Vuiligheidsdiensten

| Geen reacties

Het was weer enkele jaren geleden dat we nog eens in München waren. Meestal komen we daar op doorreis, bij het begin van een vakantie voor een of twee dagen, en op het einde van een vakantie voor een of twee dagen. Daarbij logeerden we meestal in hetzelfde hotel, dicht bij het station enerzijds, en vlak bij de ingang van de Wies’n, waar op dit ogenblik de jaarlijkse bierfeesten weer plaatshebben, anderzijds.

Zeker wanneer we het hoekje omlopen om even verder in een plaatselijk restaurant waar totaal geen toeristen komen te gaan eten, passeren we vlak aan de ingang van de plaats waar dat jaarlijkse feestgebeuren plaatsgrijpt. Telkens moet ik dan heel even denken aan de 26ste september 1980, toen daar de ergste bom uit het naoorlogse Duitsland ontplofte, en tientallen doden en gewonden maakte. De aanslag werd nooit opgeëist, maar dat de RAF er niks mee te maken had, zoals de halve (of hele?) nazi Frans-Joseph Strauss onmiddellijk beweerde – er waren verkiezingen in aantocht en dan kunnen enkele uiteengerukte lijken wel van dienst zijn – , dat wist zelfs elke blinde en dove onmiddellijk. Dit was van een heel ander kaliber.

De aanslag werd toegeschreven aan de zgn. Wehrsportgruppe Hoffmann, genaamd naar de oprichter en leider Karl Heinz Hoffmann (de Duitse Bert Eriksson zou je kunnen zeggen, en zijn groep de Duitse VMO – er waren trouwens contacten tussen beide), maar die is altijd elke betrokkenheid blijven loochenen.

Een tijdje geleden al las ik de roman van Hoffmann: Verrat und Treue, ein an Tatsachen orientierter Roman (Themis Verlag, Neunkirchen, s.d.), en ook daaraan moet ik telkens weer even denken als ik daar langs kom.

Het is het soort boek dat niemand voor zijn plezier leest. Zelfs als een goeie redacteur er vier vijfde uit zou schrappen, blijft er nog steeds niks over dat de moeite waard is. Dan liever drie kanjers van Jan Struelens over Mulisch, daar heb je toch nog het genot van de ergernis van. Maar een voordeel is wel dat je door de oeverloze herhalingen van steeds hetzelfde zo snel leest, dat je de kanjer van bijna 800 bladzijden sneller uit hebt dan een stationsromannetje van 50 bladzijden. Het boek zou enkel gebruikt kunnen worden in een universitair seminarie om in de praktijk aan de studenten te tonen hoe je geen romans schrijft: herhalingen moeten noodzakelijk zijn, als je een spreekwoord gebruikt is het onnodig nog eens een hele paragraaf te gebruiken om de betekenis ervan uit te leggen, enz. Om over het zelfingenomen zelfbeeld van de auteur (die we in dit geval zonder probleem mogen vereenzelvigen met de hoofdpersoon) maar te zwijgen.

Om te zien of een romanschrijver echt iets kan, moet je naar de liefdesscènes kijken, die vormen als het ware een meesterproef. Als je dat tot een goed einde brengt, zonder clichés en zonder op een leerboek anatomie te lijken, dan ben je meestal alleszins wel een goed stilist. Dergelijke scènes zijn voor een prozaïst het moeilijkst tot een overtuigend einde te brengen. In Hoffmanns boek komt één enkele liefdesscène voor (pp. 464-465), en ze is om van plaatsvervangende schaamte ergens in een hoekje weg te kruipen. Deze clichés zijn in een kioskromannetje op z’n plaats, en geven zodoende het literaire niveau aan waarop Hoffmann staat: ‘siebten Himmel der Seligkeit’, ‘makellosen weissen Körper’, ‘den in kupfernem Rot schimmernden Flaum ihres Venushügels’, ‘im Fleisch der Muschel verborgenen köstlichen Perle der Lust’, ‘mit einem wilden Stoss dringt Brandt in sie ein und lässt dann ein wahres Stakkato nicht weniger heftiger Stösse folgen. Unter ihm bäumt sich der geschmeidige Mädchenkörper auf und gibt ebenso kräftig Antwort auf jede Bewegung’. Nee, geef mij dan maar echte pornografie, daar krijg ik tenminste een erectie van.

