Hersenen en dichtkunst

| Geen reacties

Gehirn und Gedicht. Wie wir unsere Wirklichkeiten konstruieren van de dichter Raoul Schrott en de neuropsycholoog Arthur Jacobs (Carl Hanser Verlag, München, 2011) is een boeiend, interessant en leerrijk, maar in zekere zin toch ook een onvolkomen en onbevredigend boek.

Het boek behandelt een problematiek uit een randgebied waar vele disciplines samenkomen en gedeeltelijk samenvallen: cognitieve psychologie, neurologie, linguïstiek en neurolinguïstiek, musicologie en kunstgeschiedenis, en literatuurwetenschap en poëtica. Om er echt veel aan te hebben zou je op al die gebieden niet echt thuis hoeven te zijn, maar je moet er alleszins noties van hebben, zeker van cognitieve psychologie en de daarbij horende neurologie. Want dat is de basis van het boek, van daaruit worden de problemen besproken, daar vertrekken de draden naar de andere disciplines. In tegenstelling tot wat de titel belooft gaat het dus zeker niet over poëzie, en hoe de hersenen daarop reageren. Dat speelt inderdaad een belangrijke rol, maar niet de belangrijkste. De ondertitel benadert de werkelijkheid van het boek al beter.

De eerste hoofdstukken behandelen grotendeels het probleem van de manier waarop onze hersenen bij het lezen werken, hoe de input naar de hersenen vertrekt, waar die daar aankomt, en hoe de verschillende hersengebieden met elkaar verweven zijn bij dat proces. In tegenstelling tot vroeger weet men ondertussen immers al lang dat er niet één of twee (Brocca en Wernicke) taalgebieden zijn, maar dat die enkel hun werk kunnen doen door samen te werken met vele andere gebieden. Dat geldt trouwens niet alleen bij het lezen, maar ook bij het horen. Daarom dat twee lange hoofdstukken handelen over geluid in ’t algemeen en over muziek in ’t bijzonder, waarbij vooral de nadruk komt te liggen op de samenwerking van muziek en woord, zoals bij het zingen (liederen, opera…) gebeurt. Maar ook bij lyriek. Inderdaad, door zijn aard sluit de lyriek aan bij twee kunstgebieden, het muzikale en het poëtische, en bij het lezen van lyriek gebeurt de verwerking dan ook voornamelijk in twee hersengebieden, auditieve en visuele. Daar ligt voor een groot deel de eigenheid van lyriek, ook gezien in tegenstelling met proza. Dat houdt sterk verband met de oorsprong van lyriek, die zowel mnemotechnisch is (het gebruik van rijm, van epithetoi ornans edm) als zuiver muzikaal (het woord lyriek komt van het Griekse ‘lyra’, een muziekinstrument dus).

In de laatste hoofdstukken gaan de auteurs dan dieper in op enkele retorische technieken die bij het schrijven van dichtkunst vaak gebruikt worden; daarbij wordt het vers als geheel behandeld (waarbij blijkt dat overal ter wereld en in alle talen de verslengte zo goed als gelijk is, dwz tussen hetzelfde minimum en maximum syllaben slingert)  en uiteindelijk het gedicht als geheel. Daartussen komen bijna alle belangrijke vormen van beeldspraak en van retorische figuren aan bod. In deze hoofdstukken wordt ook dieper ingegaan op het specifiek poëtische van een gedicht dan in de eerste hoofdstukken, maar toch blijft steeds de band met de hersenen voorop staan, dwz het perspectief van waaruit geschreven wordt blijft grotendeels het cognitieve en neurologische.

Dat is uiteraard niet erg, maar het betekent wel dat mensen die dit boek kopen met de verwachting op de eerste plaats over poëzie en poëtica te kunnen lezen, bedrogen uitkomen. Dat dergelijke wetenschappelijke analyses het plezier aan de poëzie zouden onttrekken, en het ‘schone geheim van de poëzie’ (Westerlinck) onderuit zouden halen, is natuurlijk onzin. Ik kan me alleszins niet indenken dat bij iemand die dit boek leest en die graag gedichten leest, het genoegen van poëtische lectuur verminderen zou, laat staan wegvallen. Het is niet omdat je leest hoe poëzielectuur concreet te werk gaat, welke hersengebieden daarbij werkzaam worden, hoe en in welke mate, dat het genoegen in het lezen van een mooi gedicht zou verdwijnen. Verre van. Maar degenen die het boek leest met het oog op poëtische analyses, op verklaringen van de intrinsieke schoonheid van poëzie, komt wel bedrogen uit. Ik vraag me trouwens af of het überhaupt mogelijk is ‘schoonheid’ wetenschappelijk te vatten. Ook wat de hersenonderzoekers doen, is immers niet meer dat het registreren van de gevolgen van een ‘aanval’ van schoonheid.

Het boek bevat naast de doorlopende tekst, waarbij elk hoofdstuk afgesloten wordt met kortere of langere bibliografische aanwijzingen, ook 37 zgn. ‘Boxen’, dit zijn eigenlijk excursies waarin op de daarvoor aangesneden problemen dieper wordt ingegaan. Deze excursies zijn enkel van cognitief-neurologische aard, met ook veel beeldmateriaal, eveneens bibliografische aantekeningen, en veel vermelding van uitgevoerde labo-onderzoekingen, waarop vaak diep wordt ingegaan. Ook de geschiedenis van bepaalde problemen wordt hier af en toe aangekaart, waarbij de auteurs soms teruggaan tot het einde van de 19de eeuw, toen het cognitief-psychologische en -neurologische onderzoek d.m.v. experimenten voor het eerst op de voorgrond trad en de eerste resultaten boekte. Deze excursies zijn nog wetenschappelijker dan de doorlopende tekst, waarbij ook al moeilijk van vulgarisatie gesproken kan worden.

Voor degene die zich voor psychologie en dichtkunst interesseert en niet afgeschrikt wordt door een zekere moeilijkheidsgraad een aanrader. Maar het is alleszins geen voer voor vakidioten, die je jammer genoeg op de universiteiten nog steeds veel te veel vindt. Je interesse moet breed zijn, en je moet bereid zijn een inspanning te doen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twintig − vijf =