Herlezen (2): Maria Rosseels

| Geen reacties

Als tiener, zo rond mijn zestiende moet het geweest zijn, heb ik twee romans van Maria Rosseels gelezen: Ik was een kristen en Dood van een non.  Zonder dat ik me ook maar één detail ervan herinnerde, hebben ze toch een sterke en inderdaad blijvende indruk op mij nagelaten. Waarom wist ik al evenmin nog. Waarom Rosseels weet ik wel nog. Haar boeken werden in de familie, waarvan één kant duidelijk katholiek was en daarnaast liberaal, de andere eerder liberaal en dan pas katholiek – zoals dat op het Vlaamse platteland zo vaak voorkwam – gelezen en er werd over gesproken. En vermits ik toen alles las wat gedrukt was en in mijn handen terechtkwam, las ik ook Maria Rosseels.

De afgelopen drie maanden heb ik haar Verzameld Scheppend Proza in drie delen gelezen, een deel per maand. De twee voormelde romans heb ik dus herlezen, naast de weinige andere, die ik nu voor het eerst las.

De indruk is niet veranderd: nog altijd de sterke emotionele reacties soms, de inleving in de personages en hun problematiek, die bijna uitsluitend van religieuze en theologische aard is. En dat vind ik wel vreemd, want de twijfel over God, de angst voor het hiernamaals (hemel en hel), ken ik niet, en heb ik voor zover ik me herinner nooit gekend. En de kerk is mij al totaal en absoluut vreemd: op mijn elfde heb ik daar definitief, en tot aan mijn dood godlof, afscheid van genomen. Dat gebeurde in het Klein Seminarie van Sint-Truiden. Het eerste wat wegviel was de biecht, waar ik al als kind een afgrondelijke hekel aan had. En niet lang daarna, vanaf mijn twaalfde, dertiende, ging ik ook nog maar zelden naar de mis op zondag.

En toch spreken de boeken van Maria Rosseels mij nog steeds zo sterk aan, sterker zelfs dan vele andere, actuelere.

Het zal wel op de eerste plaats met de stijl te maken hebben, die langzaam en rustig is, meestal gefocaliseerd op één figuur (zeker in de ik-romans), waarvan de zielenroerselen zo worden gebracht dat de lezer er als het ware in kan kruipen, alsof hij rechtstreeks in de ziel van de protagonisten lezen kan. Zoiets vergt toch een sterke stilistische kracht, anders lukt het niet. Behulpzaam daarbij is uiteraard het feit dat de romanpoëtica van Rosseels volledig traditioneel van aard is: zelfs al hebben we soms met raamvertellingen te doen, de basisstructuur blijft steeds hetzelfde: we worden geconfronteerd met een psychologische ontwikkeling (soms over meerder generaties, zoals in Elisabeth), die door de protagonist zelf of door een alwetende verteller verhaald wordt, rechtlijnig, zonder ook maar enig spoor van modernisme in de uitwerking. Dat hoeft ook niet, want Rosseels bewijst dat ook een traditionele romanpoëtica zeer boeiende resultaten op kan leveren. Boeiender misschien zelfs, juist omdat de lezer niet afgeleid wordt door alle technische middelen die het modernisme uitgevonden heeft. Dat betekent uiteraard eenzijdigheid in de afwerking, maar er is geen wet die voorschrijft hoe je een roman moet schrijven. Gelukkig maar. Ieder vogeltje mag hier zingen zoals het gebekt is.

Er komt heel veel bitterheid in deze boeken voor, sommige protagonisten (de hoofdpersoon van Dood van een non bv.) gaan ook letterlijk kapot aan hun twijfels, die op vertwijfeling en wanhoop uitlopen soms. Je kunt alleen maar vaststellen dat het katholicisme alles behalve een aangename omgeving geweest moet zijn, zeker niet voor wie het ernstig meende met het evangelie. En in het laatstgenoemde boek worden toestanden in een vrouwenklooster beschreven, die nu effenaf onvoorstelbaar geworden zijn. Laat een 20-jarige dat lezen en hij verklaart je gek als je zegt dat het zelfs nog erger was dan daar beschreven. En dat alles om dichter bij een God te komen, waarvan je je als lezer afvraagt wat die betekent. Een goeie oefening zou zijn de vaderfiguren in de romans van Rosseels eens grondig te bestuderen, en daarnaast het beeld te plaatsen van de God waar de protagonisten naar op zoek zijn: de overeenkomsten zouden werkelijk in het oog springen, en Freud volledig gelijk geven. Of vergis ik me?