Maar als je zo’n boek leest, doe je dat uiteraard niet om literaire redenen. In dit geval om politieke redenen, omdat Hoffmann in dit boek zijn visie geeft op de aanslag van 1980 op het Oktoberfest. Niet dat die visie juist zou zijn, laat staan de waarheid zou bevatten, maar omdat het interessant is er kennis van te nemen.

Het eerste wat opvalt: Hoffmann kent wel wat van geheime diensten en hoe ze te werk gaan. Deze stukken van zijn roman zijn uiteraard speculatief, maar waarschijnlijk is het wel zo gegaan. Er wordt een profiel opgesteld van een dader, er wordt vastgelegd wie voor de aanslag verantwoordelijk moet worden gemaakt, en dan wordt via de databanken een persoon gezocht die aan alle voorwaarden voldoet. In dit geval was dat ene Gundolf Köhler, die inderdaad van heel verre met de Wehrsportgruppe Hoffmann vandoen had gehad. De man werd zelf ook opgeblazen, hetgeen waarschijnlijk ook de bedoeling van de opdrachtgevers was, die de bom wel van op afstand hebben doen ontploffen (zonder dat Köhler dat wist uiteraard).

Dat scenario is totaal waarschijnlijk. Wat niet meer waarschijnlijk is, is het feit dat Hoffmann dit scenario in de schoenen schuift van de joden, zeg maar de Mossad. Ik ben geen vriend van die dienst, die in mijn ogen de misdadigste, crapuleuste, smerigste, nietsontziendste van alle vuiligheidsdiensten ter wereld is, en die in staat is om over honderden, duizenden, als het moet honderdduizenden lijken te gaan als het in hun kraam past. Maar zij hadden op dat ogenblik geen enkel voordeel bij zo’n aanslag in Duitsland, en dat is wat telt. Dat het een kwestie van wraak zou zijn voor de judeocide van de nazis lijkt me zever. In zijn misdadigheid is de Mossad te rationeel om vanuit dat soort gevoelens te vertrekken. En het is niet omdat ze een gelijkaardige racistische ideologie aanhangen als de nazi’s, dat ze blindelings aanslagen gaan plegen. Zo werkt dat niet.

Veel interessanter als bron om iets van die aanslag te begrijpen is een wetenschappelijk aandoend, alhoewel toch journalistiek onderzoek van Tobias von Heymann: Die Oktoberfestbombe.  München 26. September 1980 (NORA Verlagsgemeinschaft, Berlin, 2008). Minutieus worden in dit boek alle aspecten en alle bronnen onderzocht, zoals die op het ogenblik voorliggen en raadpleegbaar zijn, daaronder ook de dossiers ter zake van het MfS. Vele documenten worden trouwens afgedrukt in het boek, zodat de lezer er rechtstreeks kennis van kan nemen. Het boek is van een grondigheid die het woord ‘onderzoeksjournalistiek’ volledig recht geeft, en zoals hier te lande nooit geschreven werd bij mijn weten, zelfs niet door wijlen Walter De Bock. Nochtans trekt de man amper conclusies uit de massa’s feiten die hij aanhaalt en analyseert. Enkel eigenlijk dat Gundolf Köhler met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet alleen gehandeld heeft, maar dader en slachtoffer tegelijk was.

