Hohenmoor

| Geen reacties

In de hier te lezen studie over leven en vooral werk van Marcel Matthijs wordt uiteraard ook diens roman Menschen in den strijd behandeld, waarvan vaak gezegd wordt dat het een nationaal-socialistische roman zou zijn – de enige in zijn soort in Vlaanderen. Ik heb geprobeerd argumenten aan te dragen om die mening onderuit te halen, en aan te tonen dat die roman gelezen moet worden, en waarschijnlijk ook geconcipieerd is als een parodie op het nationaal-socialisme. Eén jaar vóór Menschen in den strijd verscheen ook in Franstalig België een roman, waarvan beweerd wordt dat hij nationaal-socialistisch zou zijn: Hohenmoor van éne Pierre Peyel (Editions de la Toison d’or, Bruxelles/Paris, 1942; over deze roman en vooral de achtergronden ervan leze men: Paul Aron: “1942 Pierre Peyel remporte le concours littéraire du Soir. Les écrivains belges et l’occupation: entre engagement et indifférence”, in: Jean-Pierre Bertrand et al. (éds.): Histoire de la littérature belge francophone 1830-2000. Fayard, Paris, 2003, pp. 401-410).

Een parodie is deze zo goed als onvindbaar geworden roman (zoals die van Matthijs overigens) van Peyel alleszins niet, maar of het een nationaal-socialistische roman is?

Het boek is een raamvertelling: twee Belgische krijgsgevangenen keren naar België terug, en in de trein vertelt de ene aan de andere zijn wederwaardigheden in het gehucht van Hohenmoor, waar hij op een hoeve tewerkgesteld werd gedurende de hele periode (een dik jaar) van zijn krijgsgevangenschap. Zijn verhaal is het verhaal van een dubbele metamorfose: een lichamelijke en een geestelijke, beide symbiotisch met elkaar verbonden uiteraard.

De eerste metamorfose heeft te maken met de arbeid op de hoeve. De hoofdpersoon Daniel Verrongen is eerder het intellectuele type, dat niet gewoon is lichamelijke arbeid te verrichten, en zeker niet de zware arbeid in de toenmalige landbouw. Toch lukt het hem wonderwel, en uit de ietwat spichtige jongeman wordt een blonde, gespierde, gebronsde kerel, zoals we hen van plaatjes uit die tijd uit dat land goed kennen: de blik naar een stralende toekomst gericht, vlag of werktuig in de hand enz. Toch wordt de arbeid nooit theoretisch geprezen; het is de hoofdpersoon zelf die vertelt hoe die op hem van invloed is geweest, hoe hij zich verwant is gaan voelen met de aarde, de bodem, hoe zijn bloed daardoor krachtiger is gaan stromen in zijn lijf.

Parallel daarmee loopt een geestelijke ontwikkeling, van links naar rechts kun je samenvatten. In de proloog wordt de hoofdpersoon nog als volgt gekenschetst:

” Verrongen s’était nourri, au cours d’une jeunesse très libre, des Karl Marx, Engel (sic), Malraux et autres Bernanos. Il avait failli rejoindre ceux qui, en Espagne, clamèrent le ‘No passeran’ (sic) aux troupes victorieuses de Franco. Le jacobinisme maçonnique l’avait séduit”

Interessant is vooral dat na deze proloog amper nog directe politieke uitspraken voorkomen in het boek; alleen de Werdegang van Verrongen wordt geschetst, door hemzelf, in de ik-persoon dus, aan zijn in de trein teruggevonden lotgenoot. Deze wordt zodoende een beetje de lezer zelf; de stijl van Peyel is immers zeer direct en eenvoudig vertellend: Verrongen spreekt tot zijn vriend in een taal die net geen spreektaal is, maar die de lezer in elk geval aandoet alsof hijzelf rechtstreeks toegesproken wordt. Waardoor er vereenzelviging optreedt tussen spreker en lezer. Een ingenieus systeem van beïnvloeding. Dat nog subtieler wordt wanneer je bedenkt dat de hoofdpersoon helemaal niet metamorfoseert tot een nationaal-socialist, maar enkel tot iemand die begrip leert te hebben voor de nationaal-socialisten en via brieven met zijn moeder in Brussel, voor het gedisciplineerde gedrag van de Duitse soldateska in België. Meer niet, maar ook niet minder uiteraard.

