Willem Frederik Hermans en Claude Ollier

| Geen reacties

Het is een gemeenplaats geworden te stellen dat geen enkele schrijver in het luchtledige schrijft, maar dat hij steeds direct of indirect beïnvloed wordt door voorgangers en/of tijdgenoten. Dat is zeker bij poëzie het geval, daar kan het ook het best gedetecteerd worden, maar komt evenzeer bij prozaïsten voor. En dan heb ik het niet zozeer over beginnelingswerk, over eerste probeersels, maar wel degelijk over eigen, volwassen en voldragen werk.

In de secundaire literatuur over Willem Frederik Hermans is mij geen werk of opstel bekend, waarin min of meer systematisch verwantschappen of invloeden van andere schrijvers behandeld worden. Op Wittgenstein na dan, maar dan hebben we het niet zozeer over de eigenlijke literatuur, maar eerder over een bepaald gedachtengoed. Ook Nietzsche speelt soms een expliciete rol in Hermans werk.

Maar de grote romans van Hermans gaan, al was het maar bij gebrek aan dergelijke studies, door als zijnde eigen en oorspronkelijk werk in de hoogste graad. Soms zijn er wel duidelijke overeenkomsten met  het eigen leven (vb. in De tranen der acacia’s), en zeker met oorlogsgebeurtenissen die effectief hebben plaatsgevonden (vb. De donkere kamer van Damokles). Maar dat Hermans zich op andere literaire werken gebaseerd zou hebben, of zich er duidelijk door zou hebben laten inspireren, dat werd tot nog toe niet vastgesteld – voor zover ik het kan overzien uiteraard. Zeker niet als de auteur zelf geen enkele hint geeft binnen of buiten de tekst.

Nooit meer slapen uit 1964 wordt, en overigens volkomen terecht, als een der meesterwerken uit Hermans’ oeuvre beschouwd.

Welnu, deze roman vertoont zoveel overeenkomsten, tot in de details, met het debuut van de Franse nouveau romancier Claude Ollier, La mise en scène, uit 1958, dat toeval, althans wat mij betreft, uitgesloten mag worden.

Dat uit zich op de eerste plaats in een aantal detailovereenkomsten:

  1. Alfred uit Nooit meer slapen en Lassalle uit La mise en scène kunnen de taal van de inboorlingen (Lappen versus Berbers) niet verstaan.
  2. Beiden hebben last van de muggen die blijkbaar zowel in het hoge noorden (Finnmarken) als in het Zuiden (Marokkaans hooggebergte) op dezelfde vervelende en herhaalde wijze aanwezig zijn
  3. Beiden hebben last van hoofdpijn en van slapeloosheid: Lassalle meer van hoofdpijn, Alfred meer van slapeloosheid.
  4. In beide romans spelen kaarten een belangrijke rol, en bij Alfred ook foto’s. Op de cruciale plaatsen zijn ze niet bruikbaar. In beide romans worden kaarten nat en moeten dan opgedroogd worden.
  5. In beide romans spelen gevaarlijke doortochten door rivieren een grote rol, in La mise en scène weliswaar slechts één keer, bij de terugtocht, maar die scène is wel cruciaal.
  6. In beide romans komen aantekeningen van de protagonisten voor, en spelen een niet onbelangrijke rol. Daarbij worden in beide romans ook tekeningen gemaakt.
  7. Zowel Alfred als Lassalle komen ten val en verwonden zich daarbij aan het been.
  8. In Nooit meer slapen valt Arne dood in een ravijn, in La mise en scène een zekere Lessing, ‘geograaf of geoloog’. De beschrijving van de lijken komt wat hun ligging betreft grotendeels overeen.
  9. Beide boeken zijn in de tegenwoordige tijd geschreven, wat repercussies heeft op de stijl en het verhaalritme.

Tot daar de details; er zullen er nog wel meer zijn.

