeel van de gedichten uit deze afdeling zijn van poëticale aard, maar nooit uitdrukkelijk: voorschriften, apodictische poëtica’s worden niet gegeven. Een tweede thema is het leraarschap van de dichterlijke ik – Ducal zelf heeft dat beroep eveneens uitgeoefend. Vaag komt dat thema ook nog terug in de afdeling ‘De buitendeur’, die haar naam aan de gehele bundel gegeven heeft. Het kerngedicht in deze afdeling – en in de bundel als geheel wellicht – heet eveneens ‘De buitendeur’ (p.56). Hier wordt de tegenstelling tussen twee ruimtes opgeroepen: de veilige wereld binnen, en de wereld daarbuiten, die door de dichterlijke ik blijkbaar niet gekend wordt en waar hij zelfs een beetje angst voor blijkt te hebben; dat leid ik toch af uit de aarzelende toon, alsof de ik wel naar buiten wil gaan, maar niet goed durft blijkbaar. Een tegenstelling tussen introvertie en extraversie kun je daarin zien, zoals die bv. bij Claus vaak zeer sterk optrad: enerzijds de neiging om zich terug te plooien op het eigen ik, op de eigen veilige wereld, en anderzijds de neiging om zich met de wereld daarbuiten bezig te houden, om standpunten in te nemen in maatschappelijke problemen.

Het is dat wat Ducal doet in de drie laatste afdelingen van De Buitendeur, explicieter en directer dan hij ooit voordien heeft gedaan, zo meen ik.

De zesde afdeling heet ‘Onbruikbare levens’ en roept onmiddellijk de door de nazi’s gebruikte omschrijving ‘lebensunwertes Leben’ op, dat gebruikt werd voor mentaal en fysiek gehandicapten, die op basis van een ‘euthanasie’programma vermoord werden (de beroemde en belangrijke dichter van ‘Weltende’, Jacob van Hoddis was bv. een van de slachtoffers van dat programma). Wanneer je de gedichten van deze afdeling tesamen leest, blijkt dat niet meer één enkele bevolkingsgroep hier slachtoffer is van politieke machinaties, maar het overgrote deel van de mensen. Er wordt wel naar de nazi’s verwezen in het eerste gedicht, ‘Ergens in Polen, zomer 1941’, maar wat daar gebeurd is trekt zich op een andere, minder goed grijpbare, indirectere manier door naar vandaag. Het gedicht ‘Dodenrit’, naar de ets van Dürer over de apocalyptische ruiters is daar een goed voorbeeld van. Het gedicht is een mooie evocatie van de neoliberale politiek die overal in Europa gevoerd wordt tegen mensen die ‘werk, licht en brood’ wensen, en die door de machthebbers totaal verdeeld worden tot afzonderlijke atomen, straatstenen waarop de apocalyptische ruiters rijden, en die die slechts zullen kunnen doen vallen wanneer ze tesamen kunnen optreden.

Vroeger had zulk een gemeenschappelijk optreden een naam, die ook genoemd wordt in het gedicht ‘Het gedicht is een burger’:

“Ik hou van het woord klassenstrijd
omdat het zo zorgvuldig is
stuk gemaakt, onbruikbaar verklaard
door wie schrijft met gezag.

Ik hou ervan omdat het niet mag.” (p. 64, cursief van Ducal)

Inderdaad, als je dat woord gebruikt, zal men je aankijken alsof je van Mars komt. Nochtans doen de heersende klassen al decennialang niets anders dan klassenstrijd voeren…tegen het overgrote deel van de bevolking, arbeiders en bedienden en kleine zelfstandigen op de eerste plaats. En na 25 mei, als de opvolgers van VNV en DeVlag/SS Vlaanderen het hier wellicht voor het zeggen zullen hebben, zal dat nog veel meer het geval zijn, en zullen ook hier de mensen bloeden als nu in Griekenland of Spanje. terwijl de gangsters van VOKA hun zakken en bankrekeningen verder zullen kunnen vullen.

