Aangebrande schrijvers

| Geen reacties

Nadat mijn promotie achter de rug was, heb ik er lang aan gedacht aan de Sorbonne nog een ‘habilitation’ te halen. Dat is er nooit van gekomen, en nu weet ik dat het ook nooit meer gebeuren zal. Hetgeen geen belang heeft uiteraard, zelfs niet voor mijzelf.

Twee onderwerpen had ik. Het eerste was ‘het beeld van de Islam in de Nederlandse letteren’, en dat zou dus het gehele veld bestrijken, van de Middeleeuwen tot vandaag. Moeilijkheden om primaire teksten op te zoeken, met name uit de 17de en 18de eeuw deden mij al snel daarvan afzien. Een tweede onderwerp was ‘de collaboratie van Vlaamse schrijvers met de nazi-bezetter’, en dat was al gemakkelijker, op de eerste plaats omdat ik die schrijvers meestal al wel gelezen had, en op de tweede plaats omdat er eigenlijk weinig opzoekwerk nodig was, het moeilijkste zouden waarschijnlijk de strafdossiers zijn in het militaire auditoraat. Maar ook dat zal er dus nooit komen, ook al was ik al begonnen met het opstellen van een plan en het verzamelen van het ontbrekende materiaal, vooral werken van minder bekende collaborateurs, die na de oorlog niet meer heruitgegeven waren.

Het spreekt dan ook vanzelf dat ik na de aankondiging ervan op de blog van Henri-Floris Jespers amper wachten kon dat het door L. De Vos, Y. T’Sjoen en L. Stynen samengestelde boek Verbrande schrijvers, ‘culturele’ collaboratie in Vlaanderen 1933-1953 (Academia Press, Gent, 2009) verschijnen zou. En dat ik het gretig en aandachtig gelezen heb.

De titel is uiteraard verkeerd gekozen, dat had ‘aangebrande schrijvers’ moeten zijn, ook al kent Van Dale die uitdrukking niet in deze specifieke betekenis. Maar Van Dale is zeker geen absolute norm. Wanneer je over een dergelijk onderwerp schrijft, moet je er rekening mee houden dat het gaat over collaboratie met de Duitse bezetter en dat de uitdrukking ‘verbrande schrijvers’ aldaar betrekking heeft op de schrijvers waarvan de werken in 1933 onder het uitbrengen van de bekende schreeuwkoren (wider den…für den…ich übergebe dem Feuer…)in het openbaar verbrand werden.  Maar bon, dat is een detail.

Mijns inziens moet een grondige studie over dit onderwerp uit drie grote delen bestaan: een theoretische inleiding, waarin met name dat spook dat ‘tijdgeest’ heet onderzocht wordt, naast de uitgangspunten uiteraard; dan het eigenlijke corpus, thematisch of, gemakkelijker, per auteur of reeks van auteurs; en uiteindelijk een deel over de verwerking van de collaboratie na de oorlog, zowel door degenen die in het middendeel aanbod kwamen als door andere, nieuwe schrijvers, die slechts na de oorlog debuteerden (dat stuk zou moeten gaan tot en met Els Beerten (kleindochter van Marcel?) en haar jeugdroman Allemaal willen we de hemel (Querido, Amsterdam, 2008). Sommige auteurs gaan wel even in op de houding van hun onderwerp na de oorlog (Hermans, De Pillecyn), maar dat is niet voldoende. Iemand als Jet Jorssen, of Marcel Beerten zouden in een derde deel ook behandeld moeten worden. Of er had een algemeen overzicht bij moeten komen. En tenslotte ontbreekt elk algemeen besluit, elke synthese van alle bijdragen: wat is gemeenschappelijk, wat individueel enz.

Verbrande schrijvers begint na een woord vooraf inderdaad met een theoretische inleiding, waarna acht afzonderlijke opstellen over acht collaborerende schrijvers volgen. Een derde deel is er niet, ofschoon sommige bijdragen wel ingaan op de verdere ‘lotgevallen’ van de schrijver in kwestie.