Haar romans spelen vaak in een historische setting: de periode van het opkomende christendom in het Romeinse Rijk, in het Koninkrijk Jeruzalem in de 11de eeuw, maar ook in de 20ste eeuw, met slechts sporadische verwijzingen naar actuele gebeurtenissen. Ook dat zal wel een rol gespeeld hebben in het feit dat deze boeken zo boeiend overkwamen. Vraag is enkel: wat heb ik daar vroeger van begrepen? De achtergrond van Dood van een non bv. is in zekere zin het Jansenisme: de hoofdpersoon, Sabine Arnauld is een verre afstammelinge van de familie van mère Angélique Arnaud van Port-Royal. Het is onmogelijk dat ik daar als zestienjarige ook maar iets van afwist, en dus kan ik dat ook niet begrepen hebben. Idem dito voor de kerkvaderlijke achtergrond van Ik was een kristen.  Maar ik ga er wel van uit dat door de vroege lectuur van deze boeken mijn interesse gewekt werd. Later heb ik de kerkvaders gelezen, en heb ik vooral een sterke interesse gekweekt voor het Jansenisme. Ofschoon het nog lang geduurd heeft vooraleer ik de drie Pléiadedelen van Sainte-Beuve’s Port-Royal las. En Pascal behoorde jarenlang tot mijn lievelingslectuur, en doet dat nog.

Als ik het zo-even over bitterheid en vertwijfeling had, is dat uiteraard slechts één zijde van de medaille. De boeken eindigen onveranderlijk op een ‘positieve’ noot; dat moet waarschijnlijk op het konto van de kerk geschreven worden, waar Rosseels deel van uitmaakte, want dat is een instituut dat wel degelijk een soort romanpoëtica voorschreef; en één van de eisen daarin was een positieve afloop in kerkelijke zin. Maar toch: ik heb het woord ‘positief’ daarnet niet voor niets tussen aanhalingstekens gezet: berusting en aanvaarding zijn eigenlijk de juiste woorden om dat einde aan te duiden. Aanvaarden wat je toch niet veranderen kunt, berusten in het kwaad, het lijden (het theodicee-probleem speelt vaak een belangrijke rol). Ook dat is geen toeval natuurlijk: de christelijke moraal werd sterk beïnvloed door, c.q. komt op belangrijke punten overeen met, de moraal van de (late) Stoa. Dat blijkt bv. sterk uit het werk van Boëthius. Ook de Stoa en Boëthius hebben steeds tot mijn lievelingslectuur behoord.

Is dit werk verouderd? Kan het nog gelezen worden? Want ik ga ervan uit dat ikzelf eerder een professionele lezer ben. Wat de religieuze en theologische thematiek betreft niet, denk ik. Het is nu al zo, dat op katholieke hogescholen en universiteiten de studenten een inleidende cursus nodig hebben over de katholieke leer, want zelfs de basisbegrippen kennen ze niet meer. Voor een gemiddelde student zou het dus veel opzoekingswerk vergen, zeker in de twee door mij vaakst genoemde romans; Elisabeth en Wacht niet op de morgen (en zeker de kortere teksten) wel nog, vermoed ik, ook al komt ook daar wel wat katholicisme in voor. Maar wie op emotie speelt, die kan die boeken gerust nog lezen, zelfs al ontgaat hem of haar dan veel.

Want dat is de kern natuurlijk: vroeger werd ik er emotioneel door geraakt, nu emotioneel én verstandelijk. De boeken zeggen mij nu dus meer dan toen ik een tiener was. Maar toch kom je er niet onderuit: in zekere zin behoren deze boeken en hun problematiek tot een wereld die vandaag definitief voorbij is. In die zin bevestigen ze slechts wat ik eerder al schreef: het christendom als ‘Leitkultur’ in onze contreien is zo goed als morsdood. Niet enkel een bepaalde vorm ervan, het christendom zelf. Wie dat wil betreuren mag dat, wie dat wil toejuichen evenzeer. Mij laat dat Siberisch koud.

Het werk van Rosseels is niet omvangrijk, maar kwaliteit heeft ze mijns inziens ontegensprekelijk geleverd. Maar staat ze op hetzelfde niveau van andere katholieke schrijvers, die in hun romans gelijkaardige problemen aansneden? Ik denk dan aan François Mauriac of Graham Greene. Ik zou ze moeten herlezen om op die vraag te kunnen antwoorden. Beiden schreven hun belangrijkste werken in de jaren dertig en veertig. Je zou ze dus eerder met Walschap moeten vergelijken. Wiens werk toch wel breder is dan theologische bekommernissen. Ook omvangrijker. Misschien was Rosseels een late loot aan die stek, en vormen haar boeken een sterke wijn, een zgn. Spätlese, gebaseerd op druiven, die aan de stok al begonnen zijn licht te rotten.

 

 

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


twee × 5 =