Vrijmetselarij en fascisme, én Andries van den Abeele

| Geen reacties

Op deze website werd enkele jaren geleden al een tekst gepubliceerd over De Duitse Vrijmetselarij en het nationaal-socialisme, tekst die al uit de jaren negentig van de vorige eeuw dateert.

Dat onderwerp is mij, zoals zo vele onderwerpen, blijven boeien, maar toch heb ik de verdere literatuur daarover amper nog gevolgd.

Bij het Oostenrijkse StudienVerlag verscheen nu een nieuw boek over dit onderwerp, uitgegeven door Helmut Reinalter onder de eenvoudige titel Freimaurerei und europäischer Faschismus. Het is een beknopt boekje geworden, dat naast een inleiding van de samensteller zes synthetische opstellen bevat, gewijd aan de verhouding tussen vrijmetselarij en fascisme in respectievelijk Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Spanje. Uit de synthetische aard van die opstellen volgt al dat men niet al te veel nieuwigheden moet verwachten. En toch was dat bij mij wel degelijk het geval; dat komt doordat ik mij vroeger quasi enkel heb bezig gehouden met dat probleem in Duitsland, en niet of minder met de andere landen (op Frankrijk na dan).

Het woord vooraf en de inleiding van Helmut Reinalter hebben mij even doen schrikken. Immers, hij verwijst in positieve zin naar de extreem-rechtse Duitse historicus Nolte, berucht voor zijn vergoelijking van de misdaden van nazi-Duitsland; die zouden immers enkel en alleen op het conto van de revolutie van 1917 in Rusland geschreven moeten worden; het nazibewind was daarop immers niet meer dan een reactie, en de inval in de Sovjet-Unie wat de opvolgers van de nazi’s nu een ‘pre-emptive strike’ noemen. Maar bon, blijkbaar beperkt de overeenkomst zich ertoe het fascisme te definiëren als een algemene Europese stroming; hetgeen klopt. Bedenkelijker vind ik dat dit boek verscheen in een reeks die de titel “Quellen und Darstellungen zur europäischen Freimaurerei” draagt. Waarom? Tijdens de oorlog werden aan de Hohe Schule der SS – waar de hoofd- en opperofficieren van het korps een ‘intellectuele’ vorming kregen – vier doctoraten afgeleverd, die gepubliceerd werden onder de gemeenschappelijke titel “Quellen und Darstellungen zur Freimaurerfrage”. Door quasi dezelfde titel te gebruiken wekt men minstens de indruk zich in een zekere erfopvolging of verwantschap te plaatsen.

Maar nogmaals bon, de tekst van de opstellen geeft verder geen aanleiding dat te denken.

De eerste twee opstellen zijn van de hand van Ralf Melzer en Armin Pfahl-Traughber, en bevatten eigenlijk niets nieuws tegenover eerdere boeken van beide specialisten (twee van de drie  in Duitsland; Helmut Neuberger, de derde, werkte aan dit boek niet mee). Melzer is strikt historisch, Pfahl-Traughber gaat op de ideologie van de nazi’s en aanverwanten in. Dat komt volledig overeen met de inhoud van beider dissertatie: Ralf Melzer schreef over Konflikt und Anpassung. Freimaurerei in der weimarer Republik und im ‘dritten Reich’ (Braumüller Verlag, Wien, 1999) en Pfahl-Traughberd over Der antisemitisch-antifreimaurerische Verschwörungsmythos in der weimarer Republik und im NS-Staat (Braumüller Verlag, Wien, 1993). Wie die twee uiterst grondige en gedetailleerde werken gelezen heeft, vindt in onderhavige publicatie onder de pen van deze specialisten niets nieuws. Hetgeen jammer is.

