Hermans en Bordewijk

| Geen reacties

De Nederlanden hebben lang geen traditie gehad wat het publiceren betreft van biografieën en correspondenties. Het eerste is inmiddels toch al een tijdje ingehaald, er verschijnen steeds meer biografieën, en van een kwaliteit die niet moet onderdoen voor het buitenland. Wat correspondenties betreft daarentegen is die inhaalbeweging nog bezig. Weliswaar waren er vroeger al uitgaven van het letterkundig museum, maar die waren eerder bestemd voor literatuurwetenschappers, en niet voor een groot publiek. Ofschoon ze geen historisch-kritische uitgaven waren. Maar inmiddels zijn bv. al twee belangrijke correspondenties van Hugo Claus verschenen.

En niet minder dan vier van Willem Frederik Hermans, nl. met Geert van Oorschot (domweg in twee boekdelen bij twee uitgevers), met Gerard Reve, met Rudy Kousbroek, en onlangs met Ferdinand Bordewijk. Het zijn fraai uitgegeven boekwerken, steeds met een summiere inleiding en de nodige aantekeningen. Leesedities dus, maar toch van een hoog wetenschappelijk gehalte.

Het recentste in die reeks is Een onmiskenbare verwantschap, Brieven 1944-1965 (De Bezige Bij, Amsterdam, 2011). Het is van de vier genoemde Hermans-correspondenties de minst omvangrijke, dat in elk geval, en wat mij betreft ook de minst belangrijke. Het is geweten dat Hermans en Bordewijk zich, wat hun werk betreft, inderdaad in zekere zin verwant voelden: in beider werk, zeker het vroege van Hermans, was ontegensprekelijk een surrealistische component aanwezig, waar beide schrijvers zich trouwens bewust van waren, zoals uit deze kleine correspondentie blijkt. Veel meer dat voor hun werk van belang is, komen we uit deze weinige brieven niet te weten; wel nog dat zij elkaar soms ontmoetten, bij elkaar soms op bezoek gingen, maar zelden.

De brieven zijn niet persoonlijk, maar het zijn evenmin zakelijke brieven. Hier zijn duidelijk twee ‘heren van stand’ aan het woord, die elkaar schrijven met alle vormelijke plichtplegingen die in hogere kringen tot pakweg de jaren zestig zeker in Nederland gebruikelijk waren. Ik kom niet uit hogere kringen, maar zelfs ik heb bepaalde aanspreekvormen nog geleerd op school; ofschoon de leraar er toen al sceptisch tegenover stond. Hermans begint zijn eerste brief met ‘weledelgestrenge heer’, zoals het voor advocaten en leden van de rechterlijke macht voorgeschreven was (zo moest, meen ik mij te herinneren een hoogleraar aangeschreven worden met ‘weledelhooggeleerde heer’, een leraar met ‘weledelgeleerde heer’ enzoverder), maar na nog een ‘weledele heer’ gingen ze tot het einde door met ‘zeer geachte heer’ en ‘geachte heer’.

Ook verder vallen deze brieven enkel nog op door hun stijl: die van afstandelijke, hoofse heren, die liever niet rechtstreeks schrijven wat ze te zeggen hebben, maar meestal archaïserende eufemismen gebruiken: zo vernam Bordewijk dat “Ubeider oudervreugde niet onvermengd is” (p. 46 – Bordewijk), of: “Ik kan die dag (5 april) de hele dag tot Uw beschikking zijn, ik beschik bovendien over een eigen kamer zodat wij ons een uurtje kunnen afzonderen van de jongste generatie om rustig te praten” (p.67 – Hermans); of: “Hoe licht de kost bij U wezen mocht, – hij zou me bezwaren, – werkelijk, en daarom doet u me plezier mijn acceptatie als niet geschied te beschouwen.-” (p. 43 – Bordewijk).

Een stijl dus, die een hoffelijkheid vooropstelt, die vooreerst vreemd aandoet bij iemand als Hermans, die zich, zoals uit sommige brieven blijkt, er wel degelijk bewust van was soms als een querulant over te komen; maar die vooral totaal uit de tijd is in een tijd waar, dixit Bart de Wever, e-mails met ‘hoi’ beginnen. Dan is de stijl van Hermans en Bordewijk vanzelfsprekend aangenamer om lezen, maar ik ben niet conservatief genoeg om daarnaar terug te verlangen. Ik pas me aan mijn correspondenten aan, en of die ‘hoi’ of ‘waarde heer’ schrijven, laat me verder koud.

Voor liefhebbers van het werk van Hermans, waartoe ik mij reken, hoort dit boek er uiteraard bij. Van Bordewijk ken ik enkel zijn belangrijkste werken. Misschien een aansporing om meer van hem te lezen? Maar ik zou ook Hermans willen herlezen, minstens gedeeltelijk. Waar ga ik de tijd halen? Ik zou mezelf moeten kunnen veranderen in een bundel neutrino’s die sneller reizen dan het licht, dan kan ik volle bibliotheken uitlezen vooraleer ik ook maar een van de boeken erin uit de rekken heb genomen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vijftien − vijftien =