Het ‘voorwoord’ van Lukas De Vos en Yves T’Sjoen is duidelijk beter dan de inleidende beschouwingen van Marnix Beyen. Deze laatste focust mijns inziens te veel op het begip ‘culturele collaboratie’ dat hij verwerpt wegens te eng ten voordele van ‘cultureel onderhandelen’. Eigenlijk zijn dit woorden over woorden, die verder niets bijbrengen, want hoe je het ook noemt, de feiten blijven wat ze zijn en waren: sommige schrijvers hebben zich sterk of zwak, met volle inzet of aarzelend, onbezonnen of gewiekst geëncanailleerd met de bezetter, waarvan iedereen toen toch wel weten kon dat hij niet echt fris was, nog onafgezien van het feit dat een bezetting quasi altijd veroordeeld moet worden, met welke smoes die ook doorgevoerd wordt. Het schema van Judaken om de mate van collaboratie te meten, dat Beyen aanhaalt en eigenlijk ook verwerpt, zou een goed uitgangspunt kunnen geweest zijn: men had met de verschillende auteurs van de bundel vooraf hebben kunnen afspreken om dat schema in sterkere of zwakkere mate te gebruiken, de bundel zou dan al een veel sterkere eenheid vertoond hebben.

De Vos en T’Sjoen wijzen wel de juiste richting aan in hun overzicht, maar gaan er jammer genoeg niet diep genoeg op in. Plaatsgebrek? Over Le Roy en Peleman stellen zij bv.: “Le Roy en Peleman vertoonden eenzelfde reflex: heimwee naar een overzichtelijker, grijpbaar en begrijpbaar landleven. Dat bleef in de lijn liggen van hun afkeer van de wufte stad, het zedenbederf, en het verlies aan herkenbare vereenzelviging met de ‘volksaard’.” (p. 7) Wat zij hier beschrijven is een premoderne mentaliteit, geankerd in het plattelandsleven (‘les campagnes hallucinées” zoals Verhaeren dat noemde). Deze mentaliteit overheerste in de jaren dertig het culturele en literaire leven en is waarschijnlijk de belangrijkste voedingsbodem geweest voor de collaboratie, meer zelfs dan het katholicisme dat De Vos en T’Sjoen verderop in hun voorwoord aanstippen. Ook de katholieke kerk was immers door en door antimodernistisch gezind. En ook in Duitsland waren vele schrijvers inderdaad met die mentaliteit behept, en vermits de nazi’s een terugkeer naar die als idyllisch gedachte premoderne tijd voorstonden (officieel toch), waren zij een gemakkelijke prooi voor hen, ook al waren ze zelf niet echt nazischrijvers. Ik denk aan Ina Seidel, Guido Kolbenheyer, Lulu von Strauss und Torney, Jozef Weinheber en vele anderen, die misschien inderdaad tweederangs waren, maar ook die en zelfs nog lagere rangen worden bezet door schrijvers die ook hun waarde hebben, die ook goed kunnen zijn vaak.

Dat het merendeel van de collaborerende schrijvers hier zwaar katholiek was, is m.i. geen toeval dus. Maar het zou interessant zijn eens na te gaan hoe zij dit katholicisme in hun werk gestalte geven. In mijn bijdrage op deze site over Marcel Matthijs heb ik dat zelf gedaan. Maar het probleem is een aparte en grondige bijdrage waard. Is het katholicisme van deze mensen een soort oppervlakkig vernis? Of is het echt doorleefd, deel van hun persoonlijkheid? Hoe kunnen zij het dan in overeenstemming brengen met bepaalde politieke stromingen, die allesbehalve katholiek zijn? Tot nader order ben ik geneigd te denken dat Brel uiteindelijk gelijk had: katholicisme en fascisme zijn hier twee kanten van één munt: tussen de oorlogen zijn ze katholiek, tijdens de oorlog nazie.

Sommige andere medewerkers gaan gelukkig ook op dit uitgangspunt in, Els Van Damme bv. in haar stuk over Wies Moens (de Benno Barnard van de jaren dertig, zou je kunnen zeggen), of Eveline Vanfraussen in haar stuk over Ferdinand Vercnocke. Daar worden dus aan de hand van de teksten zelf de theoretische uitgangspunten, de mentaliteit van de betrokken schrijvers ahw gereconstrueerd. Vooral het opstel van Van Damme is degelijk doorwrocht, en wijst op een exacte manier naar de ideologische standpunten van Moens en hoe die inderdaad enkel tot collaboratie konden voeren. De bundel Het spoor uit het begin van de oorlog is cruciaal om dat te begrijpen. Een verwijzing naar Drieu la Rochelle die in zijn gelijktijdige pamflet Ne plus attendre hetzelfde standpunt vertolkte ware op zijn plaats geweest, omdat het bewijst dat deze mentaliteit van laten-we-profiteren-van-de-gelegenheid algemener was.

Acht opstellen dus, over acht verschillende collaborerende schrijvers. De uitgangspunten van de auteurs van die opstellen zowel als de uitwerking ervan zijn zeer ongelijk. Dat maakt de lectuur zowel boeiend als onbevredigend. Boeiend omdat er altijd weer vanuit een andere hoek bekeken wordt, onbevredigend omdat er geen of weinig samenhang is, omdat niemand het geheel synthetiseert.

