Les Maçons de Cythère van Jean-Louis Brad

| 2 reacties

WOORD VOORAF

Jean-Louis Brad?[1]

Het feit dat ik hier twee gedichten in boekvorm van hem, en enkele gedichten verschenen in tijdschriften rond me heb liggen, bewijst dat deze Brad een dichter was, een Frans dichter. Nochtans komt hij in geen enkele door mij geraadpleegde geschiedenis van de Franse letterkunde[2] voor, en zelfs de Bibliographie der französischen Literaturwissenschaft, waarvan sinds 1956 elk jaar een omvangrijker wordend deel verschijnt[3], kent Brad niet.

Weinig dichters zullen zo grondig vergeten zijn als deze Brad.

Waaraan ligt dat? Misschien omdat zijn productie niet hoog ligt. Drie omvangrijke gedichten zijn van hem bekend: Hygie militaire, ou l’Art de guérir aux armées, poème en quatre chants, suivi des loisirs d’un militaire dans la campagne de 1809 verscheen bij de auteur zelf in 1815, en kende een herdruk in 1819. Het is een zgn. ‘leerdicht’, een genre dat typisch is voor de Verlichting. Het geeft dus al een beetje aan waar we Brad moeten plaatsen in de literatuurgeschiedenis. Het onderwerp is ook verder niet toevallig gekozen. Brad was een tijdlang militair in de Napoleontische legers, met name in Italië, en hij oefende daar de functie uit van ‘chirurgien-major’.

Een tweede lang gedicht van hem is L’Italie, poème en quatre chants(Chez Louis Capriolo, Alexandrie, s.d.). Het is in Alexandrië (Alessandria, Dipartimento di Marengo) dat hij een hele tijd verbleven heeft als militair chirurg, en het was ook daar dat hij lid was van een plaatselijke Franstalige vrijmetselaarsloge, de R.°.L.°.des Amis de Napoléon le Grand, waarin hij eerst de functie van vice-redenaar, later van redenaar bekleedde, zoals blijkt uit een artikel over de vrijmetselarij in Italië in die periode, en over deze werkplaats in ‘t bijzonder.[4] Dit is ook het artikel waarin het meeste terug te vinden is over Brad, met name dus over zijn rol van redenaar. Deze Loge was vooral bezig in het eerste decennium van de 19de eeuw, want iets later wordt Brad vernoemd als lid van de ‘Respectable Loge des Coeurs Constans’ in het O.°.Grenoble. Hij had daar de graad van ‘Chevalier écossais’, in die tijd de vijfde graad van de zgn. ‘Franse Ritus’.[5] Over deze loge is zo goed als niets bekend; zij komt op geen enkele lijst voor van loges die tot de Grand Orient de France of tot de Grande Loge de France behoorden in die tijd; het ligt dus bijna voor de hand dat het een ‘wilde’ loge was, d.w.z. een loge die volledig onafhankelijk en los van alle obediënties werkt. Dat ze inderdaad bestaan heeft, kan bewezen worden: ze wordt vermeld in een boek over Stendhal[6], en ik ben in het bezit van een ‘Tableau général des FF.°. qui composent la T.°.R.°. L.°. des COEURS CONSTANS à l’O.°. de Grenoble, pour servir depuis le jour de le Saint-Jean d’été 5806 jusqu’à pareil jour 5807′. Daaruit blijkt dat de werkplaats op die datum 108 leden telde, waarvan 40 militairen, waaronder Brad. Enkelen daarvan kwamen ook al voor op de ledenlijsten van ‘Les Amis de Napoléon le Grand’[7].

Ledenlijst van ‘Les Amis de Napoléon le Grand’

Klik op de foto voor een grotere afbeelding


Ledenlijst van ‘Les Amis de Napoléon le Grand’ - Klik op de foto voor een grotere afbeelding

Ledenlijst van ‘Les Amis de Napoléon le Grand’ – Klik op de foto voor een grotere afbeelding

Leren we uit dit lange gedicht vooral ‘s mans liefde voor Italië kennen, andere, korte gedichten van hem hebben allerlei onderwerpen, er zijn zuiver maçonnieke bij, maar ook religieuze en sociale zelfs. Ze verschenen in tijdschriften (Annales maçonniques, Mercure de France…) of ook als afzonderlijke plaquettes[8].