De bijdrage van Marcus G. Patka over de vrijmetselarij en het zgn. ‘austrofascisme’, en die van Aldo Allessandro Mola over vrijmetselarij en vrijmetselaars in Italië zijn voor wat mij betreft wel nieuw, zeker die over Oostenrijk. In tegenstelling met Duitsland, waar de loges en obediënties zich op een ergerniswekkende wijze (voor de lezer van nu) met de heersers encanailleerden, gebeurde dat in Oostenrijk blijkbaar niet, op de eerste plaats doordat de loges daar blijkbaar veel humanitairer en kosmopolitischer waren dan in Duitsland, waar een eng-nationalistische en zelfs chauvinistische geest overheerste, maar waarschijnlijk evenzeer doordat ze hadden kunnen zien hoe het er in Duitsland aan toe ging, en dus wisten wat hen te wachten stond. Italië stond dan weer dichter bij Duitsland. Mussolini en de zijnen vaardigden al vroeg wetten uit die neerkwamen op een expliciet verbod van de vrijmetselarij. Dat belette vier leden van de Grote Fascistische Raad niet, vrolijk daarin aanwezig te blijven, en hun ontslag aan te bieden aan hun respectievelijke obediënties. Ook de leidingen van de twee grote obediënties probeerden zo veel mogelijk te schipperen en de geit en de kool te sparen, net zoals in Duitsland. Alleen was Italië wel in iets mindere mate een politiestaat onder het fascisme dan Duitsland. Vandaar dat er in Italië nogal wat broeders waren, die ‘decisamente influenti durante il regime fascista’ waren (p. 85), zoals de schrijver stelt. In Duitsland was dat er slechts één enkele: Hjalmar Schacht, baas van de Reichsbank en minister van economie eerst, daarna en tot 1943 minister zonder portefeuille in de naziregering. Ook hij is voor het tribunaal van Nürnberg verschenen, waar hij als enige werd vrijgesproken.

Maar ook anderen, gewone broeders, pasten zich blijkbaar gemakkelijk aan, gemakkelijker dan in Duitsland, omdat de wetten in Italië minder streng waren, en misschien ook dank zij een bepaalde, aan Italianen en andere zuiderse volkeren toegeschreven mentaliteit (die overigens ook aan Belgen toegeschreven wordt). Conclusie van Mola: ”

“Al riguardo non si potrà più ignorare que se i massoni vittime di violenza e discriminazioni da parte del governo fascista furono, tra morti ed esuli, alcune decine, la generalità degli oltri quarantamila iniziati attivi e quottizzanti nel 1925 convissero senza traumi insuperabili col ‘partito unico'”. (p. 84)

Wel wil ik de lezer nog even attent maken op een artikel van de uitstekende ULB-historica Anne Morelli, mijns inziens het enige geschrift in een Belgisch tijdschrift over hetzelfde onderwerp (grotendeels toch), en dat eigenlijk een grotere verspreiding verdient. Morelli komt voor wat haar gedeelte over de wederzijdse verhouding van vrijmetselarij en fascisme betreft, tot dezelfde conclusies als Mola, alleen legt zij in het grootste volgende deel van haar artikel ook de nadruk op de andere kant: de vrijmetselaren in het verzet, met name in België: “Les exilés antifascistes italiens et la franc-maçonnerie” (in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis – Revue belge d’histoire contemporaine, jg. XVII, 1986, nr. 1-2, pp. 3-34).

Over het fascisme in Frankrijk is al zeer veel geschreven, en over alle aspecten ervan. En de historicus André Combes, die voor dit boek de bijdrage schreef, is een specialist van de geschiedenis van le Grand Orient de France, waarvan hij lid is. Meer bepaald over de Franse vrijmetselarij in de 19de eeuw schreef hij, én over de rol van de vrijmetselarij tijdens de bezetting, 1939 tot 1945. Zijn bijdrage in Freimaurerei und europäischer Fascismus behandelt de periode 1919-1939. Het zal niet verwonderen dat de loges (veel minder de obediënties) in Frankrijk op de eerste rang stonden om tegen het fascisme ten strijde te trekken; vooreerst uiteraard le Grand Orient, omdat dat de meest militante, de meest democratische en gepolitiseerde, en de meest linkse obediëntie was, niet enkel van Frankrijk maar waarschijnlijk van de hele wereld. Ook noblesse revolutionnaire oblige. Het zou me niet verwonderen als er een nieuw boek van Combes op stapel staat, juist over deze periode.

Hier wens ik ook te wijzen op een Frans boek, waarin niet enkel de verhouding vrijmetselarij-nationaal-socialisme, zoals die in Duitsland bestond, behandeld wordt, maar ook de houding van de nazi’s tegenover de vrijmetselarij in de bezette landen, meer bepaald in Frankrijk uiteraard; voor wat het over Duitsland handelende deel betreft, leert de lezer niet veel nieuws, d.w.z. hij leest wat hij ook al bij Neuberger, Melzer etc. gelezen heeft. Voor wat Frankrijk betreft is dat niet het geval, en het zijn toch ettelijke hoofdstukken die daarover gaan. De schrijver, Didier Le Masson (dat lijkt me een schuilnaam, maar zeker weet ik dat niet) is grondig te werk gegaan: La franc-maçonnerie et le national-socialisme (Dervy Livres, Paris, 2005).