Sommige opstellen zijn ook op zichzelf onbevredigend. Eveline Vanfraussen bv. analyseert een Führergedicht van Vercknocke, plaatst dat wel binnen het kader van de bundel waarin het voorkomt en binnen het bredere kader van Vercnockes werk tot dan toe, maar niet in een breder kader: ik denk dan aan een vergelijking met andere Führergedichten, bv. dat van J.L. De Belder, of aan een psychoanalytische benadering (Vercnocke lijkt me een van de weinige auteurs die voor een dergelijke benadering in aanmerking komen (men denke aan het overgrote belang van het begrip ‘zee’ in zijn werk) – uitgangspunt daarbij zou kunnen zijn: L’extrême droite sur le divan. Psychanalyse d’une famille politique (Editions Imago, Paris, 1992) van Jean-Louis Maisonneuve). Marc Holthof wijdt een opstel aan twee versies van De eer van ons volk van André Demedts. Ik vraag me echt af wat dit opstel hier komt doen?! Volgens mij kun je Demedts amper een collaborateur noemen, en het feit dat een oerversie van zijn roman als verhaal verscheen in 1941 bewijst helemaal niks. De samenstellers hadden dit opstel gewoon moeten weglaten, want het heeft met het onderwerp van hun boek niets te maken.

Sjoerd van Faassen schrijft over Ernest Claes, en zijn uitgangspunt is quasi zuiver politiek. Hij focust op het openbare leven van Claes tijdens de oorlog (die daarbij wellicht model zal staan voor andere groten, die zich eveneens encanailleerden zonder dat dit echt duidelijk tot uiting kwam in hun werk: Walschap, Streuvels, Timmermans, Roelants bv.). Er staat weinig in dat we nog niet wisten, maar het is wel goed dat van Faassen alles eens op een rijtje zet, zodat we kunnen zien wat voor een hypocriet en lafaard Ernest Claes eigenlijk was. Nou ja, liever blode Jan dan dode Jan, zal hij gedacht hebben, en daarin was hij uiteraard geen uitzondering. Van Faassen is overigens de enige die gebruik gemaakt heeft van het strafdossier van zijn onderwerp. Inzage in die dossiers is nochtans noodzakelijk als je grondig te werk wil gaan. Niet dat er altijd belangrijke zaken te vinden zijn, maar een ander licht werpen ze zeker wel op de zaak. Zeker als het over schrijvers gaat wie men enkel hun literaire werk verwijten kan, en die zich dus niet zoals Le Roy, De Pillecyn, Moens…ook of op de eerste plaats politiek hebben laten aanbranden.

Het stuk van Liselotte Vandenbussche over Blanka Gyselen daarentegen is grotendeels biografisch. Ook een interessante invalshoek uiteraard, omdat het veel kan verklaren, niet alleen bij haar, maar ook bij anderen. Klopt het dat deze schrijvers grotendeels uit de kleine burgerij afkomstig waren? En kan dat een argument zijn voor de stelling dat het fascisme een zaak van die kleinburgerij was, zoals vroeger en ook nu nog vaak gesteld wordt?

Tony Meedom wijdt een opstel aan Ward Hermans, een van de oprichters van de SS-Vlaanderen, volksvertegenwoordiger, rassistische pamflettist, romanschrijver en dichter. Het opstel geeft een goede synthese van de evolutie die Hermans doorlopen heeft, tot en met zijn naoorlogse roman Jan van Gent, waarin hij het met de nodige afstand over de collaboratie heeft (zonder enig ongelijk toe te geven uiteraard). Dat Hermans een “bevlogen visionaire dichter en redenaar” (p. 146) was, lijkt me meer dan een gotspe. Mijns inziens valt best aan te tonen dat het literaire werk van Hermans vanaf het begin tot het einde op zijn best stuntelig genoemd moet worden, maar eigenlijk gewoon slecht. Leg hem maar eens naast Wies Moens, of naast Pol Le Roy, aan wie het laatste opstel van de bundel gewijd is. Meesdom noemt Ward Hermans ‘een interessant geval’, maar het woord ‘geval’ kan hier alleen klinisch worden opgevat.

De twee nog niet genoemde opstellen uit deze bundel zijn gewijd aan respectievelijk Filip de Pillecyn en Pol Le Roy. Van deze laatste kun je in meer dan één opzicht zeggen dat hij ‘een geval’ geweest is. Ook al is hij vergeten en wordt hij in de recente literatuurgeschiedenis van Hugo Brems zelfs niet meer genoemd, toch beschouw ik hem nog steeds als een fascinerend dichter. Samen met de Pillecijn en Moens behoort hij tot de belangrijkste in deze bundel behandelde schrijvers, een trio dat op zichzelf de meest in het oog springende facetten van de culturele collaboratie belichaamt: de administratieve (De Pillecyn), de ideologische (Moens) en de politiek-militaire (Le Roy).

