Hoe de Zwarten in de Hemel kwamen

| 1 reactie

Filip de Pillecyn

Sinds enkele jaren, met name sinds de aan hem gewijde jaarboeken begonnen te verschijnen, is er weer veel aandacht besteed aan het werk van Filip De Pillecyn. En terecht, want hoe je ook anderszins tegen de persoon en zijn werk aan kunt kijken, zuiver literair gezien is zijn werk van grote kwaliteit, en behoort het tot de top van de Nederlandse literatuur uit de jaren dertig tot vijftig.

De genoemde jaarboeken zijn niet enkel fraai vormgegeven met mooie kleurillustraties, zij gaan vooral diep in op het werk zelf, en publiceren in elk nummer ook onuitgegeven teksten. Daarenboven, en dat is belangrijk, gaan zij ook heikele zaken niet uit de weg – daarmee bedoel ik dat ook de collaboratie van De Pillecyn met de Duitse bezetter, en de weerslag daarvan in het werk van na de oorlog onder ogen worden gezien en zonder schroom behandeld worden.

Des te meer verwondert het dat een van de belangrijkste teksten waarin De Pillecyn zijn ervaring van de repressie/epuratie verwerkt tot nog toe geen enkele aandacht heeft gekregen, noch in die jaarboeken noch in andere aan zijn werk gewijde studies, waarin die verwerking verder toch ruime aandacht krijgt.

Ik heb het over het in strofen van telkens vier verzen geschreven gedicht[1] Hoe de zwarten in de hemel kwamen, dat in 1950 verscheen in een genummerde uitgave bij uitgeverij Luctor te Antwerpen. Het verscheen onder de schuilnaam Filip den Duvel, en werd vergezeld van tekeningen van De Pillecyns neef Remi De Pillecyn, die het pseudoniem Kris van den Langenberg gebruikte[2].

Ik noem slechts twee publicaties waarin dat boek aan bod had moeten komen. In de reader Verbrande Schrijvers, ‘culturele’ collaboratie in Vlaanderen 1933-1953 schrijft Ludo Stynen een lang en grondig opstel over de culturele collaboratie van De Pillecyn[3], waarbij hij uitgebreid ingaat op de verwerking van diens bestraffing en opsluiting na de oorlog; dat gebeurde volgens Stynen blijkbaar enkel in het in 1979 verschenen maar veel vroeger geschreven Face au mur en in de roman Aanvaard het leven. Van Hoe de zwarten in de hemel kwamen niet één enkel spoor. Dat is onvergefelijk.

Hetzelfde moet gezegd worden van wat verder misschien wel het diepstgravend artikel is over de fascistische aard van De Pillecyns werk (of een deel van dat werk) en persoonlijkheid: ‘Begoochelingen en ontgoochelingen van een Vlaamse nationaalsocialist; omtrent het idealisme van de schrijver Filip De Pillecyn’ van Kris Humbeeck[4]. Humbeeck steekt zijn negatieve instelling tegenover de figuur van De Pillecyn niet onder stoelen of banken: de betiteling ‘nationaalsocialist’ in de titel, het gebruik van ‘narcist’ als denigrerend scheldwoord in de tekst. Des te meer verwondert het dat hij dit gedicht niet noemt, het zou immers ‘gefundenes Fressen’ voor hem geweest zijn.

Een tweede belangrijke opmerking aan het adres van Stynen en Humbeeck is dat zij De Pillecyn tegemoet treden met moreel-politieke normen van vandaag, in plaats van (sommige van) zijn uitspraken in hun tijd te plaatsen en vanuit die tijd te beoordelen, met de normen van toen. De eigentijdse normen kunnen dan altijd nog mee gebruikt worden. Een voorbeeld: Stynen begint met te zeggen dat De Pillecyn niet verdacht kan worden ‘politiek correct’ te zijn. Maar toen De Pillecyn zijn Face au mur schreef, en zelfs toen het gepubliceerd werd, bestond dat begrip nog niet. Het is een term die in zijn huidige betekenis ontstond in de jaren zeventig (in de VS uiteraard), maar slechts in de jaren tachtig gemeengoed werd. Om een vroegere tekst te beoordelen kan hij dus niet gebruikt worden – noch impliciet noch expliciet.

