Herlezen (8): Paul de Wispelaere over de moderne roman

| Geen reacties

Grotendeels toch, herlezen.

Want de door Bart Vervaeck samengestelde en ingeleide reader Paul de Wispelaere De moderne roman (Academia Press, Gent, 2011 = SEL-reeks nr. 3) bevat enkel gepubliceerde teksten van de Wispelaere, die ik bijna allemaal vroeger al eens gelezen had, de vroegste als puber in het tijdschrift De Vlaamse Gids (toen nog een heus literair tijdschrift, later een magazine geworden, en dus nog iets later verdwenen). Ik ben dat tijdschrift beginnen lezen op mijn dertiende, en vanaf mijn veertiende had ik er van mijn moeder een abonnement op gekregen. Elk nummer las ik van a tot z uit. Wat ik begreep en wat niet, kan ik uiteraard niet meer zeggen, maar één ding herinner ik me alsof het gisteren was: de bijdragen van Paul de Wispelaere over Nederlandse letteren. Wat hij besprak probeerde ik te pakken te krijgen, in de niet zo slechte bibliotheek ter plaatse, of ik bestelde ze, of ik wachtte tot ‘later’. Dat laatste deed ik zeker met Franse en Duitse ( zo herinner ik me dat ik Heimito von Doderer heb leren kennen via een lang en intrigerend opstel over hem van Annie Reniers) titels, die ik noteerde om ze ‘later’ eens ergens te lezen. Toen ik later naar de unief ging, is dat ook gebeurd, de lijstjes had ik nog.

De Wispelaere dus. Er zullen weinigen zijn die mijn smaak zo gevormd hebben, samen wellicht met zijn kompaan Willy Roggeman. Hun boeken las ik ook al in de laatste klas van het atheneum, en zeker uit Roggeman heb ik een hele reeks titels en namen van Duitse schrijvers genoteerd. De Wispelaere is ook de auteur van het éne boek waar de adolescent niet hoog mee opliep, nee, waar hij echt mee dweepte zoals hij later nooit meer met een boek dweepte: Een Eiland Worden was dat, en toen ik het in de jaren negentig eens herlas, was de ontgoocheling groot. Maar dat had alles met mijn lyrische dweepzucht te maken, en niets met de tekst van de Wispelaere. Want dat was in alle opzichten een goeie roman (ik spreek over de oorspronkelijke uitgave, niet over de latere pocketuitgave waaruit veel te veel weggesneden werd naar mijn smaak).

Tussen de inleiding van Bart Vervaeck en een vraaggesprek met de Wispelaere als epiloog, bevat het grondig samengestelde boek drie delen. Het eerste heet ‘De nieuwe roman’, is het uitgebreidste deel, en bevat recensies van romans uit Noord en Zuid, die ook als zodanig gepresenteerd worden. Dat is mijns inziens fout. Ondanks de ontegensprekelijke verschillen tussen Nederland en Vlaanderen, die de Wispelaere trouwens zelf grondig en objectief blootlegt in de voorafgaande tekst over “Is de Nederlandse literatuur in Noord en Zuid één?”, blijf ik erbij dat het onderscheid kunstmatig is, en dat we met één enkele literatuur te maken, waarbij uiteraard varianten optreden. Ik blijf terzake verwijzen naar het Duitse taalgebied, waar dat onderscheid – en terecht – amper gemaakt wordt.

Maar bon, dat is van bijkomende orde, veel belangrijker zijn de recensies zelf, die binnen elk geografisch gebied gegroepeerd zijn per schrijver. Het zijn telkens grondige besprekingen, die vanuit de tekst vertrekken, maar als het nodig is het perspectief van de tekst ook overstijgen, en kort verwijzen naar biografie of naar politieke gebeurtenissen. Maar dat gebeurt eerder zelden, de Wispelaere is duidelijk een aanhanger van twee verwante literaire richtingen, met name het structuralisme en de werkimmanente interpretation. Ik vind dat nog altijd een goed uitgangspunt, op voorwaarde dat het niet tot een maniertje met oogkleppen wordt, zoals bij Merlyn wel eens durfde gebeuren. Die schreven soms in hun vaandel: “De tekst, en enkel de tekst”. De Wispelaere daarentegen schrijft in zijn vaandel: “eerst de tekst, en verder zien we wel”. M.a.w.: de Wispelaere vertrekt bij de tekst, blijft er meestal ook heel dicht bij, maar schroomt niet om, als de tekst in een bepaalde andere richting wijst, ook even die richting in te slaan. Het behoedt zijn recensies voor eenzijdigheid en zorgt er mede voor (samen met de schriftuur, want de Wispelaere is ook een begenadigd stilist) dat ze ook nu, een halve eeuw later, nog steeds even leesbaar blijven.