Zonder dat ik het wist moet Pol Le Roy me op literair vlak beïnvloed hebben, want als tiener las ik De Periscoop waarin hij dichtbundels recenseerde. Maar ik had niet echt de gewoonte te kijken wie de bijdragen die ik las, geschreven had. Maar ik vermoed dat je slechtere leermeesters kunt hebben. Ik herinner me niet dat Le Roy het ooit over politiek had. En inderdaad, ook in zijn poëzie is politiek totaal afwezig, ook in de bundels die hij vóór 1945 publiceerde (veel zijn dat er overigens niet). Wel kun je in de latere poëzie soms vage echo’s opvangen over zijn verleden, maar nooit echt expliciet. Het is alsof de man twee levens leidde, want hij was voor de oorlog in het Verdinaso éen van de hevigste militanten, en ook in de collaboratie ging hij tot het uiterste langs de extreemste, de SS-kant en de zgn. Vlaamse regering in ballingschap. Hij was ook de enige die niet expliciet katholiek was (wel van afkomst, en ook na de oorlog flirtte hij nog even met de kerk – maar je mag je afvragen of dat niet eerder met depressiviteit te doen had dan met iets anders). Maar verbazend genoeg was zijn poëzie sterk beïnvloed door modernistische stromingen, o.a. het surrealisme, en niet enkel na de oorlog. Die poëzie is over het algemeen erg moeilijk, vooral door het hoge abstractieniveau; moeilijke woorden of zinswendingen gebruikt Le Roy immers niet; zijn beeldspraak, zijn retorische figuren in ’t algemeen trouwens verdienen eigenlijk een afzonderlijke studie (misschien bestaat die?, ik weet het niet). Wat ik hier zeg gaat eigenlijk in tegen de basisstelling van Stijn Vanclooster, die in deze bundel het opstel over Le Roy schreef. Veel van Le Roy’s thema’s (vitalisme, heidens-kosmologische oriëntatie, aristocratische inslag…) zouden ook politiek van aard zijn, aldus Vanclooster. Dat zal wel, maar hier komen we op moeilijk terrein: het is immers niet omdat een thema in verschillende velden traceerbaar is, dat beide velden ipso facto met elkaar samenvallen. Vele literatuurhistorici, en niet enkel linksen, hebben gesteld dat Stefan George een voorbereider van het nazisme was, wegens zijn aristocratisme, wegens zijn verlangen naar ‘das kommende Reich’, maar ik blijf erbij dat dit niets vandoen had met de liederlijke, banale en crapuleus proleterige werkelijkheid van het Derde Rijk. Ik maak dus geen absolute scheiding tussen politieke leven en dichterlijk werk bij Pol Le Roy, maar toch een duidelijke scheiding. Maar hoe dan ook, hij is één van de fascinerendste persoonlijkheden, niet alleen van collaborerend dichterland, maar uit de Vlaamse poëzie tout court.

Ludo Stynen ken ik van grondige boeken en artikelen, en van zijn bijdrage over De Pillecyn verwachtte ik dus veel. Temeer daar ik De Pillecyn als tiener al gelezen heb, en ik daar de beste herinneringen aan bewaarde. Enkele jaren geleden, toen de aan zijn figuur gewijde jaarboeken begonnen te verschijnen, heb ik de twee dikke delen van zijn scheppend werk nog eens herlezen, en wat mij betreft blijft hij volledig overeind: hij is een van de betere Vlaamse schrijvers uit de 20ste eeuw. En zijn werk is amper politiek te noemen, ook al is ook bij hem de antimodernistische mentaliteit wel degelijk aanwezig. Stynen heeft het, terecht, over bloed-en-bodem, maar hij vergeet de nodige restricties en reserves te plaatsen bij deze uitdrukking. Bloed-en-bodem-literatuur is immers niet noodzakelijkerwijze slechte literatuur volgens strikt literaire criteria: kijk naar de bijna volledige Streuvels, kijk naar Verhaeren en zijn Toute la Flandre. Tijdens de oorlog heeft De Pillecyn amper nieuw werk gepubliceerd. Zijn collaboratie was dus niet cultureel, maar politiek en administratief (hij werd bij het begin van de oorlog benoemd tot directeur-generaal van het middelbaar onderwijs). In zo’n geval is het nog noodzakelijker het strafdossier van betrokkene in het onderzoek te betrekken. Dat heeft Stynen niet gedaan. Stynen gaat op het einde van zijn opstel in op de receptie van De Pillecyn na de oorlog, en over hoe hij zelf tegenover zijn collaboratie stond: daarbij fixeert hij zich uitsluitend op het laat verschenen Face au mur, waaruit hij dan nog enkele zinnen over ‘negers’ citeert, terwijl hij verder weinig of niets te zeggen weet. Maar wat ik vooral erg vind: Stynen is blijkbaar niet op de hoogte van het bestaan van de kwatrijnenbundel Hoe de zwarten in de hemel kwamen (Uitgeverij Luctor, Antwerpen, 1950), verschenen onder het pseudoniem Filip den Duvel, met tekeningen van Kris van den Langenberg (ook een pseudoniem?). Dit is voor een academisch geschrift eigenlijk onvergefelijk.

