22.03.14 – Lemaître/Fonteyne

| Geen reacties

FonteyneEen boek waarbij je regelmatig op moet staan van de lectuur en gaan ijsberen, omdat het je aan het denken zet, omdat het je diep ontroert (jaja, een sentimenteel ventje, ik), omdat het je schokt soms wanneer het feiten reveleert die je voor onmogelijk hield – zo’n boeken zijn zeer zeldzaam, en al zeker als het over politieke biografieën gaat.

C’est un joli nom, camarade. Jean Fonteyne, avocat de l’internationale communiste (Editions Aden, Bruxelles, s.d.) is zo’n boek.

Het is vooreerst een voorbeeldige biografie, waarin een mooie synthese gebracht wordt van het privéleven van een uit de liberale bourgeoisie afkomstige advocaat, van de grote Geschiedenis die zich op wereldvlak afspeelt (hetgeen toen overigens nog voor een groot deel samenviel met Europa) en de kleinere geschiedenis van België.

Van dat privéleven, vooral de studententijd van Fonteyne, herken ik wel iets. Ook ik ben mijn studies immers begonnen aan de ULB in Elsene, zij het vijftig jaar later. Maar ook ik herinner me de wandelingen in het Bois de la Cambre, en vooral de voordrachten-met-debat die we met de Studiekring Vrij Onderzoek (en de Franstalige pendant Librex) organiseerden over allerlei actuele thema’s. In die tijd heette die kring ‘Mouvement pour la culture morale’, wat inderdaad een vreemde naam is, maar die veel verraadt over het idealisme van de oprichters, waaronder dus de pas uit het leger (hij had vrijwillig dienst genomen) teruggekeerde Jean Fonteyne, die dan op amper twee jaar zijn diploma in de rechten haalde. Niets wees erop dat hij zeer sterk naar links zou gaan opschuiven; inderdaad zijn stage als advocaat begon hij bij de liberale excellentie Paul-Henri Janson (naar wie later het grote auditorium van de ULB genoemd zou worden). Wat wel voor de hand lag natuurlijk voor studenten van de ULB, zeker in die tijd, was zijn intrede in de vrijmetselarij, met name Le Droit Humain, op het einde van de jaren twintig. Die keuze zei al iets, want het was de meest vooruitstrevende in die tijd van de twee bestaande maçonnieke obediënties in België, want de enige die zowel mannen als vrouwen inwijdde.

Slechts enkele jaren later, o.a. onder invloed van de zware economische crisis en de gevolgen ervan voor de arbeidende klassen, sloot hij zich aan bij de zeer kleine Belgische communistische partij. Naast zijn werk als advocaat, dat hij tot het einde is blijven doen, zou hij zich binnen deze partij ontwikkelen tot een van de belangrijkste figuren, een figuur zelfs van internationale rang, want niet enkel werd hij de advocaat van de eerste ambassade van de USSR in België, maar vooral werd hij verwikkeld in de geheime bezigheden van de communistische internationale, waarin hij zelfs de tweede man van Europa werd na en naast Eugen Fried, die in 1943 vermoord werd. Ook met de Franse KP was hij zeer sterk gelieerd, en zorgde hij vooral ervoor dat de fondsen van die partij bewaard bleven doorheen de oorlog.

Terzelfdertijd was Fonteyne blijkbaar een familieman, die zijn vier dochters een min of meer strenge, maar goede, eerlijke en op rechtvaardigheid en maatschappelijk engagement gerichte opvoeding gaf. Dat gold al evenzeer later voor de vele kleinkinderen, waarvan de schrijver van dit boek, Jean Lemaître, er een is.

Lemaître heeft er nauwgezet op toegezien van zijn boek geen hagiografie te maken. Hij doet dat vooreerst door zijn stijl, die zeer sterk aanleunt bij de spreektaal, zelfs met gebruik hier en daar van argot, waardoor het boek zeer vlot en aangenaam leest. Dat wijst natuurlijk op de empathie die de auteur heeft voor zijn onderwerp, empathie die hij zonder problemen weet over te brengen op de lezer. Toch neemt hij ook afstand ten opzichte van het onderwerp van zijn studie, door voortdurend vragen te stellen vooral, waarvan de belangrijkste wellicht is: hoe kan het dat zo’n gevoelig mens zo lang is blijven geloven in de Sovjet-Unie en zo lang in de KP gebleven is. Het siert de auteur dat hij daar geen antwoord op geeft of kan geven.

