Daar, Leo Vroman

| Geen reacties

Op het einde van zijn leven hield Gottfried Benn een beroemd geworden toespraak over Altern als Problem für Künstler. Als ouder worden voor kunstenaars al een probleem is, dan éen waarover zeer weinig gesproken wordt: naast voornoemde tekst van Benn, zijn mij daarover enkel nog bekend: een boek van Jean Améry, en een toespraak van Jacob Grimm. Beide laatste zijn algemener van opzet, beperken zich dus niet tot kunstenaars. Een schrale oogst op twee eeuwen; zo groot zal het probleem dus wel niet zijn. En dan blijft nog de vraag natuurlijk in hoeverre dit speciaal voor kunstenaars een probleem zou zijn.

Leo Vroman laat het blijkbaar niet aan zijn hart komen: hij is op dit ogenblik 96 en publiceerde een nieuwe dichtbundel onder de korte en krachtige titel Daar (Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2011). De titel sluit aan bij die van enkele bundels terug, toen Vroman nog maar 93 was: toen publiceerde hij Nee, nog niet dood. Ook Daar moet mijns inziens zo gelezen worden: voilà, mijn nieuwste bundel, ik ben er nog.

Vernieuwing moet je in deze ruime (meer dan 200 bladzijden) bundel vanzelfsprekend niet zoeken; althans ik kan me niet indenken dat een 96-jarige zichzelf in zijn werk nog zou vernieuwen; het volhouden van een constant hoog niveau is op die leeftijd al niet zo voor de hand liggend, en dat is het nochtans wat Vroman doet. En wat een nieuwe bundel van hem steeds weer lezenswaard maakt.

Daar is vooreerst de onnavolgbare stijl van Vroman, die zijn gedichten direct herkenbaar maakt. In het huidige poëzielandschap is hij nog een van de weinigen waarvan je zeggen kunt dat hij zo’n totaal eigen stijl heeft. Vroman schrijft sprankelend, jong, zijn verzen lopen soepel als die van geen ander dichter, zijn beeldspraak is fris en komt nieuw over ook al is dat niet altijd zo; hij maakt gebruik van een milde vorm van ironie die je bij de lectuur vaak doet glimlachen. En dat hij daarbij ook soms wel eens melig overkomt, en soms zijn toevlucht neemt tot bv. gemakkelijke woordspelingen, dat neem je er graag bij.

Laat mij een voorbeeld geven. De bundel bevat een lang gedicht in zeven delen, getiteld ‘De Spijsvertedering’: dat noem ik een gemakkelijk woordgrapje. Maar anderzijds: het gedicht zelf vertoont zo’n sterke mengeling van luim en ernst, van hogere en lagere dimensies dat het een typevoorbeeld wordt van een geslaagd Vromangedicht. Het begin luidt bv. aldus: “Is die titel werkelijk een grap?/Al mijn grappen zijn ernstig bedoeld.” Ik denk dat dit minstens een deel van de poëtica van Vroman uitstekend samenvat. Het vierde stukje luidt aldus:

“Die maag doet nog veel meer,
en de dunne darm wat toch
ook allemaal weer,
en god, daar is die pancreas nog.
Maar wat ben ik hier aan het schrijven,
een berijmde fysiologie.
Als je belieft, laat die
ongeschreven blijven.
Dus voort, voort,
naar de endelpoort!
Maar eerst…” (p. 71)

Hier valt het niet écht op, maar Vroman maakt heel veel gebruik van enjambementen; soms enjambeert een gedicht van hem omzeggens bij elk vers. Dat zorgt voor een enorme soepelheid, en voor een snelle lectuur (‘voort,voort’!). Vroman laat de lezer geen rust en amper respijt. Pauzes zijn er uiteraard wel, maar die vallen meestal samen met een zinseinde, zelden met een verseinde. Dat enjamberen zorgt ook ervoor dat de rijmen, die er veel zijn, niet echt opvallen: je ziet wel de bakstenen maar amper het cement dat ze samenbindt. En meer: rijmdwang en gemakkelijkheidsrijmen vallen door die techniek evenmin op. Nog een voorbeeld, deze keer uit deel 6, over ‘De endeldarm en haar einde’:

“Waarom wordt er zoveel gedicht
over het hart, de penis, de vagina,
en desnoods over het hierna-
maals en het eeuwige licht,
maar niet over het schattige gat
diep tussen die prachtige
billen verborgen, die krachtige
sluitspier – waarom is dat?” (p.72)

Blijkbaar is er binnen de categorie van het lagere (hart, penis, vagina) nog een hiërarchie, waarbij de allerlaagste onderwerpen vermeden worden. Vroman is van opleiding en was van beroep bioloog (specialisatie hematologie), dat verklaart uiteraard mede waarom hij tussen die beide categorieën geen onderscheid maakt: hij beziet de mens als een eenheid, en het onderscheid tussen geestelijk en lichamelijk als onbestaande; zodoende kan ook over alles gedicht worden. Een ander dichter die die twee lagen in zijn poëzie opneemt en afwisselt, is Hugo Claus. Maar bij die laatste is er wel degelijk sprake van scherpe tegenstellingen, van verscheurdheid zelfs soms; dat komt omdat Claus gezien moet worden in de traditie van de barok met zijn scherpe tegenstellingen. Claus is een innerlijk gespleten dichter, Vroman is dat allerminst.