Willem Frederik Hermans & Claude Ollier

Maar ook op belangrijker vlakken komen beide romans overeen: daar is vooreerst de fabel zelf: in beide gevallen trekt een geoloog (Alfred) c.q. een ingenieur (Lassalle) erop uit naar een moeilijk toegankelijk gebied om onderzoek te verrichten, de ene om meteorieten te zoeken, de ander om de toegankelijkheid te onderzoeken met het oog op mijnontginning. De beschrijving van de desolate rotsachtige landschappen komt grotendeels overeen, La mise en scène bevat zelfs meer geologische beschrijvingen dan Hermans’ boek. Ook de circulaire structuur komt overeen. Bij Ollier letterlijk: de roman begint en eindigt in dezelfde kamer, daartussen vindt de tocht plaats, waarbij deel een de reis naar het gebergte beschrijft, deel twee het verblijf en het onderzoek aldaar, deel drie de terugkeer. Ook bij Hermans hebben we die drievoudige structuur, maar bij deze laatste is de herhaling wel minder nadrukkelijk. Tenslotte is er de stijl, die met name in de beschrijvende passages, die bij Hermans minder in aantal zijn, grote overeenkomsten vertoont wat betreft afstandelijkheid, nuchterheid, alsof ze uit een geografisch handboek kwamen (er zijn trouwens overeenkomsten met Hermans’ enkele jaren voorheen verschenen wetenschappelijk werk Erosie).  

Maar er zijn uiteraard ook grote verschillen tussen beide romans, het zou er nog maar aan ontbreken.

Ollier schrijft een roman in de derde persoon, waarin de alwetende verteller werkelijk soms bijna letterlijk fungeert als een cameraoog, dat droogweg, zonder emoties, zeer gedetailleerd registreert wat hij ziet – tot de dromen van Lassalle toe. Ook de dialogen registreert hij, vandaar wellicht dat die al even zakelijk blijven. Hermans daarentegen schrijft een roman in de eerste persoon, en dat heeft gevolgen voor de inhoud: de zakelijke toon valt vaak weg voor allerlei typisch Hermansiaanse diatribes tegen van alles en nog wat. Het subjectieve element speelt een zeer veel grotere rol in Nooit meer slapen, terwijl de camera in La mise en scène steeds objectief blijft – in overeenstemming overigens met de precepten van de nouveau roman. 

Dat de ene roman zich afspeelt in het hoge noorden, de ander in Marokko is een eerder incidenteel verschil, dat voor de rest geen invloed heeft: Ollier kende de Franse kolonie Marokko, Hermans had geologisch veldonderzoek gedaan in Finnmarken.

Een ander belangrijk verschil zijn de personages: Lassalle doet zijn onderzoek alleen, de verwijzingen naar twee voorgangers – de verongelukte Lessing, en Moritz – gebeuren sporadisch; verder wordt hij enkel op zijn barre tochten in de hoogte vergezeld door een jongen, een hulpje, en ook heeft hij sporadisch contact met enkele inboorlingen, die, zoals gezegd een taal spreken die hij niet begrijpt. De tocht van Alfred daarentegen vindt in groep plaats, ze zijn met vier, en ook de voorbereidingen worden in de verf gezet in het boek. Daardoor bevat het ook veel meer dialogen dan La mise en scène.

De roman van Hermans bevat ook veel meer allusies naar andere zaken dan het oppervlakkige gegeven van een zoektocht naar meteorieten. Er zijn al dan niet expliciete verwijzingen naar alchemie en vrijmetselarij, naar de klassieke en de christelijke mythologie, naar de psychoanalyse. Met andere woorden: Hermans’ boek is wat dat betreft duidelijk rijker dan dat van Ollier, het heeft meerdere lagen. Toch werd ook de roman van Ollier dubbel gelezen, nl. als een roman over het schrijven van een roman. Maar de tekst zelf geeft daar wel geen rechtstreekse aanleiding toe. Maar hoe dan ook, een duidelijke filosofische achtergrond zoals bij Hermans heeft La mise en scène niet.