Het moet van de jaren dertig of zo geleden zijn dat dit woord nog in een gedicht voorkwam. Op zich zegt dat natuurlijk niet veel. Temeer daar Ducal eigenlijk nooit rechtstreeks en expliciet een standpunt inneemt in deze gedichten over concrete politieke gebeurtenissen en problemen. Dat was bij vroegere dichters wel anders. Maar dat hoeft natuurlijk niet. Je kunt je ook indirect engageren…door het gebruiken van één verboden woord bijvoorbeeld. Poëtisch gezien is dat gewoon efficiënter. temeer daar het enjambement van het tweede naar het derde vers zo goed duidelijk maakt wat er met woord én begrip gebeurd is, terwijl zodoende ook de enorme kloof tussen enerzijds de werkelijkheid, waarin klassenstrijd een dagdagelijks gegeven is, en anderzijds het discours, waarin het woord niet meer voor mag komen, sterk benadrukt wordt. Ook het zeldzame en iconische eindrijm legt de nadruk op hoe het in feite in elkaar zit.

Dat kan trouwens ook gezegd worden over de laatste twee afdelingen, waarvan de laatste, ‘Een schitterend land’ op een ironisch sarcastische wijze de misschien bekend gebleven uitspraak van Wilfried Martens in Congo weergeeft (blijft natuurlijk de vraag waarom het andere deel van Martens uitspraak, over die al even schitterende leiders, toen nog Mobutu, afwezig blijft), en het openlijke en verdekte racisme van de blanke overheersers aan de kaak stelt. Gelet op het feit dat de Belgen daar de helft van de bevolking, een goeie tien miljoen (maar dat zijn natuurlijk schattingen, negers zijn tenslotte geen mensen en werden dus niet geteld) hebben uitgeroeid, had deze afdeling wat mij betreft iets scherper gemogen. Maar dat zijn natuurlijk spijkers op laag water.

De voorlaatste afdeling heet ‘Na Auschwitz’, en die titel verwijst uiteraard naar Adorno’s beroemde uitspraak, dat na Auschwitz geen gedichten meer geschreven kunnen worden. Letterlijk genomen is dat uiteraard totale onzin, maar ook als je het minder letterlijk neemt, klopt het niet. Het tweede deel van het titelgedicht van deze afdeling lijkt een impliciet antwoord aan het adres van Adorno te bevatten. “Ook Auschwitz was doodnormaal, natuurlijk”, zo begint het gedicht, en even verder:

“Het was de gruwel van alle tijden natuurlijk,
maar werd op die manier exclusief, eigendom

van leed omgezet in eigendom van de grond.” (p. 81).

Juister en adequater kun je het moeilijk uitdrukken, wat daar in het Midden-Oosten gebeurd is en nog dagelijks gebeurt – n’en déplaise Benno. Zelden is een genocide op zo’n cynische en walgelijke manier misbruikt als de judeocide van de nazi’s door de entiteit. Lijkenvreterij is daarvoor een veel te zacht woord. Ik zou deze bespreking willen afsluiten met het citeren van één enkel volledig gedicht, datgene waarin de cynische houding van de nazionistische entiteit in het zgn. ‘vredesproces’, dat eigenlijk niet meer is dan een oorlogs- en bezettings- en langzame-genocide-proces, het duidelijkst en het scherpst weergegeven wordt:

Laat ons praten

Eerst zullen wij u in het zand bergraven,
het hoofd vrij zodat het kan spreken
over wederzijds begrip, over vrede,

eerst zullen wij uw akker tot de onze maken,
soldaten plaatsen tussen mijn en dijn,
de camera op ons standpunt plaatsen,

eerst zullen wij al onze doden tellen
van de afgelopen tweeduizend jaar,
u daarmee om de oren slaan

en dan het spuug van onze handen vegen
en besluiten: het is duidelijk,
u wilt geen vrede.” (p. 79)

Dit gedicht doet mij zeer sterk denken aan twee van de laatste gedichten van de Engelse nobelprijswinnaar Harold Pinter, nl. enerzijds ‘American Football’ over de eerste Golfoorlog, en anderzijds ‘The ‘special relationship’, waarvan de titel voor zichzelf spreekt (beide in: Harold Pinter: Various Voices: prose, poetry, politics 1948-2005, Faber & Faber, London, 2005, pp. 260 en 261). Ook al zijn de gedichten van Pinter wellicht nog krachtiger, Charles Ducal is hier niet in goed, maar in uitstekend gezelschap.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


13 + zeventien =