Tenslotte nog dit: de eerste roman die de Pillecyn na de oorlog publiceerde (hij werd minstens gedeeltelijk in de gevangenis geschreven) was Jan Tervaert. Ik weet niet of het iemand is opgevallen, bij verschijnen of later, maar Ludo Stynen had het in zijn bijdrage zeker moeten vermelden: deze roman gaat over collaboratie en verzet en bezetting. En de verzetsmensen worden zeer positief voorgesteld (de titelfiguur en hoofdpersoon is trouwens een van hen). Maar het boek speelt zich wel af tijdens de Franse bezetting, in de 18de eeuw, en behandelt dus episodes uit de zgn. Boerenkrijg. Uit hun slogan ‘voor outer en heerd’ blijkt al dat dit een reactionair verzet was, maar ik vind dat dit geen rol mag spelen: tijdens de tweede wereldoorlog waren ook allerlei groepen in het verzet actief, overal in Europa, van uiterst rechts tot uiterst links. Claus von Stauffenberg was overigens ook een uiterst rechts, zoalniet fascistisch officier, het belet niet dat hij steun verdiende. En ofschoon de persmeute in het Westen het anders voorstelt, het verzet in Afghanistan bestaat lang niet alleen uit Taliban. Belangrijk is, dat De Pillecyn zich in deze roman expliciet en terecht achter het toenmalig verzet schaart. Enkele anachronistische verwijzingen naar recente gebeurtenissen spelen overigens in deze niet mee. De vraag die zich stelt is: zag De Pillecyn de overeenkomsten niet met de Duitse bezetting? Of was het zo erg gesteld met de Vlaamse beweging dat een bezetting enkel veroordeeld kon of mocht worden als ze Latijns was?

Een boek als dit roept zodus meer vragen op dan dat het antwoorden geeft. Op zich is dat natuurlijk niet slecht. Maar toch ben ik van oordeel dat het beter had gekund, dat de opstellen te ongelijk van opzet en waarde zijn. Je vraagt je af of dit niet de zoveelste uiting is van de publicatiedwang waaronder academici vandaag de dag leven. Hierbij zou ik willen verwijzen naar een andere publicatie, over een gelijkaardig probleemgebied: Jay W. Baird: Hitler’s War Poets, Literature and Politics in the Third Reich ( Cambridge University Press, New York, 2008). Ook hier een theoretische inleiding en dan zes opstellen, gaande van de conservatieve Rudolf G. Binding (volgens mij géén nazi) tot de SS-man en tankkommandant bij de SS-divisie Viking Kurt Eggers. De collaboratie met het NS-regime gaat hier in opgaande lijn, maar vooral: het synthetische vermogen van Baird is veel sterker dan bij de Vlamingen die het over ‘verbrande schrijvers’ hebben. En zijn onderzoek is veel, veel grondiger gebeurd, in alle mogelijk archieven en bibliotheken.

Meer dan een reeks ongelijke inleidingen tot een zeer breed en toch wel belangrijk probleemgebied is dit boek dus niet. Het kan hoogstens als vertrekpunt dienen voor verder onderzoek, over individuele auteurs (de reeds genoemde De Belder bv., ook altijd een van mijn lievelingsdichters geweest, en na de oorlog een van de belangrijkste poëzieuitgevers die Vlaanderen kende, hoe kwam hij tot zijn collaboratie, en kon men dat in zijn geval wel collaboratie noemen? wegens dat éne gedicht?) of over een reeks van auteurs of over het geheel. Voor een doctorandus is het toch een gedroomd onderwerp. Maar eigenlijk is Verbrande schrijvers een gemiste kans. Tenzij Vlaamse academici inderdaad niet beter zouden kunnen.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


elf − vijf =