Herlezen (5): Bertolt Brecht

| Geen reacties

Je zou het een goed voornemen voor 2012 kunnen noemen: het herlezen van de volledige, of toch zo goed als volledige Brecht. Ik las hem in 1971-1972, dat is dus veertig jaar geleden. De gedichten ben ik blijven lezen, maar van al de rest heb ik sindsdien niets meer herlezen. Ik ben vooral nieuwsgierig naar de toneelstukken uiteraard: zullen ze mij nog aanspreken als toen? Van sommige kende ik stukken uit het hoofd, vooral als ze op muziek waren gezet (meestal door Weil), zoals de Dreigroschenoper, die mijn vrouw en ik soms nog wel eens luidop durven zingen.

Na die verzamelde werken heb ik van Brecht eigenlijk enkel nog de dagboeken gelezen, die nadien verschenen zijn; het boeiendste daarvan was wel het tweedelige Arbeitsjournal.

Bertolt Brecht

En om het goeie voornemen alvast in te zetten, las ik zonet het Tagebuch N° 10, 1913 (Suhrkamp Verlag,Frankfurt am Main, 1989), een teruggevonden dagboek van de vijftienjarige scholier Brecht, dat ik nog nooit gelezen had. Het is een unicum, want van de dagboeken die eraan voorafgaan, en die erop volgen is niets teruggevonden, op enkele reeds tientallen jaren geleden uitgegeven fragmenten uit het begin van de jaren twintig na. Op zichzelf is dit 10de dagboek als dagboek niet interessant: hij vermeldt dat hij geschaakt heeft, dat hij een wandeling gemaakt heeft met deze of gene, dat hij dit of dat gelezen heeft (dat is natuurlijk wel interessant), dat zijn vader ziek was enz. Banale dingen allemaal, die enkel interessant worden doordat ze van Brecht stammen, en doordat er eigenlijk zo weinig persoonlijke zielenroerselen in voorkomen; van een vijftienjarige zou je toch wel iets anders verwachten.

Maar die passages vormen slechts een kleine minderheid van de inhoud van dit dagboek. Het zijn vooral gedichten, gedichtfragmenten, literaire plannen en aanzetten voor toneelstukken die het echt interessant maken. Ook hier geen persoonlijke ontboezemingen, maar lyriek waarin zelden of nooit een ik voorkomt, verhalend vaak (de ballade komt veel voor), en soms met sarcasmen (‘iemand eerlijk bedriegen’) die zeker de latere Brecht al aankondigen. Dat doet ook de vaak losse vorm, met vele enjambementen, zoals die bij de lyricus Brecht vooral optrad: een eigenritmische lyriek, zoals iemand het uitdrukte, waar metri slechts zelden een rol in spelen. Wat zijn theater betreft, geldt dat voor zover mijn geheugen me niet bedriegt, minder; daar is het vers regelmatiger. Ik zal wel zien of ik mezelf bedrieg. Een van de vroegste toneelstukken van Brecht was Leben Eduards des Zweiten. Het valt op dat in de toneelaanzetten in dit dagboek ook koningen vaak een rol spelen (koning Erik van Zweden meer bepaald). Het houdt wellicht verband met het feit dat de vijftienjarige Brecht zich nog niet had losgemaakt van de (klein)burgerlijke, patriottische waarden van zijn ouderlijk milieu. Want ook dat blijkt duidelijk uit deze literaire probeersels.

Voor Brechtkenners en -liefhebbers is dit dagboekje natuurlijk een must; maar ze zullen het al wel kennen. Anderen zullen er minder aan hebben uiteraard.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × twee =