Tenslotte zijn er de doelen die de protagonisten-hoofdpersonen van de beide boeken zich stellen en wat ervan terecht komt. Hier ligt wel het grootste en belangrijkste onderscheid tussen beide. Alfred stelt zich een theoretisch doel, het bewijzen van een stelling, en hij mislukt grandioos en op alle vlakken aan de werkelijkheid, waarin hij geen aanwijzingen voor zijn stelling terugvindt. Dat gegeven en die uitwerking zijn natuurlijk typisch Hermansiaans. Lassalle daarentegen stelt zich een praktische taak, onderzoeken of een mijnontginning mogelijk is, en door het vinden van een natuurlijke brug, slaagt hij volkomen in zijn taak. Het negatieve wereldbeeld tegenover het positieve wereldbeeld.

Als iemand zich geroepen zou voelen een grondiger onderzoek in te stellen naar de overeenkomsten en verschillen tussen beide romans, met het oog op een artikelpublicatie bv., zouden er wellicht nog wel andere overeenkomsten tussen beide boeken kunnen opduiken. En ook het naast elkaar plaatsen van letterlijke citaten kan al iets meer zeggen. Wat ik hier meedeel zijn niet meer dan eerste indrukken.

Op een bepaald ogenblik wordt in Olliers roman gevraagd wat Lessing eigenlijk deed, en het antwoord luidt: “Je ne sais pas très bien. Je crois qu’il cherchait des pierres, des cailloux…” In al zijn nuchterheid is dat exact de omschrijving van wat Alfred in Nooit meer slapen doet. Kan dat voor Hermans een trigger geweest zijn, een vonk tussen synapsen, waaruit uiteindelijk Nooit meer slapen is ontstaan?

De overeenkomsten tussen beide boeken vallen onmiddellijk op, wat dat betreft zal eenieder het wel met me eens zijn. Maar hoe dat te interpreteren? Een mogelijkheid is: toeval. Omdat exact en sluitend bewijs in dezen niet mogelijk is, moet je daar natuurlijk rekening mee (blijven) houden, maar mij lijkt het alvast onwaarschijnlijk. De andere mogelijkheid – en die lijkt me heel wat waarschijnlijker – is dat Hermans deze roman gelezen heeft, en er bewust en/of onbewust elementen uit heeft gehaald voor zijn eigen roman. Plagiaat is dat overigens absoluut niet. La mise en scène is hier enkel een brontekst, en Hermans’ resultaat wijkt er sterk genoeg van af om van een eigen authentiek werkstuk te spreken – waarin weliswaar sterke elementen van Ollier verwerkt werden. Dat is in de literatuur een gewoon procédé. Brecht bv. heeft bijna alle thema’s van zijn stukken bij anderen gehaald, maar hij heeft er wel de meesterwerken van gemaakt. In onderhavig geval kunnen we zeggen dat we tweemaal met een meesterwerk te doen hebben, want dat Hermans’ roman niet zo origineel is als men lang meende, doet aan de intrinsieke waarde van het boek niets af.

Kan men weten dat Hermans deze roman ook effectief gelezen heeft? Ik weet niet of hij figureerde in een van de catalogi waarin boeken uit Hermans’ bibliotheek te koop werden aangeboden. Maar dat zegt uiteraard niet veel. Hermans hield van de Franse cultuur en literatuur, en volgde die ook, dat is geweten. Hij zal van het verschijnen ervan dus op de hoogte zijn geweest, want de roman kreeg niet enkel de eerste Prix Médicis in 1958, maar daarenboven vele en bijna allemaal lovende kritieken. Ofschoon ik het niet zeker weet, kan ik me voorstellen dat minstens enkele van die kritieken ingingen op het aan de geologie rakende onderzoek van de hoofdpersoon. Dat kan de nieuwsgierigheid van Hermans enkel maar aangewakkerd hebben.

Tenslotte: in heel het beschouwende werk van Hermans komt de naam van Claude Ollier niet voor, evenmin in de bibliografie van zijn verspreide publicaties, en evenmin in de uitgebreide secundaire literatuur.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × vijf =