Toussaint van Boelaere

| Geen reacties

Fernand Victor Toussaint van Boelaere moet ik in de eerste helft van de jaren tachtig, een kwarteeuw geleden dus gelezen hebben, althans wanneer ik afga op de data van aankoop die tussen 1981 en 1984 liggen. Dat is beduidend laat voor mijn doen. Of ik voordien al iets van hem gelezen had, weet ik niet meer. Maar zijn naam zal ik hier of daar wel gezien hebben.

Het zegt toch wel een beetje over de ‘bekendheid’ van deze auteur. Die een van de vele vergetenen is uit de Nederlandse letteren. Waarschijnlijk is er sinds zijn dood niets meer van hem verschenen (ik heb het niet nagezien), en ook over hem is amper iets geschreven. Een uitzondering is een mooi verhaal van Jeroen Brouwers, De Verliefden, dat in 1998 verscheen als ‘ vriendelijke hommage aan Fernand Victor Toussaint van Boelaere’, zoals het in het colofon heet. Maar dit verhaal is natuurlijk een eigen werk van Brouwers, en Toussaint is enkel aanleiding ertoe en requisiet erin.

Overigens werd er direct na zijn dood gedacht aan de uitgave van een ‘verzameld werk’, maar zoals in andere gevallen is ook dit er nooit gekomen. Ondanks de in dit geval inderdaad zeer eigen, specifieke en belangrijke rol die Toussaint toekomt in de geschiedenis van de Nederlandse letteren in het Zuiden. Ik zou hier eigenlijk niet meer hoeven te herhalen dat zijn werk uitmunt door stilistische fijnheid, vormlust, epicuristische inhouden en een zorgvuldigheid in de afwerking die je zelden tegenkomt. M.a.w.: Toussaint van Boelaere was een maniërist, en in de ogen van de Vlaamse gezapigheid en de Nederlandse droogheid is dat een doodzonde.

De Leuvense onderzoekers Elke Brems en Tom Sintobin hebben aan die onbekendheid en vergetelheid iets willen doen (remediëren?) door een studiedag aan hem te wijden in 2006, waarvan de bijdragen werden verzameld in een boek, samen met een geannoteerde en becommentarieerde uitgave van een typische tekst van van Boelare: Elke Brems en Tom Sintobin: De goudsmid en de klein-inquisiteur, essays over F.V. Toussaint van Boelaere, gevolgd door een geannoteerde uitgave van Het gesprek in Tractoria. (Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 2008).

Het boek bevat acht opstellen, die in vier rubrieken zijn onderverdeeld, die er mijns inziens maar twee zijn: literaire benaderingen en politiek-institutionele benaderingen.

De eerste reeks behandelt zowel zijn plaats in de literatuurgeschiedenis, als meer specifieke detailaspecten. Bij dat laatste denk ik dan vooral aan de interessante bijdrage van Hans Vandevoorde, die het spiritisme van de naturalist Gustaaf Vermeersch stelt tegenover een tekst daarover van Toussaint. Brems en Sintobin hebben het over de normen en waarden die je uit de teksten van Toussaint kunt afleiden, vooral over het verwijt van amoralisme dat hem nogal eens gemaakt werd. Zij tonen aan dat dit niet helemaal klopt. Hun tekst sluit overigens nauw aan bij die van Pieter Verstraeten die de poëtica van Toussaint onderzoekt. Een bepaalde poëtica sluit immers vaak ook bepaalde normen in, het weze expliciet of impliciet. Misschien had dat aspect beter uit de verf kunnen komen.

Toussaint was ook zijn leven lang een netwerkman; dat betekent vooreerst dat hij betrokken was bij tijdschriften, literaire instituties, prijzen, vieringen enz. Onder de hoofding ‘Toussaint institutioneel’ wordt dat aspect aan de hand van concrete voorbeelden in de verf gezet.

Een direct uitvloeisel daarvan was Toussaints rol vlak na de oorlog. Met name in de Vlaamse Academie die het hier besproken boek uitgaf, maar ook elders speelde Toussaint een beetje de inquisiteur, die de schrijvers beoordeelde volgens hun gedrag in de oorlog tegenover de bezetter. Met name één geval, de verhouding tot Ernest Claes, wordt gedetailleerder uitgewerkt. Of en in hoeverre Toussaint gelijk had, daarop wil ik hier niet ingaan, dat doen trouwens ook de bijdragers aan deze reader amper. Wel is het duidelijk dat hij ‘grote’ schrijvers (Streuvels, Walschap bv.) in bescherming nam, ook al waren die vaak even aangebrand als ‘kleinere’ schrijvers. Maar een echte zuiveraar kun je hem eigenlijk ook amper noemen, zo is mijn indruk na lectuur van deze bijdragen. Maar feit is: deze periode van onze literatuur, net zoals de collaboratie zelf van schrijvers trouwens, is nog te weinig onderzocht.

Het tweede deel van het boek bevat dus enerzijds de tekst van Het gesprek in Tractoria volgens de eerste druk van 1923, met alle linosneden van Henri van Straten, en met een uitgebreide verklarende voetnotenlijst, zoals dat hoort in een wetenschappelijke uitgave. En anderzijds laten de samenstellers de tekst van het verhaal nog volgen door enkele verklarende teksten van henzelf, die de ontstaansgeschiedenis en de receptie van het verhaal behandelen, en het in de context van zijn tijd en van het werk van Toussaint plaatsen. Deze begeleidende teksten zijn niet enkel goed geschreven, maar helpen zeker de niet voorbereide lezer een heel stuk op weg om de tekst van Toussaint, en de hele figuur trouwens, te kunnen situeren. En misschien te stimuleren om verder te lezen.

Mijn eigen exemplaar van de eerste druk van Het gesprek in Tractoria bevat op de eerste pagina een mooie opdracht van Toussaint van Boelaere, die ik de mogelijke lezers van dit stuk niet wil onthouden. Wat er die avond verder nog gebeurd is, moeten ze er maar zelf bijfantaseren.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


drie × 3 =