De nachtmerrie van het liberalisme.

| Geen reacties

Het jaar 4338 en andere verhalenWanneer een verhaal begint met enkele reizigers die een klagende en beklagenswaardige figuur ontmoeten die als Job op zijn mestvaalt op de ruïnes van een gebouw of een stad zit te treuren, dan is dat bijna zeker een verhaal uit de romantiek.

Dat is ook het geval met het verhaal ‘De stad zonder naam’ uit het bundeltje Het jaar 4338 en andere verhalen (Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, s.l., 2011) van de Russische schrijver Vladimir Odojevski (1803-1869); ja, de naam zelf van dat verhaal is al romantisch door de suggestie van een totale vergetelheid waarin die stad vervallen is. De treurende figuur zal die totale vergetelheid niet opheffen, maar door aan de twee reizigers het verhaal van zijn stad te vertellen, wel een voorbeeld stellen: door te zeggen hoe het zo ver gekomen is, kunnen andere generaties, elders en later, wellicht zulke toestanden vermijden. Dat is de impliciete boodschap van het verhaal; want een verhaal uit de romantiek zonder moraal is evenmin goed denkbaar.

Maar er is iets anders aan de hand met dit verhaal, iets dat veel belangrijker is. Zonder het ooit met zoveel woorden te zeggen, trekt de auteur een van de, misschien zelfs het basisprincipe van het liberalisme zo ver tot in zijn uiterste consequenties door, dat het verhaal een bijna onbegrijpelijke actualiteit verkrijgt, bijna alsof het vandaag geschreven werd.

Dat basisprincipe is het profijt, en de profeet ervan, die in de verdwenen stad als een God vereerd werd, is éne zekere Bentham. Ook over die persoon wordt verder niets gezegd, maar we weten dat daarmee dé Jeremy Bentham van het filosofisch utilitarisme bedoeld wordt, leermeester van de liberale coryfeeën James en John Stuart Mill. Zelf was hij ook door en door liberaal (hetgeen overigens in die tijd, de eerste helft van de 19de eeuw een progressieve politieke houding was), en zijn filosofie van het utilitarisme kan zonder enig probleem gezien worden als éen van de ideologische uitingen van de triomferende bourgeoisie.

Maar wat gebeurt er nu in Odojevski’s verhaal?

In Europa had een jonge man, Bentham genaamd, een schitterende idee: vermits eenieder naar profijt streeft, is dat principe geschikt om alle misverstanden, ruzies, conflicten enz. te doen vergeten, en de gehele bevolking te verenigen rond één enkel principe. Zo gezegd, zo gedaan. “Wat niet profijtelijk is, is schadelijk, wat profijtelijk is, is geoorloofd. Dat is de enige zekere grondslag van de samenleving! Profijt, en profijt alleen, zal zowel uw eerste als uw laatste wet zijn!” (pp.87-88).

Dat uitgangspunt alleen al had in 2012 geschreven kunnen zijn. Wat de grond van de maatschappelijke zaak betreft, is in twee eeuwen amper iets veranderd.

De aanhangers van Bentham stichten op een onbewoond eiland een kolonie volgens het profijtbeginsel, en lange, lange jaren gaat hen alles voor de wind, zo zeer zelfs dat ze besluiten dat er aan hun basisbeginsel nooit meer iets veranderd kan worden. Er komen contacten met andere eilanden, en vermits het uitgangspunt profijt is en blijft, is elk middel – “vleierei, arglist, geld, bedreiging” (p.92) – geoorloofd om die anderen uit te buiten en te beroven. In het begin gaat dat goed, en bijna alle buren en verder weg gelegen landen en kolonies worden opgeslorpt en onderworpen.

M.a.w.: de wereld wordt door Europa overheerst. Wat Odojevski hier beschrijft, is niets anders dan wat decennia later imperialisme genoemd zou worden, maar dat ook toen al bestond, eigenlijk al sinds de grote ontdekkingsreizen van de 15de-16de eeuw. Daarbij ging het uiteraard om grondstoffen (van negers tot – toen nog niet – olie) en om niets anders, net zoals vandaag in het hele Midden-Oosten.

Maar ook binnen de oorspronkelijke gemeenschap treden scheuren en barsten op. Opeens blijkt dat wat het profijt van de ene is, niet noodzakelijkerwijze ook het profijt van de ander is. Er komt tweedracht, partijvorming zou je kunnen zeggen. “Tegengestelde belangen stuitten op elkaar; de een wilde de ander niets toegeven: de ene stad had een kanaal nodig, de andere een spoorweg; de ene in de ene richting, de andere in de andere.” (p.96) Uiteindelijk leidt dit ertoe dat er steeds grotere verdeeldheid ontstaat, dat vaders bang worden voor hun kinderen en vice-versa, en dat de conflicten niet enkel tot in het centrum van de oorspronkelijke kolonie doordringen, maar ook steeds antagonistischer worden. Wat nu ontstaat is de oorlog van allen tegen allen, zoals Brecht het  een dikke eeuw later noemde.

Het laatste stadium in het verhaal komt weer wonderwel overeen met wat we ook vandaag de dag weer meemaken: “Maar alle oproepen kwamen nu te laat; alle begrippen in de samenleving raakten verward; woorden veranderden van betekenis.” Dit is niet enkel Orwell, het is ook het absolute misbruik dat door NATO en andere criminele instellingen gemaakt wordt van ‘democratie’, ‘mensenrechten’ etc. Daarmee bedoelen ze vandaag dictatuur van de markten, plundering, moordpartijen enz.

En – raar maar waar – de ontwikkeling in Odojevski’s verhaal leidt uiteindelijk tot een soort dictatuur van de banken, zeg maar het financiekapitaal: “De kooplui gingen regeren, en de regering veranderde in een aandelenfirma. Alle grote ondernemingen die geen direct profijt konden opbrengen of wier doel vaag was in de ogen van de beperkte, baatzuchtige handelaren, verdwenen. Het inzicht van de staat, zijn wijze vooruitziende blik, de bijsturing der zeden, alles wat niet direct gericht was op een commercieel doel – kortom, alles wat geen rente kon opleveren werd als dromerij bestempeld. Het feodalisme van de banken triomfeerde. ” (p. 100) Terzelfdertijd krijgt de mens in het verhaal te maken met verwoestende natuurverschijnselen.

Inderdaad, visionair zou je kunnen zeggen, want hier wordt het hele ontwikkelingsproces van het kapitalisme geschetst, van het nationale begin over de nog steeds niet voorbij zijnde imperialistische fase, tot het mogelijke einde.

Dat einde is het totale verval: “von diesen Städten wird bleiben: der durch sie hindurchging, der Wind”, schreef Brecht in zijn gedicht ‘Verschollener Ruhm der Riesenstadt New-York’. En zo is het eveneens in ‘De stad zonder naam’.

Wat het kapitalisme zal achterlaten, zullen inderdaad ruïnes zijn, enkel en alleen ruïnes. Ook wat dat betreft kun je dit verhaal profetisch noemen. En is het geen toeval dat op ’t einde van het verhaal inderdaad even een onheilsprofeet à la Jeremias optreedt (men lette op: Jeremias/ Jeremy (Bentham)).

Wat me ten zeerste verbaast, is dat dit verhaal en de ontwikkeling die het schetst niet worden vermeld in het aan Odojevski gewijde lemma in de grote Sovjet-Encyclopedie. Soms vraag je je af hoe de mensen lezen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


16 + 15 =