De bijdrage die mij het meest heeft bijgeleerd is de laatste, die over Spanje handelt. Zij is van de hand van een mij verder onbekende José A. Ferrer Benimeli, en heet ‘Franco y la masoneria’. Blijkbaar was Franco zo goed als behekst door de vrijmetselarij en schreef hij haar alle kwalen van de maatschappij toe, op een wijze zo zwakzinnig dat we al naar Ludendorff, Streicher en andere krankzinnigen moeten teruggrijpen om iets gelijkaardigs te vinden. Hij schreef er onder het pseudoniem Jakin (sic) Boor zelfs een boek over. Benimeli vat Franco’s houding als volgt samen:

“…manifiesto ese cierto complejo de persecusión que en Franco cristalizará de una forma reiterativa, por no decir obsesiva, en los tres grandes peligros que constantemente acechaban a España et a su Régimen: el comunismo, el judaismo ya – sobre todo – la masonería,…” (p.102).

En ook elders spreekt hij over ‘ una auténtica psicosis antimasonica’ (p. 108). Hoe ver dat ging: op een bepaald ogenblik werd een Spaans Cisterciënzerklooster gerestaureerd, en daar lag toevallig de brave katholieke achttiende-eeuwse Engelsman de hertog van Wharton begraven. Die man had het lef gehad in de 18de eeuw een eerste loge te stichten op Spaans grondgebied en dus moest zijn graf – hoe katholiek ook – op uitdrukkelijk bevel van Franco verdwijnen.

Schokkend is de opsomming van Spaanse loges die door de opstandelingen liefst geheel en soms gedeeltelijk uitgeroeid werden. Dat is nergens anders in Europa zo systematisch gebeurd bij mijn weten (misschien wel in het Kroatië van Ante Pavelic, die was immers even katholiek als Franco – maar daar weet ik verder niets over), zelfs niet in Duitsland. Het lijkt erop dat Franco de vrijmetselaren inderdaad allemaal fysiek wou uitroeien, zoals de nazi’s dat met de joden probeerden. Het verwondert me zeer, dat men dit blijkbaar niet meer weet. Benimeli geeft geen reden voor deze Spaanse furie tegen de vrijmetselarij, maar mijns inziens kan dat slechts één oorzaak hebben, inderdaad: het katholicisme van Franco.

Alles bij elkaar een boeiend en leerrijk boekje.

°°°

Onlangs las ik, herlas ik beter gezegd ook De kinderen van Hiram. Vrijmetselaars en vrijmetselarij (Roularta books, Roeselare, 2011). Ergens in het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw heb ik de eerste uitgave ervan gelezen. Enkele jaren later werd ikzelf ingewijd, en ik herinner me nog hoe wantrouwig en paranoïde men op het boek reageerde, ook nog lang na verschijnen. Een katholiek die niet alleen een boek over vrijmetselarij schrijft, maar er ook heel veel van af blijkt te weten! God betert! Toch was ik toen al van oordeel dat het een beter boek, misschien zelfs het beste in de Nederlanden over het onderwerp, en zeker in België is.

En nu ben ik nog altijd van datzelfde oordeel. Iedereen die iets over de vrijmetselarij weten wil, zou ik dit boek aanraden. Het is geschreven met kennis van zaken, met een grondige kennis zelfs, de man is blijkbaar een beetje gepassioneerd door het onderwerp, maar toch weet hij steeds een gezonde kritische afstand te bewaren. Waarschijnlijk komt dat doordat hijzelf geen vrijmetselaar is. Wanneer je logisch en rationeel doordenkt, moet je tot de conclusie komen, dat hij niet meer of niet minder schrijft dan wat een eerlijke vrijmetselaar ook geschreven zou hebben. Alleen is het zo verdomd moeilijk om als binnenstaander eerlijk te zijn als je naar buiten treedt. Binnen de kortste keren krijg je allerlei banvloeken naar je hoofd geslingerd.  Dan is het inderdaad beter dat een eerlijke en kritische buitenstaander zo’n boek schrijft.

Bij deze tweede lectuur heb ik wel een bedenking: mijns inziens gaat hij te diep in op de verhouding tussen de kerk(en) en de vrijmetselarij. Ik denk dat dat probleem totaal irrelevant geworden is; vooreerst omdat de vrijmetselarij inderdaad dat probleem niet meer stelt, zeker de vrijzinnige vrijmetselarij niet, maar ook de reguliere hoe langer hoe minder. De praktijk haalt de (theoretische) problemen op dat vlak in. Maar ook omdat de christelijke kerken eigenlijk hoe langer hoe minder voorstellen in het Westen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


veertien + 14 =