Behalve het hierboven vermelde, is over de man en zijn werk enkel nog op twee plaatsen iets te vinden: In een encyclopedisch overzicht uit 1827 wordt zeer summier van hem gezegd: “successivement chirurgien aide-major, poète et limonadier; né en Lorraine, vers 1770″, waarna enkele werken opgesomd worden[9]. De juiste geboortedatum van de man is dus niet eens bekend, en zijn sterfjaar heb ik evenmin ergens vermeld gezien. Verder worden zijn werken gedeeltelijk vermeld (de maçonnieke in elk geval) in de bibliografieën van Kloss en Wolfstieg, en in de Acta Latomorum van 1815 staat een korte vermelding die even bondig is als die in voormeld overzicht, alleen wordt er op het einde aan toegevoegd dat hij ook de auteur is van “beaucoup de pièces fugitives très-estimées”[10]. De betiteling ‘pièce fugitive’ kan van betekenis zijn voor het vervolg van dit opstel, want met ‘poésie fugitive’ werden in de Franse literatuurwetenschap korte dichtgenres uit de 18de eeuw bedoeld, die tot het rococo behoren. Maar er kan hier evenzeer gewoon bedoeld zijn dat het om gelegenheidsgedichten gaat.

In een latere uitgave van Quérard werd daar nog één zinnetje aan toegevoegd: dat hij in de jaren twintig (van de negentiende eeuw dus) naar Rusland vertrokken was. Daarna verdwijnt Jean-Louis Brad dus helemaal uit het zicht, om in de 21ste eeuw opnieuw heel even en heel summier op te duiken.

Verdere inlichtingen kunnen enkel nog indirect worden afgeleid uit zijn werk zelf. Uit het voorgaande blijkt dat hij – en hij niet alleen – een bewonderaar geweest is van Napoleon. Dat blijkt ook uit het feit dat een herdersspel van hem werd opgedragen aan Napoleon: “Nouveau Titus, o toi, qui fais du monde/Et les délices et l’amour,/Toi, dont en France on bénit chaque jour/Le nom par qui notre Bonheur se fonde,/Permets que des Bergers t’expriment à leur tour/Leur reconnaissance profonde.”, zo heet het op bladzijde 5 vanLe Berceau de Virgile[11]. Ook in Les maçons de Cythère zal Napoleon nog positief gewaardeerd worden.

Maar zoals dat wel vaker gebeurt: jeugdliefdes, zeker politieke, verdwijnen om plaats te maken ofwel voor een relativerend inzicht, ofwel gewoonweg voor andere politieke liefdes. Wat Brad betreft geldt vooreerst het eerste, zoals blijkt uit een passage van de inleiding bij de Les Loisirs d’un militaire pendant la campagne de 1809, die bij het leerdicht over de militaire geneeskunst gevoegd werden. Daarin zegt de auteur o.a.:

“Ayant servi dix-huit ans sous les drapeaux de ce conquérant, dont l’ambition à ravagé le monde, et a fini par le perdre lui-même, je rougirais de me trouver au nombre de ceux qui l’accable depuis sa chûte, sur-tout après l’avoir admiré dans ses premières campagnes. J’ai la franchise d’avouer, même aujourd’hui, cette admiration que partageaient bien des hommes qui lui font en ce moment son procès pour tous les instans de sa vie militaire : pour moi je pense qu’il faut distinguer le noble vainqueur de Lodi, d’Arcole, de Marengo, du coupable dévastateur de l’Espagne, de l’insensé héros de Moscou et de l’imprudent vainqueur de Dresde.”(‘Préface’ niet gepagineerd)

Het is een uitgebalanceerd oordeel, waarbij je voelt dat de bewondering nog niet dood is. Het belet hem niet in hetzelfde jaar 1815 een gedicht te publiceren over La mort de Louis XVI, Elégie. De tekst is retorisch zeer zwaar aangezet, en doet bij wijlen denken aan de gebaren vol pathos op sommige schilderijen van David. Het zeer emotionele gedicht is wel volledig koningsgezind.