Het verblijf op de hoeve in Hohenmoor wordt ook anderzins positief voorgesteld. Verrongen komt eigenlijk in een nieuwe familie terecht, een echte familie zelfs, vergeleken met zijn oorspronkelijk milieu. Alle Duitsers die hij daar ontmoet worden vriendelijk voorgesteld, en hij wordt zelfs verliefd op de bazin van de hoeve. Maar daar kan niks uit voortkomen uiteraard. Temeer daar hij verlangt naar zijn eigen land, en blij is als hij terug mag keren.

Je zou de thematiek van de roman dus kunnen samenvatten in drie woorden:  Travail, Famille, Patrie. De volgorde van dit officiële motto van het Vichy- of Pétainregime in Frankrijk komt grotendeels overeen met de volgorde en het belang ervan in de roman van Peyel. Het eerst wordt Verrongen geconfronteerd met de zware arbeid, maar als tegengewicht vindt hij een familiale sfeer, waarin het vaderland een grote rol speelt, waardoor hij nog meer naar zijn eigen vaderland terug gaat verlangen.

Is dit nu een nationaal-socialistische roman? Ja en nee, zou ik zeggen. Ja, vooral door de uiterlijke context (geschreven, gepubliceerd en bekroond tijdens de Duitse bezetting in Belgie; bekroond door een duidelijk collaborerend dagblad) en door de intrinsieke context (de krijgsgevangenschap in nationaal-socialistisch Duitsland). Maar doordat het boek op geen enkele manier propaganda voert voor die leer, ben ik toch eerder geneigd ‘nee’ te antwoorden, en het op een andere, een veel algemenere manier te bekijken.

Als we ervan uitgaan dat ‘fascisme’ een algemene term is, en ‘nationaal-socialisme’ enkel een specifieke, overigens de ergste en misdadigste vorm van fascisme, dan is er niks op tegen deze roman inderdaad als een typisch voorbeeld van een fascistische roman te beschouwen. Ideologisch past het daar volkomen in, omdat de Blut-und-Boden-ideologie eigenlijk het hele boek schraagt. Dat feit plus de concrete context zorgen daarvoor.

Waarbij men in het oog moet houden dat de term ‘Blut und Boden’ niet noodzakelijk negatief hoeft te zijn. De term is afkomstig van Spengler, maar werd berucht via Hitlers minister van landbouw Walter Darré, die er een echte slogan van maakte. Sindsdien is het een scheldwoord geworden. Nochtans: Houtekiet van Walschap, of De Vlaschaard van Streuvels zijn meesterwerken, en toch volledig doordrenkt van een bloed-en-bodem-mentaliteit. Zoals bv. ook een groot deel van het poëtische werk van Emile Verhaeren, zeker als die het hele Vlaanderen bezingt. Op zich is daar dus niks mis mee, het is pas in combinatie met rechtse politieke elementen dat die literatuur bedenkelijk kan worden.

Verbondenheid met de streek waar je vandaan komt, en met de mensen waartussen je opgroeit, dat is de kern van die slogan. In de kunsten wijst hij vooral op een pre-moderne mentaliteit, nog sterk verbonden met landbouw, kleine dorpsgemeenschappen, landschappen enz. De periode voor de industrialisatie kortom. Vele Duitse auteurs die als nationaal-socialistisch gelden, waren eigenlijk niet meer dan zulke ‘Heimat’dichters – maar die zich wel al te gemakkelijk encanailleerden met het regime, juist omdat dit beweerde terug te keren naar een dergelijke pre-moderne maatschappij.

Pierre Peyel past eigenlijk volkomen in dat plaatje, Marcel Matthijs echter niet, dat was eerder een stadsmens, ook in zijn boeken. Het zijn de ‘campagnes hallucinées’ versus de ‘villes tentaculaires’ om het met Verhaeren te zeggen.

Marcel Matthijs’ Menschen in den strijd was een mislukking; Pierre Peyels Hohenmoor is, door de systematische toepassing van een realistische poëtica, geen meesterwerk, maar wel nog steeds een vlot leesbare roman.

Delen:

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


zes + 3 =