Toch wordt deze publicatie af en toe vermeld, maar zonder dat er dieper op wordt ingegaan. Dr. J.M. Goris spreekt er in eerder lovende bewoordingen over: hij noemt het “één van de origineelste artistieke aanklachten die ooit tegen de anti-Vlaamse repressie werden geuit.” Hij noemt het verder een ‘persiflage’, wat niet klopt, want er wordt op geen enkele manier duidelijk wat gepersifleerd, of geparodieerd – wat op hetzelfde neerkomt – wordt. Hij stelt de tekeningen overigens hoger dan de teksten van Filip De Pillecyn.[5]

Radicaal sarcastisch in zijn afwijzing van het gedicht is Weverbergh in een kort (een halve bladzijde) stukje in Bok: vooral het antisemitisme en het soldateske (‘…het wemelt toch zo aardig van Volk en Vaderland en Offers;…’) storen hem.[6]

Tenslotte is er nog Valère Depauw, die in zijn memoires over het ontstaan van het gedicht schrijft op een eerder neutrale en feitelijke manier[7]. Depauw was een tijdlang medewerker van Uitgeverij Luctor, die het gedicht uitgaf. Hij was ook de inleider, die onder het pseudoniem Jan Eyck voorafgaand aan de tekst van het gedicht, dat op een halve bladzijde samenvatte, waarbij hij vaak scherper en fanatieker uit de hoek komt dan de dichter zelf: woorden als ‘martelaren’ (voor alle zwarten in hun totaliteit gebruikt) en ‘creperen’ spreken voor zich. Op het einde van mijn tekst zal ik nog even op dit woord vooraf terugkomen.

In dit opstel wil ik de tekst van Hoe de zwarten in de hemel kwamen onder de loep nemen, een soort tekstexegese dus, of een poging om van dichtbij te lezen. Moeilijk is dat niet, want de tekst is eenduidig en slechts op één plaats voor meerdere interpretaties vatbaar. Als de tekst daartoe noopt zal ik hem uiteraard ook van andere, juridische, historische e.d.m. commentaar voorzien.

Je kunt de tekst onderverdelen in drie grote delen: een soort inleiding, de hoofdbrok, en een soort uitleiding; die delen kunnen zelf ook weer verder onderverdeeld worden. In totaal zijn er 24 strofen, waar telkens een tekening tegenover staat. De titelpagina bevat daarenboven nog een verdere tekening. Op die tekeningen zal ik verder niet ingaan, behalve in één geval. Het is wel duidelijk dat het om illustraties gaat bij de tekst, en dus niet om zelfstandige kunstwerken. De strofen zijn niet genummerd, de nummers tussen haakjes zijn dus van mij.

oOOOo

De eerste twee strofen vallen onmiddellijk met de deur in huis. We hebben met verhalende poëzie te maken, waarvan de verteller niet onmiddellijk zelf optreedt, maar op de achtergrond blijft, ook al is onmiddellijk duidelijk door de woordkeus dat hij niet echt neutraal is.

(1)
Een rij van zwarten vóór de hemelpoort :
kind’ren en vrouwen der septemberdagen
en mannen ook, in hinderlaag vermoord,
die nog de sporen der mishand’ling dragen.

‘Mishandeling’, ‘vermoord’, en dan nog vrouwen en kinderen: het is duidelijk dat de verteller van dit episch gedicht zich aan de kant van slachtoffers schaart. Die slachtoffers zijn blijkbaar de ‘zwarten’, diegenen dus die tijdens de recentste oorlog de kant van de bezetter gekozen hebben, en met hem collaboreerden. Dat is evident, maar gelet op de kwaliteit van het hedendaagse onderwijs zeg ik toch nog maar eens expliciet, dat niet de zwarthuidige medemens bedoeld is.

Die slachtoffers werden blijkbaar mishandeld en vermoord tijdens ‘septemberdagen’. Daarmee is die periode in september 1944 bedoeld, tijdens dewelke de bezetter al de aftocht geblazen had, maar het nieuwe oude, ‘democratische’ regime haar structuren nog niet had heropgebouwd. Een periode kortom waarin een machtsvacuüm heerste. De oude macht was verdwenen, de opvolger was nog niet verschenen. ‘Anomie’ heet dat met de technische term uit de sociologie. Huyse en Dhondt schrijven daarover in hun inmiddels tot standaardwerk geworden boek[8] het volgende:

“De volksrepressie werd door wie er het mikpunt van was ervaren als een ware catastrofe. Dat is niet verwonderlijk. Zij had, los van haar feitelijke omvang en aard, voor vele getroffenen het karakter van een natuurramp. Bij sommige meelopers van de collaboratie was er niet eens het besef dat zij zich tijdens de bezetting misdragen hadden. (…) Anderen, die wel beter wisten, hadden wellicht een naïef vertrouwen in het gerechtelijk apparaat. Misschien verwachtten zij een redelijk en fair proces.
(…)
De bevrijding was daarvan (van het machtsvacuüm in mei 1940 – PB) een herhaling, maar met één groot verschil: de collaborateurs waren de allereerste en vaak ook de enige slachtoffers van het wegvallen van wet en orde. Dat is goed te begrijpen. Op het einde van de oorlog hadden de collaborerende bewegingen hun lot steeds meer met dat van de bezetter verbonden. Dat was de bevolking niet ontgaan. Het gevolg was dat de Duitsgezinden veelal vereenzelvigd werden met de Duitsers zelf. De snelle opmars van de geallieerden, in de loop van de maand september, bracht mee dat de bezetter verdwenen was vooraleer de volkswoede zich tegen hem kon keren. De opgekropte haat is dan op de collaborateurs losgelaten.”[9]

Dat is de maatschappelijke, dit is de politieke en sociale context waarbinnen het gedicht van De Pillecyn geschreven werd en dus gesitueerd moet worden. Het is ook vanuit die context dat het gelezen, geduid en geëvalueerd moet worden, en de normen waarmee vandaag een dergelijk gedicht benaderd zou worden, moeten dus in de schuif worden weggeborgen.

