30.03.14 – Bachmann

| Geen reacties

Ingeborg Bachmann. Wanneer heb ik haar voor het eerst gelezen? De gedichten waarschijnlijk al als student, de roman Malina iets later. En dan twintig jaar niets meer, tot in het begin van de jaren negentig een vierdelige werkuitgave verscheen bij Piper. Secundaire literatuur over haar werk heb ik niet gelezen voor zover ik me herinner, en van haar leven wist ik zo goed als niets af. Zo dacht ik bv. dat ze gestorven was ten gevolge van een brandongeval in haar appartement. En voor de rest kende ik enkel haar moeilijke verhouding met Paul Celan. De briefwisseling tussen beiden is trouwens enkele jaren geleden verschenen.

bachmannEn nu dus een biografie: Andrea Stoll: Ingeborg Bachmann. Der dunkle Glanz der Freiheit (C. Bertelsmann, München, 2013). Misschien bestonden er voordien al biografieën van haar, maar die heb ik gemist. Op dit boek ben ik trouwens ook maar per toeval gekomen.

Stoll weet een treffend beeld te schetsen van een leven dat nog geen vijftig jaar geduurd heeft, en dat blijkbaar altijd in het teken heeft gestaan van een diepe verscheurdheid. Volgens de biografe zou dat vooral te maken hebben met gebeurtenissen op het einde van de oorlog, toen zij alleen moest achterblijven in het ouderlijke huis in Klagenfurt, terwijl de stad voortdurend gebombeerd werd en er overal gevochten werd. Daar kwam nog bij dat haar vader, waar ze een sterke band mee had, was opgeroepen en aan het front stond. Dat zal inderdaad wel veel te maken hebben met latere moeilijkheden, en met haar politieke stellingnames, maar ik kan me niet aan de indruk ontdoen dat de werkelijke oorzaken veel dieper en veel verder moeten liggen, in de vroege kindertijd. Dat is een gemeenplaats natuurlijk, maar zoals alle gemeenplaatsen klopt het wel. In 1945 was Bachmann 18 jaar oud, en stond dus op de rand van de volwassenheid. Het is jammer dat Stoll niet uitgebreider ingaat op de tijd voordien.

Niet lang daarna studeerde ze wijsbegeerte en letteren, en behaalde aan de universiteit van Wenen de doctorshoed, op tamelijk korte tijd, en met een dissertatie over de receptie van Heidegger. Ook met Wittgenstein en de Wiener Schule heeft ze zich min of meer intensief beziggehouden. Dat zorgde er natuurlijk voor dat ze in een mannenwereld een buitenbeentje was, die daarenboven intellectueel die mannen sterk overvleugelde.

Verder heeft ze zich echter amper nog met filosofie beziggehouden, maar zich volledig geconcentreerd op haar literaire werk en loopbaan. Stoll weet haar Werdegang op dit vlak zeer goed te schetsen, vooral de manier waarop ze de mannen rond haar vinger kon winden om haar doel te bereiken. Dat begon al bij haar eerste optreden in 1947 bij de Gruppe 47. En dat heeft vriendschappen niet in de weg gestaan, integendeel. Dank zij haar was bij dat eerste optreden ook Paul Celan aanwezig, waarmee ze een verhouding kreeg. Maar om daar werkelijk iets van te maken, waren ze veel te verschillend van karakter en van achtergrond (kinderen van dader en slachtoffer -waar ze niet klaar mee kwamen); plus natuurlijk weigerde zij zichzelf weg te cijferen voor een man. Dat is haar hele leven zo gebleven, ook in haar twee andere verhoudingen. Enkel de tweede heeft daarbij tot een blijvende vriendschap geleid. Maar dat had er waarschijnlijk mee te maken dat de componist Hans Werner Henze homoseksueel was, en zodoende sowieso al minder beslag op haar legde. Haar derde verhouding was die met Max Frisch. Die duurde vier jaar, en is waarschijnlijk de pijnlijkste geweest, eveneens wegens totaal incompatibele karakters. Waarbij de grote jaloersheid van Frisch kwam, en zijn neiging om totaal beslag op haar te leggen.

Dat liet zij nooit toe. Haar vrijheid als mens en kunstenares was haar blijkbaar boven alles lief. Stoll weet dat op een zeer boeiende en empathische wijze te vertellen, zonder zich te verliezen in te veel details, en zonder te diep in te gaan op intieme zaken. Die worden veel meer gesuggereerd dan beschreven. Stoll weet altijd de nodige afstand te bewaren, en wordt nooit voyeuristisch, zoals het in biografieën regelmatig gebeurt – in het Nederlandse taalgebied toch.

Uiteraard wordt uitgebreid ingegaan op het literaire werk van Bachmann, zowel haar gedichten, waar ze tenslotte bekend en beroemd mee werd, als haar samenwerking met Henze, voor wie ze vele libretti schreef. Ook haar schrijfmoeilijkheden, veroorzaakt door een zo typisch Oostenrijkse twijfel aan de uitdrukkingskracht van de taal (Lord Chandos!), worden besproken, en hoe zij als het ware vocht met de tekst, en eigenlijk amper ooit tevreden was.

De oorzaak van haar vroege dood waren niet de brandwonden, maar de verslaving aan enerzijds slaap- en kalmeermiddelen, en anderzijds alcohol. De laatste jaren van haar leven was ze daarvoor vaak in klinieken in behandeling. Ook hier blijft Stoll kies, en beperkt zich tot de grote lijnen.Toen ze in het ziekenhuis werd opgenomen, heeft niemand de artsen daarvan op de hoogte gebracht, en het is door de plotse ontwenning dat ze in coma geraakt en gestorven is. Wat alleszins jammer is, ook omdat ze haar romancyclus Todesarten anders wellicht had kunnen afwerken, en dan hadden we wellicht een nieuw Oostenrijks meesterwerk van de kracht en de stilistische scherpte van Musil gehad.

De enige wezenlijke kritiek die ik heb, houdt verband met de oorzaken van haar zware psychische moeilijkheden, ik heb het al gezegd.  Stoll geeft die wel zeer goed weer, in al hun consequenties, maar ik heb de indruk dat ze de belangrijkste oorzaak zoekt in het feit dat Bachmann al heel vroeg gekozen heeft voor een leven als freie Schriftstellerin. In die tijd was dat zeker voor een vrouw niet gebruikelijk, en het heeft dan ook zeker haar leven voor een deel vergald door het voortdurende geldgebrek en de verplichtingen om allerlei onbelangrijke dingen te schrijven omdat er toch een beetje brood op de plank moest komen. Maar dat kan de oorzaak niet geweest zijn van haar verscheurdheid tussen enerzijds het glamourpersonage, dat ze blijkbaar met glans wist te spelen, en anderzijds de psychisch voortdurend labiele schrijverspersoonlijkheid, die kapot ging aan haar absolutistische ingesteldheid wat haar werk betreft.

Andrea Stoll schrijft een mooi, vloeiend Duits, en geeft voortdurend blijk van haar empathie voor haar personage, zonder daar ooit in te overdrijven. Het boek is goed gerechercheerd en leest zeer vlot. Voor mij is het alleszins stimulerend genoeg om het werk van Bachmann na al die jaren nog eens terhand te nemen.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


14 + veertien =