Anna Bijns, van Antwerpen

| Geen reacties

Anna Beyns, van Antwerpen “Anna Bijns behoort tot de grote schrijvers van de Nederlandse letterkunde, en onder de vrouwelijke auteurs spant ze zelfs de kroon. Nooit is er fraaier gescholden op rijm dan door haar, en nimmer werd er hartstochtelijker aan de liefde geleden dan in haar refreinen. Toch heeft ze deze erkenning nauwelijks gekregen.” (pp. 332-333), aldus Herman Pleij in het afsluitende hoofstuk van zijn nieuwe boek Anna Bijns, van Antwerpen (Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2011).

Met dit boek wordt voor de vierde keer dieper ingegaan op het werk en het leven van deze 16de-eeuwse dichteres, die in elke zichzelf respecterende cultuur voortdurend in druk (Pléiade!!!) aanwezig en verkrijgbaar zou zijn.

De eerste die over Anna Bijns, met name over haar leven schreef was de toenmalige Antwerpse stadsarchivaris Jos van den Branden. Zijn boek Anna Bijns, haar leven, haar werken, haar tijd, 1493-1575 dateert al uit 1911, maar is nog steeds leesbaar, leesbaarder zelfs dan de daarna komende geschriften van Jozef van Mierlo en Lode Roose. Zijn werk is daarenboven onontbeerlijk voor wie Anna Bijns wil bestuderen, omdat hij alle gegevens verzameld heeft die in Antwerpen nog over haar te vinden waren. De boeken van van Mierlo zijn verzamelingen van eerder gepubliceerde, vaak erg polemische opstellen. Het boek van Roose is een grondige academische studie van vooral haar werk. Het dateert uit 1963 en is ook nog goed leesbaar, temeer daar hij – uiteraard, het betreft een proefschrift – veel uit de werken zelf citeert.

En nu, 48 jaren later is er dus opnieuw een boek over Anna Bijns. Dat is op zich al opmerkelijk én goed, maar Pleij heeft daarenboven goed zijn best gedaan om alles wat voorheen over haar geschreven werd in de loop van zijn uiteenzettingen te synthetiseren, en zelf interpretaties aan te dragen, zonder daarbij de leesbaarheid uit het oog te verliezen. Pleij is niet alleen een grondige kenner van de laatmiddeleeuwe Nederlandse letteren, hij is zoals zijn vakgenoot Frits van Oostrom ook een begenadigd schrijver, die de lezer een boek lang zonder problemen geboeid kan houden. Hij vulgariseert dus, maar zonder ook maar een keer aan wetenschappelijke accuratesse in te boeten.

Het boek bevat acht hoofdstukken, en daarin passeren alle aspecten van haar leven, haar werken, haar tijd (om met van den Branden te spreken) de revue. Het begint met haar leven in hoofdstuk een, en eindigt met haar dood en haar ‘naleven’ (de receptie) in hoofdstuk acht. De overige hoofdstukken behandelen de belangrijkste elementen uit haar werk. Dat Pleij daarbij begint met de liefde valt op, dat is het aspect van haar werk dat in de receptiegeschiedenis het minst naar voren kwam, en vaak zelfs werd weggemoffeld. Hier vooral is het jammer (dat vind ik) dat Pleij ervoor gekozen heeft de gedichten te parafraseren; het boek wordt er voor de hedendaagse lezer wel gemakkelijker door, maar Pleij zegt zelf herhaaldelijk hoe rijk de taalschat van Bijns wel is, terecht overigens; maar door grotendeels te parafraseren ontgaat de lezer dat nu ten enenmale.

De volgende hoofdstukken behandelen achtereenvolgens haar houding tegenover de ‘ketters’ (vooral de Lutheranen) en de rederijkers. Dat eerste aspect werd vroeger vooral om niet te zeggen enkel naar voren gebracht. Gelukkig is het christendom hier dood, zodat enige relativering daarin inderdaad gepast is. Pleij slaagt erin de rol van de rederijkers in de stad en de gemeenschap grondig weer te geven, zonder al te theoretisch te worden; ook legt hij goed uit hoe de rederijkers tegenover de poëzie stonden, welke vormen zij gebruikten, en hoe Anna als vrouw daarin paste. Officieel konden vrouwen immers geen lid zijn van een rederijkerskamer, maar blijkbaar was er een grote afstand tussen theorie en praktijk wat dat betreft, ook op andere gebieden trouwens, zoals blijkt uit het aan ‘Anna en de vrouwen’ gewijde hoofdstuk. Ook de verhouding tussen Anna enerzijds en de drukkers en monniken in haar stad c.q. Antwerpen zelf krijgen elk een hoofdstuk toebedeeld. Het is vooral in deze hoofdstukken dat Pleij een cultuurhistoricus wordt en het werk van Anna Bijns weet te plaatsen in een veel bredere context dan enige van zijn voorgangers deed of kon doen.

En nu het werk zelf natuurlijk. De oorspronkelijke uitgaven uit de 16de eeuw daargelaten, werd het werk van haar drie maal verzameld en uitgegeven: in 1875 verschenen de drie bundels die tijdens haar leven van haar werden uitgegeven, bundels waarin de nadruk ligt op het polemische, religieuze, op de strijd tegen de reformators. Want laten we wel wezen: Anna Bijns was een politieke dichteres, en wel reactionair in alle betekenissen van dat woord. Maar wat een taalrijkdom, wat een hartstocht, wat een literaire vondsten, wat een plastiek, wat een dynamisme. Deze uitgave is antiquarisch nog gemakkelijk te vinden.

Handschrift B - Klik voor een groter beeld

Dat geldt niet voor de twee andere. In 1886 verscheen in een bibliofiele editie (bij de Maatschappij der Vlaamsche Bibliophilen in Gent) handschrift B, dat enkel gedichten van haarzelf bevat. Ik heb dat één keer in een antiquariaat gezien, op 8 mei 1993. Handschrift A (dat naast werk van haar ook werk van anderen bevat) tenslotte werd uitgegeven in 1902-1904, in de vierde jaargang van de Leuvensche Bijdragen.  Dat heb ik nooit ergens gezien of gevonden, maar het is onlangs wel in facsimile heruitgegeven bij een van die buitenlandse (uiteraard!) firma’s die ‘books on demand’ aanbieden. Het bevat met van de fraaiste staaltjes van haar kunst, bv. het refrein over de aars, dat inderdaad – ook Pleij gaat er op in – prachtig is.

Het is goed dat een gedegen kenner weer eens een van de grootste dichters uit onze letterkunde in de aandacht brengt.

In 2011 zouden haar verzamelde werken verschijnen bij uitgeverij Verloren in Hilversum. Ik heb er niets van gemerkt. Onderweg verloren zeker.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


13 − twaalf =