Ivo Michiels – Sigrid Bousset – Christine Brooke-Rose

| Geen reacties

Ivo Michiels is waarschijnlijk – samen met Jeroen Brouwers – de belangrijkste oudere prozaschrijver van de Nederlanden. Volgens mij zijn beiden ook de enigen op dit ogenblik in datzelfde taalgebied die als prozaïst een Nobelprijs zouden verdienen. Dat terzijde.

Michiels schrijft echter al een hele tijd niet meer.

Gesprekken met Ivo MichielsDaarom is de publicatie van Meer dan ik mij herinner  Gesprekken met Ivo Michiels (De Bezige Bij, Amsterdam, 2011) van Sigrid Bousset meer dan welgekomen. Omdat het een belangrijke auteur in de actualiteit houdt, en terzelfdertijd die belangrijkheid duidelijk en op een drievoudige wijze onderstreept en waarmaakt. Daarenboven toont Michiels zich als spreker even boeiend en sprankelend jong als hij in zijn boeken meestal geweest is.

De gesprekken zijn, wat de inhoud ervan betreft, chronologisch gerangschikt: dwz dat ze beginnen bij de jeugd van de auteur en eindigen op de dag van vandaag, bij de oudere Michiels in zijn woning in het Zuiden van Frankrijk. In de gesprekken zijn duidelijk drie lagen te onderscheiden, die echter voortdurend door elkaar heen lopen, en zodoende een echte symbiose vormen. Die gelaagdheid komt nooit artificieel over, zij is als het ware het geraamte van het boek.

De eerste laag is het eigenlijk biografische: we vernemen veel over de jeugd, de afkomst van Michiels, over zijn opvoeding en hoe hij zich van bepaalde aspecten daarvan heeft losgemaakt. Toch blijkt dat met name het nationalisme van de jaren dertig voor die toen nog Rik Ceuppens heette een duidelijk bevrijdende kant had – zoals linkse strekkingen voor mensen die in 1968 jong waren. Het toont de relativiteit van dat alles. Over de lotgevallen van Michiels als dwangarbeider (verpleger) in een Duits ziekenhuis tijdens de oorlog had ik nog niet veel gelezen, dat is toch wel nieuw. Het feit van Michiels’ tewerkstelling in Duitsland was wel bekend, maar niet hoe beklijvend en traumatiserend dat geweest moet zijn, bv. de confrontatie met slachtoffers van het brandbommenbombardement op Hamburg (lang voor Dresden). Dat laatste is een aspect van Michiels’ leven waarvan ik me overigens niet herinner het in zijn boeken te zijn tegengekomen.

Voor de rest zijn die lotgevallen natuurlijk overduidelijk terug te vinden in dat werk, niet alleen het jeugdwerk (bv. Kruistocht der jongelingen) maar ook, zij het wellicht fragmentarischer in het latere werk.

Die aanwezigheid duidt trouwens ook al de tweede laag aan, die van de geschiedenis, of moet ik zeggen: van de tijdgeest. Uit Michiels’ gesprekken blijkt steeds weer, ook al wordt het niet met zoveel woorden gezegd, dat individuele beslissingen, en dus vrije wil, vaak enkel maar schijn zijn, een lachertje, en dat beslissingen veel meer bepaald worden door die Zeitgeist dan door iets anders. Het individu en de geschiedenis, de geografie ook waarin het terecht komt, worden zodoende een eenheid, waarin het tweede element wel het zwaarste doorweegt en het individu eerst maken tot wat het is; zeker in de turbulente tijden waarin Michiels jong was, was dat het geval.

Het is dan ook geen toeval dat het individuele lot en het collectieve lot zo nauw met elkaar verbonden zijn in het werk van Michiels, en dat geldt ook voor ogenschijnlijk amper maatschappelijk betrokken boeken als Het Afscheid. Dat kan immers zonder enig probleem als een allegorie gelezen worden, als een verhaal, een probleem dus dat voor elckerlyck geldt.

In het latere, na-oorlogse leven van Michiels geldt dat misschien minder, maar toch. De derde laag van deze gesprekken zou je de poëticale kunnen noemen: hoe staat Michiels tegenover kunst en literatuur, hoe is hij daarin geëvolueerd. Zoals steeds weer blijkt uit de gesprekken, was ook dat allesbehalve een zuiver individueel proces; ook hier was telkens weer die wisselwerking bezig tussen het individuele en het collectieve, tussen het persoonlijke en het algemeen-maatschappelijke. Het feit dat kunst in de jaren vijftig-zestig-zeventig nog een grote maatschappelijke impact kon hebben, wijst daar op.