Opvallend in het boek is het feit dat een hoofdstuk van honderd bladzijden gewijd is aan de zgn. stay-behind-groepen van de NATO in Duitsland, méér dan één hoofdstuk en honderd bladzijden zelfs, want ook het daarop volgende hoofdstuk handelt daarover. Nergens zegt de auteur expliciet dat die groepen iets met de aanslag te maken hebben. Hij zegt het niet eens impliciet. Maar als je tussen de regels kunt lezen, en zelf de feiten met elkaar in verband kunt brengen, dan ligt eigenlijk maar één conclusie voor de hand. Tegenstanders zullen zeggen: hij beroept zich quasi uitsluitend op dossiers van het MfS. Daarbij vergetend dat het MfS die dossiers niet aanlegde om ze in 1990 te laten overnemen door de vijand. Al even opvallend is dat de Duitse vuiligheidsdienst die voor die stay-behind-groepen verantwoordelijk was, de BND (Bundesnachrichtendienst) is. Dat is niet alleen een nazidienst, het is ook een Amerikaanse nazidienst, en dus een nauw aan de NATO gelieerde nazidienst. Waarom zeg ik dit: in de geheime dienst van de Wehrmacht bestond er tot 1945 een afdeling ‘Fremde Heere Ost’, geleid door de hoge SS-officier Reinhard Gehlen. Die werd in 1945 met heel zijn dienst gewoon overgenomen door de Amerikanen, en werkte gewoon verder onder hun leiding tot in 1956, toen de ‘Organisation Gehlen’ werd omgevormd tot de BND, in schijn zelfstandig, maar nog heel lang nauw samenwerkend met de Amerikanen(en de Mossad natuurlijk!), tot op de dag van vandaag eigenlijk. Vandaar: nazidienst.

Dat brengt mij tot een verder boek in deze reeks: het doctoraat in de politieke wetenschappen van Dr. Daniele Ganser, afgelegd in Zwitserland, en dat in Engeland verscheen onder de titel Nato’s secret armies. Operation Gladio and Terrorism in Western Europe. (Frank Cass, London and New York, 2005). Dit boek beschrijft quasi de hele geschiedenis van Gladio, in heel West-Europa, en gaat vooral diep in op de verbanden met extreem-rechtse en rechtaf fascistische bewegingen en groepen in de verscheidene landen van de NATO. Eigenlijk is dit gewoon verbijsterende lectuur, zeker voor eenvoudige zielen die (nog) denken dat de NATO zoiets als vrede en democratie verdedigen zou. Opvallend is dat Ganser zo goed als uitsluitend op officiële bronnen steunt bij zijn onderzoek.

Er staat in het boek van Ganser ook een hoofdstuk over België. En daaruit kunnen we vernemen dat de Belgische militaire vuiligheidsdienst SDRA (Service de Renseignements et d’Actions – inmiddels is hij van naam veranderd) verantwoordelijk was voor de planning, organisatie en waarschijnlijk ook grotendeels de uitvoering van de terreur die Belgë in de jaren 80 van de vorige eeuw kende: de 6de afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de Rijkswacht, die toen nog onder defensie ressorteerde) zorgde voor de CCC (Cellules Communistes Combattantes), de 8ste afdeling van SDRA (verantwoordelijk voor de stay-behind-groepen in België – samen met een specifieke afdeling daarvoor bij de gewone Staatsvuiligheid trouwens) voor wat de ‘Bende van Nijvel’ is gaan heten.

Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat er nog steeds een zgn. Cel Jumet bestaat, die zogezegd verder speurt naar de misdaden van die Bende van Nijvel. Het kan niet dat die niet op de hoogte zou zijn van het bovenstaande. Eigenlijk kon eenieder die dat wou het van in de jaren 80 al weten. Hoewel ‘weten’ niet hetzelfde is als ‘bewijzen’ uiteraard. Maar als er maar één onderzoeksrechter geweest was met een beetje moed, dat had men toen al huiszoekingen verricht bij die dienst. Nu is het daarvoor wel te laat. België is erger dan Italie, want daar waren wél moedige onderzoeksrechters, die de band tussen de fascistische aanslagen in Bologna en elders en de militaire en andere vuiligheidsdiensten aldaar hebben kunnen blootleggen en bewijzen. Niet dat het veel heeft opgeleverd natuurlijk; dat soort volk stond en staat nu eenmaal boven elke wet.