Al de recensies in dit deel zijn overgenomen uit het Haagse dagblad Het Vaderland waaraan de Wispelaere van de jaren zestig tot de jaren tachtig vast meewerkte. In dit deel staan dan ook recensies die ik nog niet kende, nog niet gelezen had. Andere (bv. over Willy Roggeman, Marcel van Maele, Hugo Raes, René Gysen e.a.) zijn ook in De Vlaamse Gids verschenen, en vandaar ken ik ze. Misschien zijn er varianten, dat heb ik niet nagezien. Wel is het een omissie van samensteller Bart Vervaeck dat hij dat feit niet gemeld heeft in zijn inleiding.

Het tweede deel heet ‘Moderne klassieken’, wat een eerder ironische titel is wanneer de eerste onder deze noemer behandelde auteur Maurice Roelants is, de ‘bête noire’ van wat wel eens de stencilgeneratie van de jaren zestig genoemd werd. Maar het is dan ook de enige afwijzende recensie in heel dit boek. Bart Vervaeck laat ook hier weer een steek vallen in zijn inleiding: hij had moeten vermelden dat dit opstel een ingekorte versie is van een langere analyse van Komen en gaan die verschenen is in het speciale nummer van Mep dat volledig gewijd was aan ‘Roelants: het einde van een mythe’ (speciaal dubbelnummer 12-13, s.d. [1965]), en dat zich enkel concentreerde op die bekendste roman van Roelants. Deze zal er niet goed van zijn geweest. De twee andere moderne klassieken zijn Hermans en Boon, en daar is niets tussen te krijgen uiteraard. Zeker Boon is altijd een van de lievelingsschrijvers van de Wispelaere geweest, en het zou me niet verwonderen als mijn fascinatie voor Boon in mijn studententijd ook via de Wispelaere tot stand is gekomen. Nooit meer slapen van Hermans heb ik nog op het atheum gelezen, quasi zeker na het lezen van de hier wederafgedrukte recensie in De Vlaamse gids.

Het derde deel tenslotte bevat drie eerder theoretische teksten, over ambivalentie, over het dagboek en over ‘geschiedschrijving en fictionalisering’. Deze werden eerder in boeken van de Wispelaere gepubliceerd. Ze laten zien dat de Wispelaere niet zomaar een abstract theoreticus is, maar dat hij telkens weer uitgaat van bepaalde teksten om theoretische beschouwingen rond te weven. Dat maakt deze teksten concreet.

Het is goed dat deze teksten heruitgegeven werden, het doet goed weer eens iets te lezen van een van de beste en intelligentste critici die Vlaanderen gekend heeft. Zijn essays en besprekingen zijn altijd accuraat en ter zake, en door zijn scherp stilistisch vermogen weet de Wispelaere twee o zo vaak onverzoenbare zaken toch te verzoenen: wetenschappelijkheid (wat ook inhoudt: inzicht in de literaire context, plaatsing van een tekst in een nationaal en internationaal kader) en toegankelijkheid voor de gewone lezer.

Tenslotte nog een woordje over de inleiding van Bart Vervaeck: twee gebreken heb ik al aangehaald; daarbij komt nog een feitelijke fout: het boekje over Marsman verscheen niet bij Manteau, maar in de reeks ‘ontmoetingen’ van Desclée de Brouwer (p. 5). En fundamenteler: Vervaeck noemt de recensies van de Wispelaere bijna systematisch ‘close readings’. Mijns inziens zijn ze dat niet, tenzij je de betekenis van die term zeer sterk uitrekt. Wel maakt de Wispelaere soms gebruik van de close-reading, zo zegt hij het zelf in een passage uit zijn boek over Boons Vergeten straat. Close Readen betekent immers dat je woord per woord, zin per zin, paragraaf per paragraaf…grondig gaat analyseren, en dat is bij proza ten enenmale onmogelijk, tenzij voor korte, belangrijke passages. Vervaeck schept hier echt verwarring, want waarschijnlijk bedoelt hij dat de Wispelaere steeds van de tekst uitgaat, hetgeen klopt. Maar van een hoogleraar verwacht ik dat hij dergelijke zaken achterwege laat. Of duidelijk en expliciet zegt waar het op staat, d.w.z. zijn begrippen definieert. Maar dan komen we in een oneindige maalstroom terecht, hetgeen ook de bedoeling niet kan zijn. Termen gebruiken in hun meest gangbare betekenis dus.

Maar dat zijn eigenlijk spijkers op laag water. De inleiding van Bart Vervaeck biedt een uitstekende synthese van de Wispelaeres romanopvattingen, van zijn essayistische praktijk, zijn expliciete of impliciete (dat minder) uitgangspunten, zijn voorkeuren enz. En omdat ook Vervaeck zelf vlot de pen weet te hanteren zonder al te schoolmeesterachtig te zijn, nodigt zijn tekst zeker uit om kennis te nemen van het erop volgend werk van de Wispelaere zelf.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × 3 =