05.04.14 – Brunclair

| Geen reacties

Victor J. Brunclair gaat in de Nederlandse letteren door als een epigoon van Van Ostaijen, en niets meer. Wanneer je zijn gedichten leest, klopt dat wel deels. En proza heeft hij te weinig uitgegeven om dat beeld anderszins bij te stellen: een roman, die mij voor zover ik me herinner een beetje aan Dostojewski deed denken, en daarnaast een pamflet dat voornamelijk tegen Urbanus Van de Voorde gericht was.

brunclairDe biografie die Dieter Vandenbroucke aan Brunclair wijdde (Dansen op een vulkaan Victor J. Brunclair, schrijver in een bewogen tijd, Uitgeverij De Bezige Bij, Antwerpen, 2013) stelt dat blijkbaar in menigerlei opzicht onjuiste beeld grondig bij. Dat komt op de eerste en voornaamste plaats omdat Vandenbroucke zich vooral concentreert op het pamflettaire, journalistieke en essayistische werk van Brunclair. Dat betekent niet dat hij op het andere werk niet zou ingaan. Zo behandelt hij Brunclairs enige roman De monnik in het Westen tamelijk uitgebreid, en ook op de vier dichtbundels van Brunclair gaat hij in, waarbij hij inderdaad het epigonisme van de dichter niet uit de weg gaat. Maar blijkbaar heeft Brunclair veel en veel meer geschreven dan dat, alleen is het nooit gepubliceerd. terwijl het juist dat andere werk is dat van Brunclair een interessante, gedreven figuur maakt, die voortdurend tussenkwam zowel in literaire als politieke zaken, en die daarbij nooit een blad voor de mond nam.

Dat heeft hem voornamelijk windeieren opgebracht, en heel wat vijanden bezorgd. En uiteindelijk is het ook dat wel geweest dat ervoor gezorgd heeft dat hij in de handen van de nazi’s terechtkwam en in het concentratiekamp van Ladelund, waar hij van ontbering doodgewerkt werd. Nochtans had dat niet zo hoeven te zijn, want Brunclair, die in mijn ogen een man van het verzet tegen de nazi’s geweest was, blijkt in zijn opvattingen heel wat dubbelzinniger geweest te zijn – wellicht zonder dat hij dat zelf besefte. Zo wou hij oorlogsburgemeester van Kapellen worden en deed hij zonder problemen mee aan literaire prijskampen van regelrechte nazitijdschriften als De Schouw. Maar aan de andere kant kwam hij voortdurend en tot het einde op voor de volstrekte individuele vrijheid van de kunstenaar. De tegenstelling zag hij blijkbaar niet. In die zin was hij een typische intellectueel, die in de wolken zweefde en amper weet had van of besefte wat er in de realiteit gebeurde, hoe de werkelijke politieke verhoudingen lagen.

Daarin was hij overigens niet de enige. Bij het lezen van deze prachtige biografie krijg je voortdurend de indruk dat, zeker in de tweede helft van de jaren dertig, in de politieke en culturele middens enkel nog zwalpende dronkaards rondliepen die steeds tegen elkaar botsten, mensen dus die voortdurend het noorden kwijt waren en over geen enkel kompas meer beschikten. Het is slechts één van de zeer sterke kanten van dit boek: Vandenbroucke plaatst de figuur van Brunclair steeds in een bredere maatschappelijke context, op de eerste plaats van Vlaanderen uiteraard, en van België, maar ook in een breder Europees en zelfs universeel verband. Zo kan veel van Brunclairs standpunten verklaard worden door het feit dat hij radicaal anti-Belgisch was en eigenlijk het hele Belgische construct vernietigd wilde zien. Dat zal wel een van de belangrijkste oorzaken zijn van het feit dat hij soms tot collaboratie neigde en dat hij, door de obsessionele aard van dat soort standpunten, voeling met de realiteit verloor en niet meer wist wat kon en wat niet.

Je zou Brunclair in vele opzichten een linkse liberaal kunnen noemen, maar anderzijds was hij ook door en door Vlaams nationalistisch. Blijkbaar werd ook dat niet als een tegenstelling gevoeld – niet enkel door Brunclair zelf trouwens. Ik wist wel dat er vlak na de eerste wereldoorlog van die tegenstelling amper sprake was (Moens en Van Severen konden in de tijdschriften zonder enig probleem naast Achilles Mussche of Henriëtte Roland Holst staan), maar dat dit, zij het in eerder beperkte milieus, heeft doorgewerkt tot zelfs in de tweede wereldoorlog, dat wist ik niet. Om slechts één feit te noemen: het eerste door de bezetter toegelaten blad in Antwerpen was het communistische Ulenspiegel, dat echter ook Vlaams nationalistisch was (Jef van Extergem). Ook Brunclair was daarbij betrokken. Het zal zijn beeld als communist wel versterkt hebben, en de nazi’s mee op hem opmerkzaam hebben gemaakt, ook al is hij nooit werkelijk communist geweest.

Dieter Vandenbroucke heeft zijn huiswerk zeer goed gemaakt, zijn biografie is niet enkel boeiend en vlot geschreven, zonder aan academische accuratesse in te boeten, het boek is vooral zeer goed gedocumenteerd. Hij weet het beeld, niet enkel van Brunclair zelf, maar van het hele politieke en artistieke leven in het Vlaanderen van die tijd, zeer goed te nuanceren en klemtonen te leggen die voor de specialisten wellicht niet nieuw zijn, maar voor de leek die ik ben in elk geval wel.

Nu nog een bloemlezing uit de bijdragen van Brunclair in dag-, week- en maandbladen – van politieke of artistieke natuur – die de evolutie van de auteur grondig tot zijn recht zou laten komen. En daarnaast wellicht een boek met zijn evenmin ooit uitgegeven toneelwerk. En natuurlijk een verzameling van de gedichten. Een verzameld werk kortom. Maar daar zal wel weer geen geld voor zijn.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


12 − vijf =