Tenslotte wil ik in dit kader nog twee boeken noemen, die al wat ouder tot veel ouder zijn. Daar is op de eerste plaats Im Namen des Staates. Cia, BND und die kriminellen Machenschaften der Geheimdienste (Piper Verlag, München, Zürich, 2000) van Andreas von Bülow. Von Bülow was afgevaardigde in de Bundestag (het Duitse parlement) en zelfs korte tijd minister. Ik hou niet van sociaal-democraten (net zomin als van ‘groenen’ trouwens) maar af en toe kom je er toch eens eentje tegen, die nadenkt en vragen stelt en zelf op onderzoek uittrekt – en dus zijn politieke carrière maar laat vallen, zoals Andreas von Bülow, die in een parlementaire commissie zat die vuiligheidsdiensten onderzocht; maar er bleek alras dat enkel die van het voormalige oostblok onderzocht mochten worden, de andere waren van ‘ons’ en dus ‘zuiver’.

Von Bülow toont in zijn boek haarfijn aan dat dit leugens zijn, bedrog van het hoogste gehalte, en dat alle geheime diensten verwikkeld zijn in zo mogelijk alle criminele zaken die er in de wereld gebeuren. Wanneer je zijn boek uit hebt, kun je maar tot één enkele conclusie komen: geheime diensten zijn vuiligheidsdiensten, zijn misdaadorganisaties. Wil ik daarmee zeggen dat alle vuiligheidsdiensten over één kam geschoren moeten worden? Ja, in de mate dat ze allemaal minstens potentieel crimineel zijn. Nee, omdat er hoe dan ook onderscheid is, en die onderscheiden ook gemaakt moeten worden. Er zijn straatboefjes en er is Al Capone. De Belgische Staatsvuiligheid is de Mossad niet. Maar dat heeft uiteraard eerder te maken met de onbelangrijkheid van België dan met iets anders. Toen Lumumba vermoord moest worden, werd er géén ogenblik geaarzeld. En als dat in de toekomst nog moet gebeuren, zullen ze evenmin aarzelen. Nederland is even onbelangrijk als België, en de AIVD heeft geen ogenblik geaarzeld om Pim Fortuyn koud te laten maken toen dat in hun ogen noodzakelijk werd.

Tenslotte vermeld ik gewoon een laatste boek in de reeks: L’Orchestre Noir van Frédéric Laurent (Stock, Paris, 1978). Dat gaat meer bepaald over Italië, Portugal, Spanje en Frankrijk, en de verwevenheid tussen oude en nieuwe fascisten enerzijds, en vuiligheidsdiensten anderzijds. Het schetst ook de geschiedenis van die verwevenheid sinds 1945, met een sterke nadruk op Frankrijk uiteraard (Indochina, Algerië, OAS). Maar de feiten zijn gelijkaardig, de boodschap dezelfde.

In het bedrukt papier dat krant of weekblad genoemd wordt, lees je daarover niet, daar staat hoogstens propaganda in over hoe goed het allemaal wel niet gaat, en over hoe slecht die moslims wel niet zijn. En op TV houdt men niet op van een scheet in Molenbeek een atoombom te maken – ook al omdat Moslims ermee gemoeid zijn waarschijnlijk. Uit dat soort media haalt 95 % van de bevolking zijn kennis over de wereld, over de feiten en gebeurtenissen die ook voor hen belangrijk (kunnen) zijn. Met andere woorden: heel ons medialandschap is één enkele aanhoudende golf van desinformatie. Anders kun je het niet noemen.

We leven in een gangsterregime, de staten in het Westen worden mede bevolkt door moordenaars en terroristen, en niemand weet het. En als het dan eens uit zou komen, dan gebeurde en gebeurt dat allemaal uit naam van de Democratie, de Vrijheid, de Waarden van de Verlichting, enzoverder enzovoort.

Hoe ver je geraakt na een kort verblijf in München… Het is zo ontmoedigend allemaal, dat ik nu maar snel terugkeer naar aangenamere zaken, naar fraaiere boeken.

Delen:
Share

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


vier × drie =