16.03.14 – Literatuurgeschiedenis

| Geen reacties

Ik lees bijna geen tijdschriften meer, en ben dus amper nog op de hoogte van wat er in het literaire wereldje gebeurt.

Maar afgelopen vrijdag had ik een afspraak in ’t stad, en omdat ik zeker wel wat zou moeten wachten, kocht ik op de Melkmarkt een aantal tijdschriften, waaronder het recentste nummer van De Gids, dat eigenlijk geen tijdschrift meer is.

geschiedenis-moderne-literatuur-thomas-vaessensDaarin viel me een artikel op van Thomas Vaessens, dat een antwoord was op een kritiek door Bart Vervaeck van Vaessens’ Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2013).

De recensie van Vervaeck heb ik niet gelezen, dus kan ik daar weinig over zeggen, eigenlijk enkel wat ik uit het stuk van Vaessens (dat, zoals het voor sommige hoogleraren waarschijnlijk hoort, nogal warhoofdig en nietszeggend is) zeer onrechtstreeks kan afleiden. Blijkbaar vond Vervaeck het boek van Vaessens helemaal niet zo vernieuwend als deze pretendeert dat het zou zijn.

Als dat inderdaad de teneur van Vervaecks recensie is, ben ik het daar volledig mee eens. Dat was trouwens de eerste conclusie die ik trok nadat ik het boek vlak na verschijnen las.

Vroeger werden termen als ‘romantiek’, ‘barok’, ‘realisme’… op tweeërlei wijze gebruikt: enerzijds als aanduiding van een tijdperk in de literatuurgeschiedenis, anderzijds als aanduiding van een bepaalde stijl. Vaessens doet helemaal niet anders dan dat, alleen hij spreekt niet meer van ‘tijdperk’ of van ‘stijl’, maar hij gebruikt een nieuwe, waarschijnlijk uit de Angelsaksische literatuurwetenschap afkomstige terminologie; zo spreekt hij over ‘frames’, en denkt waarschijnlijk daarmee het warm water uitgevonden te hebben. Behalve in de terminologie en, inderdaad, in de persoonlijke visie van de auteur op sommige literaire fenomenen (maar dat geldt natuurlijk voor élke, zeker een goede literatuurgeschiedenis) is er helemaal niets nieuws aan dit boek. Dat is overigens helemaal niet erg, want voor de rest kan het zeer goed gebruikt worden als handboek voor kandidatuurstudenten (dat heeft een nieuwe naam gekregen, dat weet ik, maar welke?, bachelorstudenten?) in de letteren.

Overigens is ook het uitgangspunt van Vaessens met de haren erbij getrokken. ‘Romantiek’, ‘realisme enz. zijn inderdaad ‘essenties’ en worden vaak als zodanig gebruikt. Maar ze komen wel voort uit de praktijk. In een grijs verleden hebben de voorlopers van de huidige literatuurwetenschappers vastgesteld dat een aantal literaire werken bepaalde sterke overeenkomsten vertoonden, en dan hebben ze daaraan een naam gegeven, die die verschijnselen kon samenvatten (gedeeltelijk althans, want de naam valt uiteraard nooit volledig samen met de concrete verschijnselen). Er is dus doodgewoon gebeurd, wat Sartre in een beroemd geworden formule samenvatte: l’existence précède l’essence. Zoals men uit de paarden de paardheid afleidde, abstraheerde. Ook Vaessens ontkomt daar niet aan, tenzij in die zin dat hij het werk ahw nog eens overdoet en opnieuw op zoek gaat naar het concrete voorkomen van wat met algemene termen als ‘modernisme’, ‘avant-garde’ enzovoort wordt aangeduid.

Daar is allemaal niets mis mee, maar het als vernieuwend voorstellen, nee dat klopt niet.

Overigens, een boek dat wel degelijk de-essentialiserend werkt, ook al noemt de auteur het voor zover ik me herinner niet zo, is het gedegen doctoraat van W. van den Berg: De ontwikkeling van de term ‘romantisch’ en zijn varianten in Nederland tot 1840 (Van Gorcum, Assen, 1973). Van den Bergh komt in Vaessens’ bibliografie wel voor, maar dit boek vreemd genoeg niet.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zeven − vijf =