Delen:
Share

Eén reactie

  1. Een romancier buiten categorie waar in Vlaanderenland weinig over gesproken wordt is Louis-Ferdinand Céline.

    L-F Céline wordt genoemd als lichtend voorbeeld voor tal van mensen die groot of klein hebben geschreven, toch vraag ik me af wordt hij links of rechts door Mieke en Jan nog wel gelezen?

    Nederlanders lijken wel grotere belangstelling te hebben, zie maar de bij hen erg gesmaakte vertalingen van zowel zijn acht ik-romans als stapels brieven en de commentaren van Emanuel Kummer, Debrot, Versteeg, Keuning, Spork, Hermans en Frans van Woerden. Weliswaar belangrijkste van al: naar men mij zegt zouden daar nogal wat studenten de Franse schrijver opnieuw meer en meer gaan appreciëren.

    Die leemte in Vlaanderen intrigeert me een beetje, zie ik dat tekort wel goed en zo ja waarmee zou dat te maken kunnen hebben? Aan de geroemde en zeer geprezen theatermonoloog “Reis naar het einde van de nacht” van Guido Lauwaert zal het zeker niet hebben gelegen!

    Kent de meerderheid der Vlamingen geen Frans genoeg (meer) om zich door de spreekmuziek, schrijfdans en straattaal van jongleur Céline nu eens vloekend dan weer lachend een weg te kunnen banen?

    Zijn de gelauwerde ver-taalde romans voldoende gekend, zijn ze misschien niet genoeg nieuwerwets gebekt, te ABN Standaardnederlands of verraderlijk anders dan het origineel gestemd?

    Of moeten we het eerder zoeken in zaken die verband houden met “vervlaamsing, anglofolie en francopathie” waardoor onmerkbaar Franse cultuur blindheid in blik en hoofden is ontstaan?

    Heeft woordkunstenaar Louis-Ferdinand Céline in Nederlandstalig België geen vrienden meer die hem in een top 10 of als verplichte lectuur hebben aangeprezen?

    En wat moeten we denken van de mening van onze landgenoot en “grand célinien” Marc Laudelout die vindt: Ferdinand schrijft veel te expressief om “de doorsnee introverte en meer gesloten Vlaming” sans gêne te kunnen passioneren…?

    Is er met Céline alias Dr. Destouches echter niet verschrikkelijk veel meer aan de hand: is hij mee schuldig aan Holocaust en collaboratie, monsterlijke gruwelen die slachtoffers, nakomelingen en het collectief geheugen nooit ofte nooit zullen pardonneren; hij bleek niet vies van racisme, onverbeterlijk dwarsliggen plus slopende kritiek op alle mogelijke kerken en heilige werken; waardoor zowel machtige tegenstrevers als brave burgers in koor die “povere docteur en gemene pamfletteur” eeuwig tot hel en verdoemenis condamneren. Maar is ook dat typisch voor Vlaanderen en in Brussel, Wallonië, Frankrijk en Nederland zoveel anders?

    Zelfs voor wie van dat hatelijk verleden niets af zou weten: Monsieur Ferdinand heeft in zijn spreken hoe dan ook een “vrij vranke cynische mulle” en etaleert een pessimistisch-realistisch wereld- en mensbeeld, een zwarte visie en luidop denken waarmee “de doorsnee correcte en minzame Vlaming” het minstens in de dagelijkse omgang nogal moeilijk heeft? En vandaar mogelijks het genadeloos afkraken in bepaalde kringen: “Die vent is niet meer en niet minder dan een misrekende en zelfbeklagende kwal waarover men in alle talen zwijgen zal!”

    Of is het slechts een beetje van dat alles? Is hij simpel slachtoffer van de lawines van academische en artistieke lettermachines?Trop c’ est trop! We doen en laten ons brein via nieuwe media aan de lopende band met duizend beelden en heet van de naald klaarkomen. Louis-Ferdinand avec ses délires, ses histoires, c’ est démodé, afgezaagd, ancienne alliance, inbinden, du passé. Behalve een handvol fijnproevers of gepensioneerden lezen we in de maalstroom van competentie, competitie,commercie gewoon geen veeleisende boeken van dat kaliber meer. Hoe groot is het verlies als de laatste reisgenoten van de fabelachtige Céline hem vroeg of laat ook nog de rug toekeren? Of maken we ons nodeloos zorgen: komt zelfs voor hopeloze ongelovigen op het einde van de nacht hoe dan ook de ochtend niet weer aan de horizon gloren?!

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


8 + 17 =