Maar hij geeft natuurlijk wel elementen aan voor een mogelijk antwoord.

buchenwaldHet belangrijkste daarvan is waarschijnlijk de ervaring van Breendonk en Buchenwald. In dat laatste kamp kwam Fonteyne meer dood dan levend aan, en als hij er uiteindelijk toch levend uit gekomen is, gebeurde dat dank zij de onvoorwaardelijke steun van vooral zijn communistische kameraden daar, die hem er werkelijk door hebben gesleept. Zoiets schept banden die enkel door de dood verbroken kunnen worden. Een van die banden was die met Jacques Grippa, die samen met hem door die twee kampen is gegaan. Ik herinner me Grippa nog, van een avond die we na een meeting in Brussel samen (en met anderen) hebben doorgebracht. Fonteyne heeft Grippa niet gevolgd toen die een nieuwe, pro-Chinese partij oprichtte, maar is hem evenmin afgevallen, heeft hem zelfs verdedigd binnen de KP.

Nochtans moet er bij beiden een ongelooflijke bitterheid aanwezig zijn geweest. Wat ik niet wist: in Breendonk hebben vier leden van het politiek bureau (dat was toen de dagelijkse leiding van een communistische partij) in aanwezigheid van leden van de Gestapo, Grippa en Fonteyne ertoe proberen over te halen alles wat ze wisten (adressen, schuilplaatsen, verantwoordelijkheden incluis) te verraden. Zij hebben dat geweigerd. Die vier zijn nooit uit de partij gezet, meer zelfs: na de oorlog werd het besluit genomen dat ze nooit meer een verantwoordelijke functie zouden krijgen binnen de partij. Maar dat gebeurde toch. Je zou voor minder een partij verlaten.

Triestig bilan: in 1965 werd hij zelf uit de partij gezet. Of: hoe een partij, die zichzelf als vooruitstrevend en links ziet, zichzelf totaal de das omdat en verwordt tot een groepje zieke sectairen.

Het heeft Fonteyne niet belet verder te blijven werken als advocaat, ook en misschien vooral internationaal. Het lijkt alsof hij nooit verbitterd is geworden, alsof het geloof altijd sterker is gebleven dan alle mistoestanden, ontgoochelingen en tegenkantingen tesamen. Chapeau!

Lemaître heeft een zeer boeiend boek geschreven, over een figuur en een tijd die in de vergetelheid dreigen te geraken, nu het woord ‘solidariteit’ een scheldwoord geworden is, bijna. Op het einde van zijn boek vraagt hij zich af of het allemaal wel de moeite waard is geweest. Hij stelt die vraag niet letterlijk, maar het komt er wel op neer. Vooral door wat we nu weten van de Sovjet-Unie en Stalin. Gelukkig gaat hij niet zo ver dat land en haar regering te vergelijken met het Hitlerregime. Dat zou voor een historicus onvergeeflijk zijn, en dan zou zijn boek deel geworden zijn van de heersende ideologie, die elk engagement afdoet als nutteloos – op z’n best. Dat is dus gelukkig niet het geval.

Fonteyne was blijkbaar geen rechtlijnig, orthodox mens, die voortdurend met zware principes te koop liep, zoals intellectuelen dat wel eens menen te moeten doen. Persoonlijke vriendschappen zullen in zijn blijvende houding een rol hebben gespeeld, maar misschien ook het diepere inzicht, dat de enige mogelijke weg voor de mensheid de weg van het socialisme is. En dat het eeuwen duurt vooraleer we daar zijn. En dat ondertussen, onderweg alles, maar dan ook alles verkeerd kan gaan. Gewoon omdat we maar kleine mensjes zijn – zelfs als je zo groot bent als Jean Fonteyne.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twee × 5 =