De winden van Warren

| Geen reacties

In 1983 heb ik de eerste, tot dan toe verschenen delen van het Geheim dagboek van Hans Warren gekocht, en waarschijnlijk ook onmiddellijk gelezen (actualiteit en mode zijn aan mij niet besteed, dus kan het zijn dat ik soms met grote tot enorme vertraging lees), want de daarop volgende delen heb ik telkens bij verschijnen gekocht.

Het laatste deel, het eenentwintigste (dat eigenlijk maar het voorlaatste is, want het echte laatste, dat over 2001, het jaar waarin Warren stierf, verscheen reeds vlak na zijn dood) verscheen verleden jaar en heb ik nu gelezen, samen met het twintigste.

Als ik het niet graag gelezen had, zou ik uiteraard al vlug hebben afgehaakt. Zoals vele anderen misschien. In mijn omgeving vonden/vinden de meesten het maar niks. Waarom wordt er zelden bijgezegd, maar ik vrees dat het de vermenging is tussen, hoe moet ik het zeggen, natuur en cultuur: de platheden van het menselijk lichaam, met zijn verlangens en uitscheidingen enerzijds, en de culturele aspiraties van de dichter/criticus en kunstverzamelaar Warren anderzijds. Plus daarbij de moeilijkheden van het samenleven, eerst met echtgenote Mabel, later met echtgenoot Mario. En nog veel meer.

Wanneer je aan een dagboek begint te lezen, moet je je aan alles verwachten. Wat niet betekent dat je ook alles zult krijgen. De meeste dagboeken van schrijvers zijn geen intieme dagboeken zoals dat van Warren, het zijn meestal veel meer intellectuele dagboeken, die het literaire werk begeleiden en zich voor de rest beperken tot reflecties over alledaagse besognes maar die niet weergeven, en dan nog. Ik herinner me niet dat Gide ooit boodschappen doet of kakt, in zijn dagboeken. Zelfs Léautaud doet dit laatste niet, meen ik me te herinneren.

Uiteraard herhaalt een dagboek zich ook voortdurend, dat kan niet anders. En dat gaat zeker op voor de laatste delen van Hans Warren: sinds hij zijn huis in Kloetinge betrok, nam zijn leven vaste contouren aan, die bestonden uit (weinig) deelnemen aan het literaire leven in Nederland, veel reizen en uitstapjes naar tentoonstellingen, restaurantbezoek, met de jaren minder seks, maar toch. Elk leven kent zo’n stramien, en boeiend wordt het slechts als het goed beschreven wordt (en dat kan Warren wel) en als er binnen dat stramien voldoende afwisseling is (nieuwe vrienden, veranderingen in de vriendschappen, niet steeds dezelfde reizen…).

Met de jaren vermindert ook die afwisseling uiteraard. De laatste twee delen focussen eigenlijk vooral nog op de lichamelijke aftakeling van Warren, die nauwgezet en gedetailleerd beschreven wordt, tot en met de sluitspier die niet meer werkt, en vaste en meer luchtige uitwerpselen begint door te laten. Om van de winden (al dan niet met) nog maar te zwijgen. Aftakeling quoi! Met het gejammer dat daarbij hoort, en de sentimentaliteiten soms. Dat alles behoort tot de weerzinwekkendheid van het leven, en mag en kan dus een plaats krijgen in een dagboek. De lezer moet er maar tegen kunnen. Wat mijns inziens wel nieuw is (een ander voorbeeld is me toch niet bekend, niet zo uitgebreid en gedetailleerd), is het feit dat hier iemand de eigen aftakeling beschrijft. Om slechts dat éne voorbeeld te noemen, Simone de Beauvoir beschreef op een magistrale wijze, met het ceseermes van de chirurg de aftakeling van haar moeder in Une mort très douce en de aftakeling van Sartre (eveneens met de nodige incontinentie gepaard gaande) in La cérémonie des adieux. Leg ze naast elkaar en je ziet niet enkel het verschil tussen een dagboek en een verslag, maar vooral tussen de blik van een derde en de blik van de protagonist zelf.

Een aspect waar ik veel meer moeite mee heb, is de poëtica van Warren. Die kwam natuurlijk op de eerste plaats tot uiting in zijn decennialange bezigheid als criticus bij de Provinciale Zeeuwse Courant.   Maar toch ook evenzeer in zijn dagboeken, daarin wellicht meer met betrekking tot beeldende kunst dan literatuur. Warren is een criticus die eigenlijk weinig verschilt van de andere: zijn poëtica is de enige ware poëtica, en het is dan ook van daaruit dat hij anderen bespreekt en waardeert. Hoe dichter ze zijn poëtica naderen, hoe hoger ze worden ingeschat. Zelfs als je ervan uitgaat dat objectiviteit in deze niet bestaat, dan kun je toch nog objectiever te werk gaan, en bv. een dichter confronteren met diens eigen expliciete of impliciete uitgangspunten. Er is immers geen Ware Poëtica.

Maar hoe dan ook, een goeie kwarteeuw lang heb ik dit dagboek met veel plezier gelezen. Ik denk dat het een definitieve uitgave zou verdienen, op dundrukpapier, in een deel of drie, vier, zoals die van Léautaud. Maar dat zal in een land van cultuurbarbaren wel te hoog gegrepen zijn, vrees ik.

°°°

De dichter Warren had ik voor ik met zijn dagboek kennis maakte nooit systematisch gelezen. In bloemlezingen en/of tijdschriften zal ik hem wel zijn tegengekomen, maar zijn verzamelde gedichten heb ik pas in 1984 gekocht, een jaar dus nadat ik de eerste dagboekdelen gelezen had. Het een zal wel met het ander samenhangen. In recensies van poëziebundels kom je al te vaak de cliché’s tegen dat een bepaald iemand een eigen stem heeft, of een eigen plaats verdient enz. Me dunkt dat dit voor Warren zeer sterk opgaat, want ik ken in de Nederlandse poëzie slechts weinigen (wie? er valt me niemand in terwijl ik dit schrijf) wier poëzie zowel formeel als inhoudelijk zo epigrammatisch is, als die van Warren. Het enige vergelijkingspunt dat spontaan bij me opkomt, is de Griekse anthologie. Het is dus niet te verwonderen dat hij zeer sterk geporteerd was voor Griekenland, Seferis, Kavafis en oudere Grieken vertaalde. Al even on-Nederlands als de aard en de uitgebreidheid van zijn dagboek.

Zoals alles gras is, zo is ook alles wind. Vergaan en verdwijnen doen ze alle. Maar door de kracht van hun geur, de mix van ingrediënten waaruit ze voortkwamen, blijven enkele iets langer hangen. Dat mag wat mij betreft ook met die van Warren gebeuren.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × vijf =