08.04.14 – Alzheimer & Poëzie

| Geen reacties

Verleden week even in het poëziecentrum in Gent geweest en van de gelegenheid gebruik gemaakt om o.a. een viertal dichtbundels aan te schaffen.

In niet minder dan drie daarvan kwamen gedichten over alzheimer voor.

Het korte gedicht van Roel Richelieu Van Londersele (De bruiden, gedichten 1973-2013, Houtekiet, Antwerpen, 2013, p. 285) thematiseert het verdwijnen al door het aantal verzen: er zijn drie strofen, die achtereenvolgens vier, drie en twee verzen tellen. In het gedicht is sprake van een ‘hij’ die niet nader omschreven wordt, waarvan gesuggereerd wordt dat hij langzaam zijn geheugen verliest: ‘zeef’, ‘zand’ zijn kernwoorden. De dichter probeert het proces van geheugenverlies in taal te vatten zonder zelf direct tussen te komen, de ‘ik’ blijft buiten het gedicht, als een objectieve waarnemer.

In Koos Geerds’ Dialoog met het eiland ( Arbeiderspers, Amsterdam, 2014, p. 57) is dat laatste eveneens het geval, maar verder verschilt zijn alzheimergedicht totaal van het vorige; het bestaat uit elf losse verzen, die even zovele onaffe zinnen zijn, zinnen waarin meestal het werkwoord ontbreekt, en die allemaal met ‘wanneer’ aanvangen. Of werkwoorden de eerste woorden zijn die bij alzheimer verdwijnen, weet ik niet, maar veel belang heeft het niet. De dichter probeert hier van binnenuit het fenomeen te vatten, een beetje zoals Bernlef jaren geleden deed in zijn roman Hersenschimmen, die voor zover ik weet voor het eerst alzheimer ook op de literaire kaart zette.

Het derde gedicht zijn er eigenlijk drie, en ze komen voor in Charles Ducals nieuwe bundel De buitendeur (Houtekiet, Antwerpen, 2014, pp. 33-35). In tegenstelling tot de twee vorige treden hier wel degelijk twee personen op: de dichterlijke ik en zijn vader. In een werkelijke dialoog treden die niet, maar wel in wat je een handelingsdialoog zou kunnen noemen. De ik beschrijft hoe hij zijn vader zuivert, wast, verzorgt en hoe de vader daarop reageert. Toch zijn het amper twee subjecten, want de reacties van de vader zijn miniem. In het eerste deel bv. is de vader gereduceerd tot een ‘het’, een lichaam dat ‘eet en slaapt, pist en schijt’, een object dus, met nog een minimum minimorum aan bewustzijn. In het tweede deel is de ik zelf volledig aan het woord om de machtsverschuivingen tussen hen aan te duiden. Enkel in het derde deel wordt er ‘gedialogeerd’, d.w.z. worden de inadequate antwoorden en vragen van de vader weergegeven, op een tamelijk realistische, beknopte manier, zoals ze inderdaad bij alzheimerpatiënten letterlijk zullen voorkomen.

Ducal lijkt me de beste dichter van de drie, ook in deze.

Graf van Alzheimer en zijn vrouw, Hauptfriedhof, Frankfurt

Graf van Alzheimer en zijn vrouw, Hauptfriedhof, Frankfurt

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


veertien − 13 =