In het zevende en laatste deel van dit gedicht, ‘Het einde’ getiteld, slaat de toon dan volledig om: het is niet meer zozeer de spijsverte(de)ring die onderwerp is, maar de verpoedering wordt opgeroepen die optreedt wanneer vliegtuigen in torens vliegen en daar ontploffen en de torens doen instorten. Zes delen lichte ironie over alle bij de spijsvertering betrokken organen, en dan de hoogste ernst als het over een vorm van Grote Spijsvertering gaat. Ook dat soort contrasten komt bij Vroman meer voor, maar zelden zo sterk.

Wat in deze bundel als ik goed gelezen heb, ontbreekt is de figuur van “Systeem”: dat was de persoonlijke manier van Vroman om aan te duiden wat de religies ‘God’ noemen. In vroegere bundels kwam je zelfs heuse gebeden aan Systeem (inderdaad met een hoofdletter geschreven) tegen. Wel alomtegenwoordig in deze bundel (en in de overige Vromanbundels van recentere datum) is de dood, is het sterven. Voor een 96-jarige spreekt dat bijna vanzelf. Maar ook hier is Vroman niet zoals de andere dichters, en ook die eigen houding tegenover de dood, tegenover het eigen sterven inderdaad, kan voortkomen uit zijn opleiding tot bioloog.

De vrede die een goede dood kan garanderen, heeft hij blijkbaar al bereikt:

“als ik na mij te ontbloten
even in de spiegel kijk
en denk: precies de juiste grootte
voor mijn weldadig koninkrijk,
en sterft het krom op de wc
terwijl geen woord mij meer ontvalt
en mijn tong naar buiten lalt
dan heb ik daar ook vrede mee.
En met ieder duivels geloof
vol schijnheilige gebeden.
Ik word er blind voor, en ten tweede
hartelijk hartstikke doof.

Ik heb met alles vrede.” (p.28)

Maar dat betekent niet dat de dichter ook dood wil. Hij weet gewoon dat het niet veraf meer is, en hij is in het zicht van het einde eerder rustig dan stoïcijns. Hij aanvaardt het sterven zoals hij het leven aanvaardde, wetend dat het toeval is enerzijds, en dat er inderdaad niets verloren gaat, ook al is het dan op een lager niveau anderzijds. De dood hoort nu eenmaal bij het leven. Maar dat betekent dus niet dat de dood echt welkom zou zijn; wanneer hij komt zal de dichter de deur wel openen en hem binnenlaten, maar ondertussen hoeft zijn bezoek niet direct. Er zijn wellicht nog plannen:

“UITGESTELDE PLANNEN

Mij lijkt het meest gezonde
dood zijn om heel natuurlijk
in een woud te worden gevonden.
Desnoods figuurlijk,

en wel benieuwd naar enkele dingen:
of ik de mieren nog mag voelen
stromen en de maden woelen
in mijn vertederingen.

Maar wacht nog wat, Eeuwigheid,
ik voel mij zo overdreven
klein en jou zo groot,

vervloekte eeuwigheid,
hoe kan ik zo kort leven
en blijf ik zo lang dood?” (p.193)

 

Critici hebben vroeger wel eens beweerd dat Vroman te veel zou schrijven. In een vorige bundel (De gebeurtenis en andere gedichten, Querido, Amsterdam, 2001), heeft Vroman zelf daar al op geantwoord:

“IK SCHRIJF TE VEEL

Bijvoorbeeld waarom
al die leerzame grappen?
Ik lijk wel een Zwarte Piet:
ik loop gewoon krom
van mijn eigen boodschappen.
Waarom? Waarom?
En waarom niet?” (p. 173 aldaar)

Inderdaad, zou ik zeggen, en ik voeg eraan toe: die critici verzuimen altijd het of de criteria te noemen waarop ze zich baseren om van een te veel te spreken. Omdat daar geen criterium voor bestaat uiteraard. En nooit heb ik een criticus een dichter horen verwijten dat hij te weinig zou schrijven. Overigens spreekt het vanzelf dat je oververzadigd raakt wanneer je het hele oeuvre van Vroman achter elkaar, in een ruk, zou willen uitlezen. Maar dat geldt toch voor alle dichters met een omvangrijk dichterlijk oeuvre!

Nee, ik gun Vroman van harte een bijbelse leeftijd, in goede lichamelijke en geestelijke conditie, en met elke twee jaar een nieuwe omvangrijke bundel.

Print Friendly, PDF & Email
Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


1 × 5 =