Deze gesprekken schetsen aldus een itinerarium dat veel meer, veel breder en omvattender is dan dat van Ivo Michiels alleen, ook al komen ook strict privézaken zoals huwelijksmoeilijkheden aan bod, maar bijna in de marge dan. Het gaat meer nog over Vlaanderen, Vlaanderen in Europa, en op het einde Vlaanderen in de wereld. En Michiels kent de grauwe, gruwelijke spoken uit dat vroegere Vlaanderen en Europa, spoken die overal de kop weer opsteken. Het is dan ook geen toeval dat hij op het einde van het boek tegen die spoken waarschuwt, overigens zonder iemand of iets bij naam te noemen. De lezers weten wel wie of wat bedoeld wordt.

In een magistraal oeuvre is dit een meeslepend en magistraal boek, waarin zelfs die lezers die Michiels al jaren lezen, veel nieuws kunnen leren, niet alleen over de auteur zelf en zijn werk en de achtergronden daarvan, maar evenzeer over de (veranderende) tijdgeest waarin de auteur leefde en leeft. ‘Boeiend’ is in deze een understatement.

000

Ivo Michiels - Mag ik SprekenTerzelfdertijd verscheen Mag ik spreken? Journal brut – een reconstructie (De Bezige Bij, Amsterdam, 2011), waarin Michiels de volgens hem beste bladzijden uit zijn tiendelige cyclus Journal Brut, die verscheen tussen 1983 en 2001 samenbrengt, met een woord vooraf.

Het is natuurlijk fijn deze bladzijden te herlezen, en je te herinneren hoe je tien jaar lang om de twee jaar zat te wachten op een nieuw deel uit de cyclus, en hoe je tevreden was dat het tiende deel eindigde met ‘wordt vervolgd’. Alleen is dat ‘vervolg’ er jammer genoeg nooit gekomen.

Maar anderzijds bewijst deze uitgave, hoe mooi ook, en hoe geschikt ook voor een eerste kennismaking met de cyclus, dat we inderdaad niet in een cultuurnatie leven. In Frankrijk of Duitsland zou de gehele cyclus heruitgegeven zijn, in twee kloeke delen dundruk, en ook verkrijgbaar blijven. Iets dergelijks is in de Nederlanden onmogelijk. Je mag al blij zijn dat deze ‘reconctructie’ er is.

000

Van deze gelegenheid wil ik gebruik maken om te wijzen op een Engelse schrijfster, die quasi dezelfde literaire weg heeft afgelegd als Ivo Michiels: Christine Brooke-Rose. Iedereen die zich ooit met poëzie heeft beziggehouden, kent uiteraard haar A Grammar of Metaphor (Secker & Warburg, London, 1970), een boek dat in elke zichzelf respecterende bibliografie minstens genoemd wordt.

Maar Brooke-Rose is op de eerste plaats romanschrijfster, en dat is hier veel minder geweten.

Christine Brooke-RoseToch debuteerde zij zoals Michiels met poëzie: Gold (The Hand and Flower Press, Aldington Kent, 1954) is zgn. ‘geleerde’ poëzie, en sluit nauw aan bij een Middelengels gedicht, Pearl. Michiels debuteerde onder zijn eigen naam met eerder stuntelige belijdenislyriek, Begrensde verten (eigen beheer, Antwerpen, 1946). Daarna gingen beiden over op proza, waarbij beiden eerst klassieke romans schreven, waarin het verhaal voorop stond, en die door de al even klassieke alwetende verteller in de hand werden gehouden. Experimenten waren ver te zoeken. Titels: The dear deceit en The languages of love tegenover Het vonnis en De ogenbank.

Beiden waren ook journalistiek bezig, maar in hoeverre dat bij haar heeft bijgedragen tot een totale verandering in haar romanopvattingen is me niet duidelijk, omdat ik haar journalistiek werk niet ken. Voor wat Michiels betreft, is dat uiteraard wel duidelijk: Het literatuurkritische werk in Het Handelsblad (KANTL, Gent, 2010), uitgegeven door Bart Nuyens & Yves T’Sjoen bewijst dat.

Hoe dat ook zij, beiden zijn snel overgegaan op een modernistischere, experimentele schriftuur, waarbij Michiels zeker in Exit wel het verst ging. Titels van Brooke-Rose als Textermination, Amalgamemnon of Life, End of duiden de verandering al aan. De titels van Michiels zijn bekend.

In hoeverre de overeenkomsten ook gedetailleerder aanwezig zijn, of er bv. parallellen zijn bij Brooke-Rose met de verschillen tussen Michiels’ beide cycli, zou een grondig onderzoek kunnen uitwijzen. Feit is wel dat Brooke-Rose niet in cycli schreef.

De een of andere prof zou een student daar eens op kunnen zetten. Waarbij uiteraard ook de grote verschillen aan bod moeten komen: Brook-Rose komt uit een gegoed Engels middenklasse gezin en werkte tijdens de oorlog bij de geheime dienst, Michiels was een arbeider die zichzelf heeft opgewerkt. Dat heeft uiteraard repercussies op het werk.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


5 × een =