Tenslotte lijkt het mij mogelijk dat Brad later sterk religieus geworden is, en dat hij vroegere standpunten wellicht volledig verloochend heeft. Zou dat iets te maken kunnen hebben met zijn vertrek naar Rusland? Ik weet het niet. In elk geval is het zo dat de tonen in een van zijn laatste publicaties van een andere, persoonlijk-emotionelere aard zijn, en eerder tot de romantiek gerekend moeten worden. Ik citeer het begin van La Mission à Grenoble, Cantiques, uit 1818:

“AUX DIGNES PRÊTRES
des Missions de France.

Je m’étais égaré, vous m’avez ramené;
Trente ans je fus aveugle, et je vois la lumière :
Sur la terre d’exil j’étais abandonné,
Et vous m’avez offert un abri tutélaire.
Mal averti par les docteurs du jour,
Mal appuyé sur leur philosophie,
Dans la Religion j’ai trouvé tout-à-tour
La vertu, la sagesse et la paix de la vie.
Ces bienfaits, ce bonheur, long-temps cherchés en vain,
Lorsque je les reçois par un secours divin,
Avec orgeuil je les publie.”

Inderdaad, ‘t kan verkeren!

En in 2007 kwam hij dan heel, heel even weer tevoorschijn uit de duisternis waarin hij verdwenen was. Inderdaad, in dat jaar  verscheen een herdruk van een (gedeelte van) een gedicht van hem[12]. Blijkbaar wist de uitgever niet dat dit slechts een deel was van een langer geheel. Deze uitgave was dus een gemiste kans. En op een maçonnieke website (www.hiram.be) wordt kort naar hem verwezen, en wordt een ander gedicht van hem gepubliceerd, Vénus maçonne.[13] Naar dit laatste wordt ook verwezen in een artikel van James Smith Allen, maar deze heeft het gedicht in kwestie wellicht niet eens gelezen of onder ogen gehad, want hij citeert een verkeerde titel, nl. Vénus maçonnique [14].

De twee laatstgenoemde gedichten (en andere, die eveneens eerst afzonderlijk verschenen, en in de bibliografieën van Kloss[15] en Wolfstieg ook afzonderlijk worden vermeld) maken deel uit van één groter geheel, dat in 1813 verscheen onder de titel Les Maçons de Cythère, en dat het derde grote gedicht is van de hand van Jean-Louis Brad.

In het vervolg van dit opstel zal ik het daarover hebben.

000

Je zou denken: Vermits de officiële literaire geschiedschrijving Brad niet (meer) kent, zullen de vrijmetselaren zich hem nog wel herinneren, en af en toe iets over of van hem publiceren.

Niet dus.

In Ligou[16] – in het Franse taalgebied nog steeds het encyclopedische referentiewerk over de vrijmetselarij – wordt hij niet vermeld. Gelegenheden tot een kleine rehabilitatie zijn verder twee werken geweest die zich expliciet met literatuur en vrijmetselarij bezighouden: een literair-historisch overzichtswerk van schrijvers die banden hadden met de vrijmetselarij van Henri Prouteau[17], en een bloemlezing van maçonnieke en symbolische poëzie uit het Franse taalgebied, van Jean-Luc Maxence en Elisabeth Viel[18]. Zeker in dit laatste had Brad vermeld moeten worden, en hadden uittreksels uit zijn grote maçonnieke gedicht moeten worden opgenomen.

Niet dus. Nogmaals.

Misschien is men van oordeel dat Les maçons de Cythère niet goed genoeg is, maar ik vrees dat gewoon niemand op de hoogte is van het bestaan ervan. Vaste criteria om te bepalen of een gedicht goed of slecht is, bestaan uiteraard niet. Maar aangetoond kan m.i. wel worden dat we hier met een zeer eigen-aardig werk te doen hebben, iets dat tamelijk uniek is in zijn genre, een lang gedicht dat wel aansluit bij achttiende-eeuwse stromingen in de poëzie, maar dat toch erg uitzonderlijk is op velerlei vlakken.

Dat zou ik althans willen beargumenteren en aantonen in dit opstel. Dat zal uit twee delen bestaan: In een eerste deel wordt de tekst zelf onder de loupe genomen, van dichtbij en met vele citaten (hij is immers amper toegankelijk), en in een tweede deel wordt het gedicht dan in de literaire, historische en maçonnieke context geplaatst waarin het thuishoort, voornamelijk die van rococo en verlichting.

Omdat ik zelf lang genoeg vrijmetselaar ben geweest, zal ik mij veroorloven het vrijmetselaarsbeeld van Brad te vergelijken met mijn eigen maçonnieke ervaringen. Dat hoort wel niet in een ‘wetenschappelijk’ opstel, maar omdat het internet vrij is, kan ik, kan eenieder zich hier heel wat meer veroorloven dan in een wetenschappelijk tijdschrift. En het is trouwens zo, dat je over een onderwerp als de vrijmetselarij met veel meer kennis van zaken kunt schrijven als je het onderwerp uit ervaring kent.

000

De bibliografie tenslotte is zoals steeds onvolledig, zelfs de primaire van Brad waarschijnlijk. Er wordt enkel vermeld wat ik van hem gelezen heb. De secundaire bibliografie bevat enkel die werken die ik speciaal met het oog op dit opstel las of herlas.

Fouten in de tekst van Brad werden niet verbeterd, evenmin aangegeven.

Diana tenslotte zorgde weer voor de technische afwerking, en zij haalde er weer de taalfouten uit. Zonder haar zou dit geschrijf waarschijnlijk definitief ophouden.

Titelblad

Klik op afbeelding voor een grotere versie

DE TEKST

De tekst kan worden onderverdeeld in vijf afzonderlijke delen, zonder dat dit getal enige symbolische betekenis heeft: er is vooreerst een korte inleiding, die bestaat uit een opdracht en een eigenlijke inleiding; daarna komen drie achtereenvolgende inwijdingen aan bod, eerst van Venus, dan van de drie Gratiën en tenslotte van Venus’ zoon Amor; zoals het voor een inwijding past, wordt ze afgesloten door een ritueel banket, tijdens hetwelk de redenaar een tamelijk lange (voor het doen van dit gedicht toch) voordracht houdt over het getal drie[19].

De delen zijn ongelijk van lengte, waarbij de eerste inwijding, die van Venus, het meeste plaats in beslag neemt. In dit deel komen we ook het meeste elementen tegen die ook in hedendaagse maçonnieke inwijdingsritualen nog steeds voorkomen, al dan niet met varianten.

Ik zal de tekst chronologisch volgen, deel per deel.

Delen:

2 reacties

  1. Beste Peter

    Al enkele jaren geleden kwam ik toevallig op je blog terecht en werd ik zeer getriggerd door je verhaal en het gedicht van Brad. Ik heb het destijds snel proberen te vertalen naar het nederlands met de idee er ooit verder aan te werken en er misschien een bouwstuk over te maken. Maar eigenlijk heb jij dat al gedaan bij deze..
    Misschien kan ik het eens in toneelvorm en in vertaalde vorm brengen in onze werkplaats.
    Ik wou je eigenlijk gewoon mijn broederlijke groeten overbrengen, al heb ik begrepen dat je dat hoofdstuk afgesloten hebt.
    In elk geval bedankt voor de teksten en nog veel plezier in’ leven.

    • Beste Erwin,

      Nee hoor, dat hoofdstuk is tot nader order niet afgesloten. Wel heb ik enkele jaren geslapen, maar na mijn pensioen heb ik de draad weer opgenomen.
      Zelf heb ik er nooit aan gedacht van die tekst een bouwstuk te maken, maar nu je het zegt. Waarom niet? Maar het zal wel zoveel synthese vergen dat er, vrees ik, niet veel van zal overblijven, gelet op de uiterste duur van een bouwstuk (anderhalf uur zowat).
      Mbg
      Peter

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


17 − 13 =